Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BN3836

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
05-08-2010
Datum publicatie
12-08-2010
Zaaknummer
200.043.592
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof bekrachtigt beschikking van de RB, waarbij verzoek tot verlenging van de partneralimentatie is afgewezen. Weliswaar is achteruitgang ingrijpend, maar kan deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van de vrouw gevergd worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Beschikking d.d. 5 augustus 2010

Zaaknummer 200.043.592

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. S. Vaupell, kantoorhoudende te Wolvega,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. W. Doornink, kantoorhoudende te Hoorn.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 17 juni 2009 heeft de rechtbank Leeuwarden het verzoek van de vrouw tot verlenging van de alimentatieverplichting van de man jegens haar, afgewezen.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie van het hof op 15 september 2009, heeft de vrouw verzocht de beschikking van 17 juni 2009 te vernietigen en opnieuw beslissende alsnog het verzoek tot verlenging van de alimentatieverplichting toe te wijzen, althans de termijn te verlengen tot het moment waarop de vrouw de 65-jarige leeftijd bereikt.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie van het hof op 23 november 2009, heeft de man het verzoek van de vrouw bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van de beschikking waarvan beroep met veroordeling van de vrouw in de kosten van het geding.

Ter zitting van 27 april 2010 is de zaak behandeld. Partijen zijn daarbij verschenen, bijgestaan door hun advocaat.

De vaststaande feiten

1. Het huwelijk van partijen, gesloten te Winschoten op [huwelijksdag], is op

[echtscheiding] ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Alkmaar van 4 juli 1996 in de registers van de burgerlijke stand.

2. Partijen zijn bij echtscheidingsconvenant, ondertekend op 20 december 1996, overeengekomen dat de man met ingang van 7 november 1996 ?. 1.000,- per maand, jaarlijks te verhogen met de wettelijke indexering, aan de vrouw zal betalen als bijdrage in haar kosten van levensonderhoud.

3. Op grond van het bepaalde in artikel 1:158 BW, gelezen in samenhang met artikel 1:157 lid 4 BW, is de alimentatieverplichting twaalf jaar na ontbinding van het huwelijk geëindigd, derhalve op 23 december 2008. De man heeft steeds aan zijn alimentatieverplichting jegens de vrouw voldaan en heeft de vrouw in december 2008 in kennis gesteld van zijn voornemen om per januari 2009 te stoppen met het betalen van de partneralimentatie.

4. Bij verzoekschrift van 26 januari 2009 heeft de vrouw zich op de voet van artikel 1:157 lid 5 BW tot de rechtbank gewend met het verzoek om de alimentatieverplichting van de man jegens haar te verlengen tot het moment waarop zij 65 jaar wordt (blijkens de stukken 13 november 2011).

5. Bij de bestreden beschikking is dat verzoek afgewezen. Tegen deze beslissing is het hoger beroep van de vrouw gericht.

Het geschilpunt

6. Tussen partijen is in geschil of de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw al dan niet dient te worden verlengd.

De beoordeling

7. De met ingang van 1 juli 1994 als gevolg van het in werking treden van de Wet limitering alimentatie na scheiding (Stb. 1994, 324 en 325) in het Burgerlijk Wetboek opgenomen limiteringsregeling bepaalt in art. 1:157 lid 4 BW dat de verplichting tot levensonderhoud na echtscheiding van rechtswege eindigt na het verstrijken van een termijn van twaalf jaren, die aanvangt op de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Dit eindigen van de alimentatieplicht na ommekomst van deze termijn heeft een in beginsel definitief karakter en vindt plaats ongeacht de financiële draagkracht van de alimentatieplichtige.

8. Indien de beëindiging van de uitkering ten gevolge van het verstrijken van deze termijn van zo ingrijpende aard is dat ongewijzigde handhaving van die termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van degene die tot de uitkering gerechtigd is niet kan worden gevergd, kan de rechter evenwel op grond van art 1: 157 BW op verzoek van degene die tot de uitkering gerechtigd is alsnog een termijn vaststellen. Voor deze verlenging zijn aan de zijde van de onderhoudsgerechtigde bijzondere omstandigheden nodig. De alimentatiegerechtigde draagt de stelplicht en de bewijslast van deze bijzondere omstandigheden .

9. De wetgever is ervan uitgegaan dat de alimentatiegerechtigde in de periode van twaalf jaren in beginsel voldoende gelegenheid heeft om zich voor te bereiden op het voorzien in eigen levensonderhoud, ook wanneer dit moet gebeuren naast de zorg voor minderjarige kinderen uit het huwelijk en dat dit ook van de onderhoudsgerechtigde gevergd kan worden.

10. Of er grond voor verlenging bestaat moet aan hetgeen onder rechtsoverwegingen 7 tot en met 9 is overwogen, worden beoordeeld. Het gaat in de eerste plaats erom of aan de zijde van de vrouw bijzondere omstandigheden aanwezig zijn, die gelet op de ingrijpende aard van de beëindiging, in beginsel meebrengen dat ongewijzigde handhaving van de termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd. Daarbij zal, naast de financiële situatie aan de zijde van de vrouw, onder meer van belang kunnen zijn of zij alles heeft gedaan wat redelijkerwijze van haar mag worden verwacht om financieel zelfstandig te worden.

11. De vrouw heeft onder meer aangevoerd dat zij op het moment van de echtscheiding 51 jaar oud was en dat partijen 27 jaar getrouwd zijn geweest. Tijdens het huwelijk heeft de vrouw een jaar gewerkt. De man was van mening dat zij beter niet kon werken maar voor de kinderen diende te zorgen. Toen de kinderen ouder werden heeft de vrouw gewerkt als alfahulp. Dit werk doet de vrouw nog steeds, maar gezien haar lichamelijke klachten en het feit dat er niet meer uren te verkrijgen zijn als alfahulp kan zij niet in haar eigen levensonderhoud voorzien. De vrouw heeft de afgelopen twaalf jaar alles in het werk gesteld om ervoor te zorgen dat zij in eigen levensonderhoud kan voorzien maar dat is niet gelukt. De sollicitatiebrieven van de laatste twaalf heeft de vrouw niet meer, maar bij het beroepschrift heeft de vrouw wel een aantal sollicitaties van de afgelopen maanden bijgevoegd. Ter zitting heeft de vrouw voorts onder meer toegelicht dat zij leefde van de partneralimentatie en van haar inkomen van circa € 150,- per maand uit haar werkzaamheden als alfahulp. Zij komt niet in aanmerking voor een bijstandsuitkering omdat zij samenwoont met een vriendin.

12. De man heeft de stellingen van de vrouw weersproken, waaronder de stelling dat de onderhavige inkomensterugval ingrijpend is voor de vrouw en de stelling dat zij de afgelopen twaalf jaar alles in het werk heeft gesteld om in eigen levensonderhoud te kunnen voorzien.

13. Het hof overweegt als volgt. Gelet op de hoogte van de door de man betaalde alimentatie enerzijds en van het eigen inkomen van de vrouw anderzijds is duidelijk dat de financiële achteruitgang van de vrouw bij het wegvallen van de alimentatie ingrijpend is. De vrouw zal haar huidige uitgavenpatroon niet kunnen voortzetten. Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank op dit punt. Dit beantwoordt echter nog niet de vraag of deze ingrijpende achteruitgang naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd.

14. Het hof onderschrijft voorts het oordeel van de rechtbank dat niet is aangetoond door de vrouw dat zij de afgelopen twaalf jaar alles in het werk heeft gesteld om tot financiële zelfstandigheid te geraken. In dit verband heeft de vrouw in haar beroepschrift erkend dat zij geen sollicitaties kan overleggen met betrekking tot die periode. De door de vrouw wel overgelegde sollicitaties dateren van na de beslissing van de rechtbank. Het hof is niet gebleken dat gezondheidsproblemen of zorg voor de kinderen in de afgelopen twaalf jaar de vrouw hebben belet om haar werkzaamheden uit te breiden. Dat de vrouw thans naar eigen zeggen kampt met gezondheidsproblemen leidt niet tot een ander oordeel. De vrouw heeft geen inzage gegeven in haar medische beperkingen en deze ook niet op andere wijze onderbouwd.

15. De vrouw heeft op grond van al het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, niet aangetoond dat er bijzondere omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat haar recht op alimentatie verlengd dient te worden. De vrouw heeft in de periode van twaalf jaren voldoende gelegenheid gehad om zich voor te bereiden op het geheel voorzien in eigen levensonderhoud, hetgeen ook in redelijkheid van haar gevergd kan worden.

Slotsom

16. Op grond van het bovenstaande zal het hof beslissen als na te melden.

Proceskosten

17. Het hof ziet geen aanleiding af te wijken van het uitgangspunt in zaken als de onderhavige tussen gewezen echtelieden dat ieder de eigen proceskosten draagt.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van 17 juni 2009 van de rechtbank Leeuwarden waarvan beroep;

compenseert de proceskosten tussen partijen zodanig dat iedere partij de eigen kosten van het geding draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Jonkman, voorzitter, Van Veen en Kostense, raden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het hof op donderdag 5 augustus 2010 in bijzijn van de griffier.