Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BN3512

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
09-08-2010
Datum publicatie
09-08-2010
Zaaknummer
24-000460-07
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BW5002
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BW5002
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BX5411, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BX5411
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake het ontrekken van een bedrag aan het pandrecht dat hierop rustte en jarenlange belastingfraude veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden. Het hof heeft bij de bepaling van de strafmaat rekening gehouden met undue delay en de gewijzigde wetgeving inzake de voorwaardelijke invrijheidstelling. Overweging ten aanzien belastingplicht in Nederland en opzet verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 24-000460-07

Parketnummer eerste aanleg: 19-993011-05

Arrest van 9 augustus 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Assen van

20 februari 2007 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1953] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. H. Veldman, advocaat te Peize.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Assen heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 juli 2010 in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Voor zover het hoger beroep is gericht tegen de vrijspraak ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde, kan verdachte daarin niet worden ontvangen.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het onder 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met een proeftijd van twee jaren, een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair te vervangen door 120 dagen hechtenis, en een geldboete van

€ 25.000,-, subsidiair te vervangen door 300 dagen hechtenis.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis, voor zover aan hoger beroep onderworpen, vernietigen en in zoverre opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - voor zover voor dit hoger beroep van belang - ten laste gelegd, dat:

3.

hij op of omstreeks 7 februari 2001, althans in of omstreeks de maand februari 2001, te [plaats 1] (gemeente [gemeente 1]) en/of te [plaats 2] en/of te [plaats 3] (gemeente [gemeente 2]), in elk geval in Nederland, opzettelijk zijn eigen goed, te weten een (gedeelte van een) vordering van hem, verdachte, op de [bank] te [plaats 3] of de [bank] te [plaats 2] (bestaande uit het saldo van de bankrekening aangehouden onder nummer 9911.95.116), heeft onttrokken aan een op die vordering (banksaldo) gevestigd pandrecht van het Landelijk Instituut Sociale Verzekering (LIVS) en de ontvanger belast met de invordering van rijksbelastingen, immers heeft hij, verdachte, in strijd met de daarvoor krachtens de tussen hem, verdachte, en het LIVS en de ontvanger overeengekomen G-rekeningovereenkomst geldende voorwaarden een deel van dat banksaldo (groot Hfl. 7.000,-- of daaromtrent) doen overschrijven naar een bankrekening aangehouden door [naam], handelende onder de naam '[bedrijf]', ter betaling van aan hem, verdachte, geleverde goederen;

4.

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 1999 tot en met 31 januari 2001 te [plaats 2] en/of te [plaats 1] (gemeente [gemeente 1]), in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, te weten een of meer aangifte(n) loonbelasting/premie volksverzekeringen ten name van [verdachte], onjuist en/of onvolledig heeft gedaan en/of heeft doen doen, terwijl het feit er (telkens) toe strekte dat te weinig belasting werd geheven, immers heeft hij, verdachte, (telkens) opzettelijk in die aangifte(n) een onjuist bedrag aan af te dragen loonbelasting/premie volksverzekeringen vermeld en/of doen vermelden en die aangifte(n) bij de belastingdienst Ondernemingen Emmen ingediend,

(het betrof de navolgende aangifte(n))

1. een aangifte loonbelasting/premie volksverzekeringen, gedateerd 25 oktober 1999,

betreffende het aangiftetijdvak 3e kwartaal 1999, met als af te dragen loonbelasting/premie

volksverzekeringen Hfl. 5.809,--;

(D69)

en/of

2. een aangifte loonbelasting/premie volksverzekeringen, gedateerd 13 januari 2000,

betreffende het aangiftetijdvak 4e kwartaal 1999, met als af te dragen loonbelasting/premie

volksverzekeringen Hfl. 13.469,--;

(D70)

en/of

3. een aangifte loonbelasting/premie volksverzekeringen, gedateerd 16 mei 2000,

betreffende het aangiftetijdvak 1e kwartaal 2000, met als af te dragen loonbelasting/premie

volksverzekeringen Hfl. 1.589,--;

(D71)

en/of

4. een aangifte loonbelasting/premie volksverzekeringen, gedateerd 20 april 2000,

betreffende het aangiftetijdvak april 2000, met als af te dragen loonbelasting/premie

volksverzekeringen nihil;

(D72)

en/of

5. een aangifte loonbelasting/premie volksverzekeringen, gedateerd 17 juli 2000,

betreffende het aangiftetijdvak juni 2000, met als af te dragen loonbelasting/premie

vo1ksverzekeringen nihil;

(D73)

en/of

6. een aangifte loonbelasting/premie volksverzekeringen, gedateerd 18 augustus 2000,

betreffende het aangiftetijdvak juli 2000, met als af te dragen loonbe1asting/premie

volksverzekeringen nihil;

(D74)

en/of

7. een aangifte loonbelasting/premie volksverzekeringen, gedateerd 29 september 2000,

betreffende het aangiftetijdvak augustus 2000, met als af te dragen loonbelasting/premie

volksverzekeringen nihil;

(D75)

en/of

8. een aangifte loonbelasting/premie volksverzekeringen, gedateerd 13 oktober 2000,

betreffende het aangiftetijdvak september 2000, met als af te dragen loonbelasting/premie

volksverzekeringen nihil;

(D76)

en/of

9. een aangifte loonbelasting/premie volksverzekeringen, gedateerd 24 november 2000,

betreffende het aangiftetijdvak oktober 2000, met als af te dragen loonbelasting/premie

volksverzekeringen nihil;

(D77)

en/of

10. een aangifte loonbelasting/premie volksverzekeringen, gedateerd 30 december 2000,

betreffende het aangiftetijdvak november 2000, met als af te dragen loonbelasting/premie

volksverzekeringen nihil;

(D78)

en/of

11. een aangifte loonbelasting/premie volksverzekeringen, gedateerd 29 januari 2001,

betreffende het aangiftetijdvak december 2000, met als af te dragen loonbelasting/premie

volksverzekeringen nihil;

(D79)

5.

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2001 tot en met 31 januari 2003 te [plaats 4] en/of te [plaats 1] (gemeente [gemeente 1]), in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, te weten een of meer aangifte(n) loonbelasting/premie volkverzekeringen ten name van [bedrijf], onjuist en/of onvolledig heeft gedaan en/of heeft doen doen, terwijl het feit er (telkens) toe strekte dat te weinig belasting werd geheven, immers heeft hij, verdachte, (telkens) opzettelijk in die aangifte(n) een onjuist bedrag aan af te dragen loonbelasting/premie volksverzekeringen vermeld en/of doen vermelden en die aangifte(n) bij de belastingdienst Particulieren/ondernemingen te Heerlen ingediend,

(het betrof de navolgende aangifte(n))

1. een aangifte loonbelasting/premievolksverzekeringen, gedateerd 7 november 2001,

betreffende het aangiftetijdvak 1 april 2001 tot en met 30 juni 2001, met als af te dragen

loonbelasting/premie volkverzekeringen nihil;

(D81)

en/of

2. een aangifte loonbelasting/premie volksverzekeringen, gedateerd 2 november 2001,

betreffende het aangiftetijdvak 3e kwartaal 2001, met als af te dragen loonbelasting/premie

volksverzekeringen nihil;

(D82)

en/of

3. een aangifte loonbelasting/premie volksverzekeringen, gedateerd 7 januari 2002,

betreffende het aangiftetijdvak 4e kwartaal 2001, met als af te dragen loonbelasting/premie

volksverzekeringen nihil;

(D83)

en/of

4. een aangifte loonbelasting/premie volksverzekeringen, gedateerd 4 april 2002, betreffende

het aangiftetijdvak 1e kwartaal 2002, met als af te dragen loonbelasting/premie

volksverzekeringen nihil;

(D84)

en/of

5. een aangifte loonbelasting/premie volksverzekeringen, gedateerd 2 maart 2002, betreffende

het aangiftetijdvak 2e kwartaal 2002, met als af te dragen loonbelasting/premie

volksverzekeringen nihil;

(D85)

en/of

6. een aangifte loonbelasting/premie volksverzekeringen, gedateerd 14 oktober 2002,

betreffende het aangiftetijdvak 3e kwartaal 2002, met als af te dragen loonbelasting/premie

volksverzekeringen nihil;

(D86)

en/of

7. een aangifte loonbelasting/premie volksverzekeringen, gedateerd 18 januari 2002,

betreffende het aangiftetijdvak 4e kwartaal 2002, met als af te dragen loonbelasting/premie

volksverzekeringen nihil;

(D87)

6.

hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2001 tot en met 31 december 2002 te [plaats 2] en/of te [plaats 1] (gemeente [gemeente 1]), in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, te weten een of meer aangifte(n) inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen ten name van [verdachte], onjuist en/of onvolledig heeft gedaan en/of heeft doen doen, terwijl het feit er (telkens) toe strekte dat te weinig belasting werd geheven, immers heeft hij, verdachte, (telkens) opzettelijk in die aangifte(n) een onjuist bedrag aan belastbaar inkomen vermeld en/of doen vermelden en die aangifte(n) bij de belastingdienst Ondernemingen te Emmen ingediend,

(het betrof de navolgende aangifte(n))

1. een aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1999, gedateerd 27 februari

2001, met als belastbaar inkomen 3.123,--;

(D88)

en/of

2. een aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2000, gedateerd 14 januari

2002, met als belastbaar inkomen 10.723,--;

(D89)

en/of

3. een aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2001, gedateerd 27 januari

2002, met als belastbaar inkomen nihil.

(D90)

Overwegingen ten aanzien van feit 3

De raadsman van verdachte stelt dat niet iedere overboeking vanaf een G-rekening zonder volmacht zonder meer een onttrekking in de zin van artikel 348 van het Wetboek van Strafrecht oplevert. Het toenmalige LISV en de ontvanger werden door de door verdachte gedane overboeking niet in de uitoefening van hun pandrecht bekort daar verdachte volgens zijn eigen verklaring ten tijde van de overboeking geen premie- of loonbelastingschulden had.

Een G-rekening wordt gebruikt ter zekerheid van de af te dragen premies en belastingen over in onderaanneming verrichtte werkzaamheden. Verdachte heeft bij het openen van zijn G-rekening verklaard dat de saldi van de G-rekening in eerste onderpand worden gegeven aan het toenmalige LISV en de ontvanger gezamenlijk voor hetgeen zij ten tijde van het openen van de rekening of te eniger tijd van hem te vorderen hebben of zullen krijgen ter zake van verschuldigde premie en voorschotpremie als bedoeld in artikel 16b, vijfde lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (oud), ter zake van verschuldigde belasting als bedoeld in artikel 35, vijfde lid, van de Invorderingswet 1999 (oud) en ter zake van ingevolge de volksverzekeringswetten verschuldigde premie.

Het toenmalige LISV en de ontvanger kunnen op aanvraag van de rekeninghouder van een G-rekening toestemming geven het saldo van die rekening geheel dan wel tot een bepaald bedrag voor andere doeleinden aan te wenden dan voor de voldoening van vorderingen die zij op de rekeninghouder hebben. Verdachte heeft zonder deze toestemming een bedrag van zijn G-rekening overgemaakt aan een derde. Dit levert een onttrekking aan het pandrecht op aangezien deze overboeking tekort doet aan het pandrecht dat de pandhouders jegens hem, verdachte, konden uitoefenen. Het feit dat verdachte het bedrag op een G-rekening van een derde heeft gestort doet hieraan niet af.

Overwegingen ten aanzien van de feiten 4, 5 en 6

Verdachte en zijn raadsman stellen zich primair op het standpunt dat verdachte in Nederland niet belastingplichtig was en geen premies volksverzekeringen behoefde te betalen ten aanzien van de werkzaamheden die verdachte met zijn Duitse bedrijf verrichtte.

Inwoners van Nederland moeten voor de inkomstenbelasting aangifte doen van hun totale wereldinkomen. Verdachte had naast inkomen uit zijn eenmanszaak in Nederland ook inkomsten uit een eenmanszaak in Duitsland en diende derhalve ook de inkomsten van zijn Duitse bedrijf op te geven. Als er over het inkomen dat in een ander land is genoten in dat land belasting wordt betaald, kan er sprake zijn van een korting op de verschuldigde inkomstenbelasting, de zogenoemde aftrek ter voorkoming van dubbele belasting. Tussen Nederland en Duitsland bestaat een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting van inkomsten. Dit verdrag ontslaat verdachte echter niet van zijn verplichting om in Nederland aangifte te doen van de inkomsten die hij genoot vanuit zijn Duitse onderneming. Daarnaast diende verdachte met zijn Duitse bedrijf te worden gezien als een Nederlands belastingplichtige ten aanzien van de loonbelasting en premie volksverzekeringen daar de bedrijfsvoering van het Duitse bedrijf plaatsvond vanuit de woonplaats van verdachte in Nederland, de opdrachten vrijwel uitsluitend in Nederland werden verricht en er voor Nederlandse opdrachtgevers werd gewerkt met bijna uitsluitend Nederlandse werknemers. Voor zover de raadsman heeft willen betogen dat het niet verdachte maar zijn Duitse onderneming was die belastingplichtig was, gaat de raadsman uit van een onjuiste veronderstelling nu het een eenmanszaak betreft.

De raadsman van verdachte heeft gesteld dat verdachte niet de opzet heeft gehad om onjuiste en/of onvolledige aangiftes te doen en dat hij ten aanzien van de correctheid van zijn aangiftes volkomen heeft vertrouwd op zijn vaste adviseur, drs. [adviseur]. Namens verdachte is betoogd dat hij zijn aangiftes niet zelf heeft verzorgd en ingediend maar dat heeft laten doen door [adviseur] en dat, indien het verwijtbaar is dat de aanslagen te laag zijn vastgesteld, deze verwijtbaarheid uitsluitend zijn adviseur betreft.

De enkele omstandigheid dat verdachte een adviseur heeft ingeschakeld, aan wie mogelijk verwijten kunnen worden gemaakt, sluit de mogelijkheid dat bij verdachte zelf (voorwaardelijk) opzet aanwezig is geweest niet uit. In casu heeft verdachte [adviseur] niet voorzien van de gegevens van zijn Duitse onderneming die [adviseur] nodig had om de aangiften op een correcte wijze in te vullen. Verdachte is hierdoor zelf verantwoordelijk voor de onjuiste aangiftes en kan zich derhalve niet verschuilen achter [adviseur].

Voor zover de raadsman heeft willen betogen dat de aangiftes van verdachte niet de strekking hadden dat er minder belasting werd geheven verwerpt het hof dit verweer. Blijkens de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 1993/94, 23 470, nr. 3, p. 23) is voor de vaststelling of een gedraging voornoemde strekking heeft, bepalend of de gedraging gezien de effecten die een dergelijke gedraging in het algemeen pleegt te hebben, als gevolg heeft dat te weinig belasting zal worden geheven. Op de ingeleverde aangifteformulieren stonden de lonen die waren uitbetaald door zijn Duitse onderneming en de winst die verdachte heeft behaald met zijn Duitse onderneming niet vermeld. Deze handelwijze heeft doorgaans tot gevolg dat te weinig belasting wordt geheven zodat voldaan is aan het strekkingsvereiste.

Bewezenverklaring

Het hof acht ten aanzien van verdachte bewezen dat:

3.

hij op 7 februari 2001, te [plaats 1] (gemeente [gemeente 1]), opzettelijk zijn eigen goed, te weten een (gedeelte van een) vordering van hem, verdachte, op de [bank] te [plaats 3] of de [bank] te [plaats 2] (bestaande uit het saldo van de bankrekening aangehouden onder nummer 9911.95.116), heeft onttrokken aan een op die vordering (banksaldo) gevestigd pandrecht van het Landelijk Instituut Sociale Verzekering (LIVS) en de ontvanger belast met de invordering van rijksbelastingen, immers heeft hij, verdachte, in strijd met de daarvoor krachtens de tussen hem, verdachte, en het LIVS en de ontvanger overeengekomen G-rekeningovereenkomst geldende voorwaarden een deel van dat banksaldo (groot Hfl. 7.000,--) doen overschrijven naar een bankrekening aangehouden door [naam], handelende onder de naam '[bedrijf]', ter betaling van aan hem, verdachte, geleverde goederen;

4.

hij in de periode van 1 oktober 1999 tot en met 31 januari 2001 in Nederland, meermalen, opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, te weten aangiften loonbelasting/premie volksverzekeringen ten name van [verdachte], onjuist en/of onvolledig heeft gedaan en/of heeft doen doen, terwijl het feit er telkens toe strekte dat te weinig belasting werd geheven, immers heeft hij, verdachte, telkens opzettelijk in die aangiften een onjuist bedrag aan af te dragen loonbelasting/premie volksverzekeringen vermeld en/of doen vermelden en die aangiften bij de belastingdienst Ondernemingen Emmen ingediend,

(het betrof de navolgende aangiften)

1. een aangifte loonbelasting/premie volksverzekeringen, gedateerd 25 oktober 1999,

betreffende het aangiftetijdvak 3e kwartaal 1999, met als af te dragen loonbelasting/premie

volksverzekeringen Hfl. 5.809,--;

en

2. een aangifte loonbelasting/premie volksverzekeringen, gedateerd 13 januari 2000,

betreffende het aangiftetijdvak 4e kwartaal 1999, met als af te dragen loonbelasting/premie

volksverzekeringen Hfl. 13.469,--;

en

3. een aangifte loonbelasting/premie volksverzekeringen, gedateerd 16 mei 2000,

betreffende het aangiftetijdvak 1e kwartaal 2000, met als af te dragen loonbelasting/premie

volksverzekeringen Hfl. 1.589,--;

en

4. een aangifte loonbelasting/premie volksverzekeringen, gedateerd 20 april 2000,

betreffende het aangiftetijdvak april 2000, met als af te dragen loonbelasting/premie

volksverzekeringen nihil;

en

5. een aangifte loonbelasting/premie volksverzekeringen, gedateerd 17 juli 2000,

betreffende het aangiftetijdvak juni 2000, met als af te dragen loonbelasting/premie

vo1ksverzekeringen nihil;

en

6. een aangifte loonbelasting/premie volksverzekeringen, gedateerd 18 augustus 2000,

betreffende het aangiftetijdvak juli 2000, met als af te dragen loonbe1asting/premie

volksverzekeringen nihil;

en

7. een aangifte loonbelasting/premie volksverzekeringen, gedateerd 29 september 2000,

betreffende het aangiftetijdvak augustus 2000, met als af te dragen loonbelasting/premie

volksverzekeringen nihil;

en

8. een aangifte loonbelasting/premie volksverzekeringen, gedateerd 13 oktober 2000,

betreffende het aangiftetijdvak september 2000, met als af te dragen loonbelasting/premie

volksverzekeringen nihil;

en

9. een aangifte loonbelasting/premie volksverzekeringen, gedateerd 24 november 2000,

betreffende het aangiftetijdvak oktober 2000, met als af te dragen loonbelasting/premie

volksverzekeringen nihil;

en

10. een aangifte loonbelasting/premie volksverzekeringen, gedateerd 30 december 2000,

betreffende het aangiftetijdvak november 2000, met als af te dragen loonbelasting/premie

volksverzekeringen nihil;

en

11. een aangifte loonbelasting/premie volksverzekeringen, gedateerd 29 januari 2001,

betreffende het aangiftetijdvak december 2000, met als af te dragen loonbelasting/premie

volksverzekeringen nihil;

5.

hij in de periode van 1 november 2001 tot en met 31 januari 2003 in Nederland, meermalen, opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, te weten aangiften loonbelasting/premie volkverzekeringen ten name van [bedrijf], onjuist en/of onvolledig heeft gedaan en/of heeft doen doen, terwijl het feit er telkens toe strekte dat te weinig belasting werd geheven, immers heeft hij, verdachte, telkens opzettelijk in die aangiften een onjuist bedrag aan af te dragen loonbelasting/premie volksverzekeringen vermeld en/of doen vermelden en die aangiften bij de belastingdienst Particulieren/ondernemingen te Heerlen ingediend,

(het betrof de navolgende aangiften)

1. een aangifte loonbelasting/premievolksverzekeringen, gedateerd 7 november 2001,

betreffende het aangiftetijdvak 1 april 2001 tot en met 30 juni 2001, met als af te dragen

loonbelasting/ premie volkverzekeringen nihil;

en

2. een aangifte loonbelasting/premie volksverzekeringen, gedateerd 2 november 2001,

betreffende het aangiftetijdvak 3e kwartaal 2001, met als af te dragen loonbelasting/premie

volksverzekeringen nihil;

en

3. een aangifte loonbelasting/premie volksverzekeringen, gedateerd 7 januari 2002,

betreffende het aangiftetijdvak 4e kwartaal 2001, met als af te dragen loonbelasting/premie

volksverzekeringen nihil;

en

4. een aangifte loonbelasting/premie volksverzekeringen, gedateerd 4 april 2002, betreffende

het aangiftetijdvak 1e kwartaal 2002, met als af te dragen loonbelasting/premie

volksverzekeringen nihil;

en

5. een aangifte loonbelasting/premie volksverzekeringen, gedateerd 2 maart 2002, betreffende

het aangiftetijdvak 2e kwartaal 2002, met als af te dragen loonbelasting/premie

volksverzekeringen nihil;

en

6. een aangifte loonbelasting/premie volksverzekeringen, gedateerd 14 oktober 2002,

betreffende het aangiftetijdvak 3e kwartaal 2002, met als af te dragen loonbelasting/premie

volksverzekeringen nihil;

en

7. een aangifte loonbelasting/premie volksverzekeringen, gedateerd 18 januari 2002,

betreffende het aangiftetijdvak 4e kwartaal 2002, met als af te dragen loonbelasting/premie

volksverzekeringen nihil;

6.

hij in de periode van 1 februari 2001 tot en met 31 januari 2002 in Nederland, meermalen, opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, te weten aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen ten name van [verdachte], onjuist en/of onvolledig heeft gedaan en/of heeft doen doen, terwijl het feit er telkens toe strekte dat te weinig belasting werd geheven, immers heeft hij, verdachte, telkens opzettelijk in die aangiften een onjuist bedrag aan belastbaar inkomen vermeld en/of doen vermelden en die aangiften bij de belastingdienst Ondernemingen te Emmen ingediend,

(het betrof de navolgende aangifte(n))

1. een aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1999, gedateerd 27 februari

2001, met als belastbaar inkomen 3.123,--;

en

2. een aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2000, gedateerd 14 januari

2002, met als belastbaar inkomen - 10.723,--.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 3, 4, 5 en 6 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

onder 3: opzettelijk zijn eigen goed onttrekken aan een pandrecht;

onder 4, 5 en 6, telkens: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft een factuur van een ander bedrijf, die voor het grootste gedeelte bestond uit een vergoeding voor geleverde materialen, betaald door geld van zijn G-rekening over te maken naar de G-rekening van dit bedrijf. Verdachte heeft hierdoor oneigenlijk gebruik gemaakt van zijn G-rekening en het betaalde bedrag onttrokken aan het pandrecht dat hierop rustte.

Daarnaast heeft verdachte zich jarenlang schuldig gemaakt aan belastingfraude door onjuiste gegevens te verstreken aan de belastingdienst. Hij heeft op geraffineerde wijze de omzet van één van zijn bedrijven en de lonen die door dit bedrijf betaald waren buiten het zicht van de fiscus gehouden. Door deze onjuiste opgaven is te weinig (inkomsten- en loon-)belasting en premie volksverzekeringen geheven, waardoor de verdachte de fiscus in het bijzonder en daarmee de maatschappij in het algemeen voor een aanzienlijk bedrag heeft benadeeld. Verdachte heeft door zijn wijze van handelen op grove wijze het vertrouwen geschaad dat de fiscus mag hebben in de juistheid van door belastingplichtigen aan haar verstrekte gegevens. Bovendien leidt dergelijk handelen tot een oneerlijke concurrentiepositie ten opzichte van ondernemingen die wel alle belastingen en premies afdragen.

Verdachte heeft geen enkele blijk gegeven van enig schuldbesef. Hij neemt geen verantwoordelijkheid voor zijn handelen en probeert de schuld bij anderen neer te leggen. Het hof rekent dit verdachte aan.

Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met een verdachte betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 26 juli 2010, waaruit blijkt dat verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld ter zake van soortgelijke misdrijven.

Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat zowel de door de rechtbank opgelegde als de door de advocaat-generaal gevorderde straf onvoldoende recht doen aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten. Het hof is van oordeel dat aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur dient te worden opgelegd. Voor een andere, lichtere, strafmodaliteit zoals geëist door de advocaat-generaal en verzocht door de verdediging, ziet het hof - gelet op de omvang van de door verdachte gepleegde belastingfraude - geen ruimte.

Het hof acht in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden passend en geboden. Gelet echter op de overschrijding van de redelijke termijn - te weten een overschrijding van de duur van de procedure in hoger beroep met één jaar en ruim 5 maanden - zal het hof komen tot een verlaging van de op te leggen straf. Het hof zal

- gelet op het voorgaande - een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 21 maanden. Het hof heeft bij de bepaling van de strafmaat rekening gehouden met de gewijzigde wetgeving inzake de voorwaardelijke invrijheidstelling.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de artikelen 57 en 348 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

verklaart de verdachte niet ontvankelijk in zijn hoger beroep, voor zover dit is gericht tegen de vrijspraak ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, voor zover aan hoger beroep onderworpen, en in zoverre opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 3, 4, 5 en 6 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een gevangenisstraf voor de duur van eenentwintig maanden;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. S. Zwerwer, voorzitter, mr. J.J. Beswerda en mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, in tegenwoordigheid van mr. M. Koster als griffier, zijnde mr. Beswerda voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.