Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BN2893

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
27-07-2010
Datum publicatie
30-07-2010
Zaaknummer
200.033.658/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht. Opdracht of vennootschap onder firma?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 27 juli 2010

Zaaknummer 200.033.658/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellante],

mede handelende onder de naam '[naam]',

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. F.E. van 't Hek, kantoorhoudende te Amsterdam,

die ook gepleit heeft.

tegen

1. [geïntimeerde],

mede handelende onder de naam '[naam]',

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

3. [geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden in conventie en eisers in reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden],

advocaat: mr. P. Stehouwer, kantoorhoudende te Sneek,

voor wie gepleit heeft mr. P. Hoogerwerf, advocaat te Hoogeveen.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 5 april 2006, 9 mei 2007, als hersteld bij vonnis van 25 juli 2007, en 29 april 2009 door de rechtbank Assen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 11 mei 2009 is door [appellante] hoger beroep ingesteld van de vonnissen van 9 mei 2007, als hersteld bij vonnis van 25 juli 2007, en 29 april 2009 met dagvaarding van [geïntimeerden] tegen de zitting van 14 juli 2009.

Het petitum van de dagvaarding in hoger beroep, waarbij [appellante] tevens haar vorderingen als oorspronkelijk eiseres in conventie heeft gewijzigd, luidt:

"bij arrest, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet zulks toelaat, te vernietigen de vonnissen op 9 mei 2007, 25 mei 2007 en 29 april 2009 door de Rechtbank Assen onder zaak-/rolnummer 55465/HAZA 06-104, tussen partijen gewezen, doch uitsluitend en alleen voor zover deze vonnissen:

(a) een afwijzing inhouden van de door appellante (voorheen eiseres in conventie) gevraagde verklaring voor recht en opnieuw rechtdoende alsnog voor recht te verklaren dat de handelwijze van (een van de) geïntimeerden (voorheen gedaagden in conventie) jegens appellante (voorheen eiseres in conventie) ten aanzien van het verwijderen en gebruiksonklaarmaken van de Simulator en het Werkstation onrechtmatig is en dat (een van de) geïntimeerden (voorheen gedaagden in conventie) daarom jegens appellante (voorheen eiseres in conventie) aansprakelijk (is) zijn voor de door appellante (voorheen eiseres in conventie) geleden en nog te lijden schade;

en opnieuw rechtdoende geïntimeerden (voorheen gedaagden in conventie), hoofdelijk des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, alsnog te veroordelen tot betaling aan appellante (voorheen eiseres in conventie) van de door appellante (voorheen eiseres in conventie) ten gevolge van de onrechtmatige handelwijze van geïntimeerden (voorheen gedaagden in conventie) geleden en nog te lijden schade, een en ander op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in de artikelen 6:119 en 6:120 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek over dit schade bedrag vanaf 20 november 2005 (de datum van het verstrijken van de gestelde termijn) dan wel vanaf de datum van de dagvaarding in eerste aanleg (25 januari 2006) tot aan de dag der algehele voldoening;

(b) in sub 3 van het dictum een veroordeling inhouden van appellante (voorheen verweerster in reconventie) tot betaling aan geïntimeerden (voorheen eisers in reconventie) van een bedrag van € 461.073,67 vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 7 januari 2006 en opnieuw rechtdoende geïntimeerde (voorheen eisers in reconventie) alsnog niet ontvankelijk te verklaren in hun reconventionele vordering althans deze vordering alsnog af te wijzen;

met veroordeling van geïntimeerden, hoofdelijk des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van beide instanties, daaronder tevens te verstaan de kosten van het ten laste van geïntimeerden gelegde conservatoire beslag en de gerechtelijke bewaring, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in de artikelen 6:119 en 6:120 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek over deze proceskosten (primair) vanaf veertien (14) dagen na de datum van het ten deze te wijzen arrest dan wel (subsidiair) vanaf veertien (14) dagen na de datum van betekening van het ten deze te wijzen arrest;

alsmede met veroordeling van geïntimeerde in de nakosten van deze procedure waaronder te verstaan het nasalaris van de advocaat te begroten op een bedrag van € 131,00 zonder betekening of een bedrag van € 199,00 met betekening en met alleen dit principale appèl dan wel te begroten op een bedrag van € 205,00 zonder betekening of een bedrag van € 273,00 met betekening en met dit principale en een mogelijk incidenteel appèl; genoemde nakosten te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in de artikelen 6:119 en 6:120 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek over deze proceskosten (primair) vanaf veertien (14) dagen na de datum van het ten deze te wijzen arrest dan wel (subsidiair) vanaf veertien (14) dagen na de datum van de betekening van het ten deze te wijzen arrest."

De conclusie van de memorie van grieven, waarbij [appellante] wederom haar vorderingen als oorspronkelijk eiseres heeft gewijzigd en producties heeft overgelegd, luidt:

'bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de Rechtbank, wat betreft zijn beslissing in reconventie onder punt 3, te vernietigen, omdat de Rechtbank heeft verzuimd te beslissen, hetwelk thans van uw Hof wordt gevraagd, dat

A. Rechtsverhouding partijen

Primair

1. dat [appellante], Margic en [geïntimeerde] na juli 2003 allen vennoot waren in de vennootschap onder firma [naam] [hierna in de conclusie van de memorie van grieven aangeduid als SSP, hof] en dat de door [geïntimeerde] na juli 2003 verrichte arbeid in SSP is ingebracht;

althans

Subsidiair

2. [appellante] als vennoot van SSP, althans direct, hoofdelijk aansprakelijk is voor:

- de ongerechtvaardigde verrijking van SSP, althans [appellante], ten koste van [geïntimeerde] als gevolg van het voorbereiden van demonstraties en trainingen en het geven daarvan;

althans

- het door SSP, althans [appellante], aan [geïntimeerde] verschuldigde redelijke loon uit hoofde van een door SSP verstrekte opdracht inzake het voorbereiden van demonstraties en trainingen;

althans

- het door SSP, althans [appellante], aan [geïntimeerde] verschuldigde redelijke loon, althans Euro 127.000, uit hoofde van een door SSP verstrekte opdracht inzake (i) het voorbereiden van demonstraties en trainingen en (ii) het verbeteren van de software;

en

3. [geïntimeerde] ten tijde van de ongerechtvaardigde verrijking, althans de nakoming van de verstrekte opdracht, ook vennoot in SSP was en dat [appellante] derhalve een derde van het aan [geïntimeerde] verschuldigde bedrag op [geïntimeerde] kan verhalen en kan verrekenen met haar schuld aan [geïntimeerde];

en

4. [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld door (i) de software, waarvan SSP, althans [appellante], de enig rechthebbende was, aan derden ter beschikking te stellen en (ii) een valse aangifte te doen van diefstal van al hetgeen ten gevolge daarvan in gerechtelijke bewaring is genomen en door de Rechtbank in conventie onder punt 1. als eigendom van [appellante] is vastgesteld ten gevolge waarvan SSP, althans [appellante] vanaf december 2005 tot op heden, althans de zomer van 2009, haar onderneming niet heeft kunnen voortzetten, en dat [geïntimeerde] dus gehouden is om de schade die SSP, althans [appellante], geleden heeft door het onrechtmatige handelen van [geïntimeerde] aan SSP, althans [appellante], te vergoeden.

B. Wettelijke rente

1. [geïntimeerde] zal worden veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding in eerste aanleg over de door haar verschuldigde bedragen.

C. Proceskosten

1. [geïntimeerde] zal worden veroordeeld in de kosten van deze procedure, alsmede die in eerste aanleg;

2. [geïntimeerde] zal worden veroordeeld in de nakosten van deze procedure.'

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerden] onder overlegging van producties verweer gevoerd met als conclusie:

"bij arrest, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zo nodig onder verbetering en/of aanvulling der gronden, zal bevestigen en bekrachtigen het vonnis van de Rechtbank Assen d.d. 29 april 2009, met veroordeling van appellante in de kosten van beide instanties."

Vervolgens hebben partijen hun zaak doen bepleiten onder overlegging van pleitnota's door hun advocaten.

Tenslotte hebben [geïntimeerden] hun procesdossier gefourneerd, terwijl [appellante] ermee heeft ingestemd dat haar pleitdossier als door haar gefourneerd procesdossier zal gelden. Het hof heeft een dag bepaald voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellante] heeft drie grieven (memorie van grieven, tweede bladzijde) opgeworpen.

De beoordeling

De wijzigingen van eis

1. Tegen de door [appellante] als oorspronkelijk eiseres in conventie gedane wijzigingen van eis is geen bezwaar gemaakt. Aangezien de eisen van een goede procesorde zich ook niet tegen de gedane wijzigingen van eis verzetten, zal het hof uitgaan van de vorderingen van [appellante], zoals die na de laatstelijk gedane wijziging van eis luiden.

De omvang van de rechtsstrijd in hoger beroep

2. Het hof constateert dat van de rechtsstrijd in hoger beroep geen deel uitmaken de gedeeltelijke toe- en de gedeeltelijke afwijzing van de vorderingen van [appellante] als oorspronkelijk eiseres in conventie, zoals die in eerste aanleg aan het oordeel van de rechtbank waren onderworpen.

3. Voorts stelt het hof vast dat in hoger beroep opnieuw is te oordelen over de toewijsbaarheid van de vordering van [geïntimeerden] als oorspronkelijk eisers in reconventie, die de rechtbank in eerste aanleg geheel heeft toegewezen, en de vorderingen van [appellante], die deze als oorspronkelijk eiseres in conventie bij memorie van grieven heeft ingesteld en een vermeerdering inhouden ten opzichte van haar conventionele vorderingen die in eerste aanleg aan het oordeel van de rechtbank waren onderworpen (zie onder het kopje 'Het geding in hoger beroep' in de daar weergeven conclusie van de memorie van grieven de aldaar onder 1 vermelde primaire vordering en de onder 2, 3 en 4 vermelde subsidiaire vorderingen, als hoedanig die vorderingen hierna ook zullen worden aangeduid).

De vaststaande feiten

4. Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.7) van het genoemde vonnis van 9 mei 2007 is geen grief ontwikkeld, zodat ook hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan.

De behandeling van de grieven en de onder 1 vermelde primaire vordering en de onder 2, 3 en 4 vermelde subsidiaire vorderingen

5. Het hof zal grief 1, waarmee [appellante] zich blijkens de toelichting op deze grief keert tegen de toewijzing van de vordering van [geïntimeerden] als oorspronkelijk eisers in reconventie, en de onder 1 vermelde primaire vordering en de onder 2 en 3 vermelde subsidiaire vorderingen gezamenlijk behandelen wegens het te dier zake door [appellante] ingenomen standpunt dat sedert juli 2003 de contractuele verhouding tussen [appellante] en [geïntimeerden] rechtens is te kwalificeren als een vennootschap onder firma met [appellante], [Margic Consult] (handelend onder de naam 'Margic Consult') en [geïntimeerden] als vennoten in plaats van als een overeenkomst van opdracht met [appellante] als opdrachtgever en [geïntimeerden] als opdrachtnemers, op welke laatstgenoemde grondslag de rechtbank de reconventionele vordering van [geïntimeerden] heeft toegewezen.

6. De grieven 2 en 3 zullen afzonderlijk worden behandeld, evenals de onder 4 vermelde subsidiaire vordering..

Met betrekking tot de grief 1 en de onder 1 vermelde primaire vordering en de 2 en 3 vermelde subsidiaire vorderingen

7. Bij de volgens [appellante] als vennootschap onder firma aan te duiden contractuele rechtsbetrekking tussen [appellante] en [geïntimeerde] zou het gaan om de vennootschap onder firma ‘[naam]’ (SSP). Naar het hof het door [geïntimeerden] bestreden standpunt van [appellante] begrijpt, zouden [appellante], [Margic Consult] handelende onder naam 'Margic Consult' en [geïntimeerden] een overeenkomst van vennootschap onder firma zijn aangegaan (art. 16 K jo. art.7A:1655 BW).

8. [appellante] heeft haar in de memorie van grieven, nr 9, opgeworpen stellingen dat [geïntimeerden] in juli 2003 vennoot is geworden, mede door zich zo te gedragen, en dat de overige vennoten haar als zodanig hebben geaccepteerd, verderop in de memorie van grieven onderbouwd, waarover meer in de rechtsoverwegingen 9 tot en met 12.

9. [appellante] doet voor die onderbouwing in de eerste plaats een beroep op de ‘samenwerkingsovereenkomst’, die [appellante], [Margic Consult] (handelende onder de naam 'Margic Consult') en NCH Hydraulic B.V. medio september 2002 onder de werktitel ‘[naam]’ zijn aangegaan (zie r.o. 2.1 van het genoemde vonnis van 9 mei 2007; prod 1 bij inleidende dagvaarding en prod. 8 bij memorie van grieven). Daargelaten of deze overeenkomst als een overeenkomst van vennootschap onder firma zou moeten worden gekwalificeerd, zoals [appellante] ingang tracht te doen vinden (memorie van grieven, nr 12 e.v.), kan het beroep van [appellante] op die overeenkomst en de daarvan opgemaakte onderhandse akte haar reeds daarom niet baten, nu [geïntimeerde] geen partij was bij die overeenkomst en overigens ook niet bij die akte.

10. Bovendien doet [appellante] voor haar standpunt een beroep op de door haar bij memorie van grieven als productie 14 in het geding gebrachte stukken. Bedoelde stukken die min of meer aan elkaar identiek zijn, dragen in de kop het opschrift 'samenwerkingsovereenkomst (concept d.d. 27 november 2003)' en vermelden als contractspartijen enerzijds [naam], een samenwerkingsverband tussen [appellante], [Margic Consult] (handelende onder de naam 'Margic Consult') en '[geïntimeerde] Producers BV' resp. '[geïntimeerde] Producers VOF' en anderzijds Buro Transportopleidingen B.V. Met [geïntimeerde] c.s is het hof van oordeel dat deze stukken niet de juistheid van het door [appellante] ingenomen standpunt kunnen staven. Daargelaten dat het bij bedoelde stukken om (niet-ondertekende) concepten handelt, worden de enerzijds genoemde drie partijen niet als de vennoten van een tussen hen bestaande vennootschap onder firma aangeduid, terwijl uit het in art. 6 van de ontwerp-overeenkomst vermelde beding omtrent de hoofdelijkheid, anders dan [appellante] ingang tracht te doen (memorie van grieven, nr 23), evenmin kan worden afgeleid dat zij tezamen de vennoten van een vennootschap onder firma zijn. In dit verband laat het hof ook nog daar, of de in het ene concept genoemde [geïntimeerde] Producers B.V met [geïntimeerden] is te vereenzelvigen.

11. Voorts heeft [appellante] aangevoerd dat de rechtbank zich voor de kwalificatie van de contractuele rechtsbetrekking zou hebben laten leiden door de verklaringen van een aantal met name genoemde, in eerste aanleg genoemde getuigen (memorie van grieven, nr 24 e.v.). Wat van die stelling van [appellante] verder ook zij, het hof vindt in bedoelde verklaringen en evenmin in die van de overige, in eerste aanleg gehoorde getuigen geen aanknopingspunten voor de juistheid van het standpunt van [appellante] dat de contractuele rechtsbetrekking tussen [appellante] en [geïntimeerden] is te kwalificeren als een vennootschap onder firma. Ook in de brief d.d. 29 maart 2005, door de raadsman van [appellante] gericht aan [geïntimeerden], welke brief [appellante] bij memorie van grieven als onderdeel van productie 21 in het geding heeft gebracht, kan het hof niets ontwaren - zo de inhoud ervan al niet op het tegendeel wijst -, dat de juistheid van het standpunt van [appellante] staaft.

12. Evenmin leidt hetgeen [appellante] anderszins heeft aangevoerd (memorie van grieven nr 34 tot en met 45) tot de gevolgtrekking dat de contractuele betrekking tussen [appellante] en [geïntimeerden] is aan te merken als een vennootschap onder firma. Ook voor zover de aangevoerde feiten verenigbaar zouden zijn met een als vennootschap onder firma te duiden rechtsbetrekking tussen [appellante], [Margic Consult] en [geïntimeerden], dwingen zij naar het oordeel van het hof niet tot die conclusie. [appellante] heeft in dit verband ook opgeworpen dat partijen over de oprichting van een besloten vennootschap met aanbeperkte aansprakelijkheid hebben gesproken, maar niet is gesteld of gebleken dat zij zich over en over weer tot een zodanige oprichting hebben verbonden, zodat het hof in het midden kan laten of een dergelijke overeenkomst (tevens) als een overeenkomst van vennootschap onder firma is te duiden.

13. Nu het hof hetgeen [appellante] heeft aangevoerd ter onderbouwing van haar voormelde stellingen dat [geïntimeerde] in juli 2003 vennoot is geworden, mede door zich zo te gedragen, en dat de overige vennoten haar als zodanig hebben geaccepteerd (rechtsoverweging 8), heeft verworpen, moet het hof die stellingen zelf ook verwerpen.

14. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat grief 1 faalt en dat de onder 1 vermelde primaire vordering en de onder 2 en 3 vermelde subsidiaire vorderingen van [appellante], bij welke vorderingen het gaat om vorderingen tot geven van een verklaring voor recht, niet toewijsbaar zijn. Bedoelde vorderingen steunen immers op het door het hof verworpen standpunt van [appellante] dat de contractuele betrekking tussen [appellante], [Margic Consult] en [geïntimeerden] als een vennootschap onder firma is te duiden. Bij het oordeel omtrent de niet-toewijsbaarheid van de onder 2 en 3 vermelde subsidiaire vorderingen van [appellante] heeft het hof tevens in aanmerking genomen dat die vorderingen nauw samenhangen in die zin dat de onder 2 vermelde subsidiaire vorderingen kennelijk ter onderbouwing dienen van de onder 3 vermelde subsidiaire vordering en dat [appellante] geen zelfstandig rechtens te respecteren belang heeft bij de onder 2 vermelde subsidiaire vorderingen.

Met betrekking tot grief 2 :

15. Grief 2 is eveneens gericht tegen de toewijzing van de vordering van [geïntimeerden] als oorspronkelijk eisers in reconventie.

16. Het hof stelt voorop dat [geïntimeerden] hun vorderingen blijkens de bij conclusie van eis in reconventie als productie 27 in het geding gebrachte stukken hebben gespecificeerd.

17. Het betoog van [appellante] dat [geïntimeerden] de litigieuze werkzaamheden hebben verricht zonder dat daartoe een contractuele gehoudenheid van [geïntimeerden] jegens [appellante] bestond (memorie van grieven, nr 47 tot met 58), moet naar het oordeel van het hof worden verworpen, omdat dit zich niet verdraagt met het standpunt, door haar ingenomen met betrekking tot haar eigen, onder 1 vermelde primaire vordering en onder 2 en 3 vermelde subsidiaire vorderingen, inhoudende dat van een (als een vennootschap onder firma te duiden) contractuele betrekking tussen haar en [geïntimeerden] sprake is, krachtens welke [geïntimeerden] gehouden waren de werkzaamheden te verrichten.

18. Voor zover [appellante] beoogt te betogen dat [geïntimeerden] de werkzaamheden die [geïntimeerden] uiteindelijk aan [appellante] hebben gefactureerd, (gedeeltelijk) niet in opdracht van [appellante] zijn verricht, moet het betoog van [appellante] naar het oordeel van het hof eveneens worden verworpen, aangezien zij niet, althans onvoldoende, inzichtelijk heeft gemaakt, in welk opzicht die werkzaamheden (gedeeltelijk) buiten de door haar gegeven opdracht zouden vallen. Bij dit oordeel heeft het hof in aanmerking genomen, dat [geïntimeerden] ter zake van hun werkzaamheden bij conclusie tot wijziging van eis in reconventie als productie 28 een specificatie in de vorm van een urenverantwoording hebben overgelegd. Voorts is in aanmerking genomen dat voor zover het de demonstraties en trainingen betreft in de stelling van [appellante] dat zij op dit punt ongerechtvaardigd is verrijkt, besloten ligt dat de demonstraties en trainingen te haren behoeve zijn geschied. Tenslotte heeft het hof bij zijn oordeel betrokken dat [geïntimeerden] de door [appellante] dienaangaande opgevoerde rekensom (memorie van grieven, nr 63) bij memorie van antwoord hebben weerlegd.

19. Het betoog van [appellante] dat het door [geïntimeerden] voor hun werkzaamheden gefactureerde bedrag een redelijk loon, als bedoeld in art. 7:405 lid 2 BW, te boven gaat, welke stelling [geïntimeerden] hebben betwist door te aan voeren dat zij tegen kostprijs hebben gefactureerd, moet naar het oordeel van het hof eveneens worden verworpen, omdat [appellante] naar het oordeel van het hof onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt, in welk opzicht het door [geïntimeerden] gefactureerde bedrag niet in verhouding tot hun inspanningen zou staan. Bij dit oordeel heeft het hof mede in aanmerking genomen het hiervoor in rechtsoverweging 18, laatste zin, overwogene.

20. [appellante] heeft ook nog betoogd dat [geïntimeerden] ten onrechte uren in rekening hebben gebracht die zij hebben besteed om de simulator in overeenstemming te brengen met de eisen die [appellante] daaraan mocht stellen (memorie van grieven, nr 61). Het hof verwerpt dit betoog omdat de simulator kennelijk zonder voorbehoud is afgenomen en betaald en derhalve het in vorenstaand betoog besloten liggende standpunt van [appellante] dat de simulator ten tijde van aflevering niet voldeed aan de eisen die zij daaraan mocht stellen, als onvoldoende onderbouwd is aan te merken.

21. Grief 2 deelt daarom het lot van grief 1.

Met betrekking tot grief 3:

22. Grief 3 keert zich niet - naar het hof begrijpt - tegen de toewijzing van de vordering van [geïntimeerden] als oorspronkelijk eisers in reconventie, maar heeft betrekking op een vordering van [appellante] tot vergoeding van schade, die zij beweerdelijk zou hebben geleden, omdat [geïntimeerden] toerekenbaar tekort zouden zijn geschoten, welke vordering [appellante] voor het eerst in hoger beroep in de memorie van grieven (nr 70) - naar het hof begrijpt - heeft aangekondigd te zullen instellen.

23. Nu [appellante] die vordering niet daadwerkelijk heeft ingesteld, kan het hof voorbijgaan aan hetgeen [appellante] in dit verband heeft betoogd.

24. Grief 3 faalt derhalve ook.

Met betrekking tot de onder 4 vermelde subsidiaire vordering:

25. In de eerste plaats heeft [appellante] bij memorie van grieven gesteld dat [geïntimeerden] onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld, omdat [geïntimeerden] - naar het hof de stellingen van [appellante] begrijpt - de door [geïntimeerden] te haren behoeve ontwikkelde software, kort gezegd, ook anderszins uitbaat. [geïntimeerden] hebben zulks gemotiveerd betwist, daartoe aanvoerende dat het, anders dan [appellante] meent, niet om dezelfde, maar om andere software gaat.

26. Nu [appellante] te dier zake niet een voldoende gespecificeerd bewijsaanbod heeft gedaan, moet het hof aan deze betwiste stelling van [appellante] voorbijgaan.

27. Voorts heeft [appellante] bij memorie van grieven gesteld dat [geïntimeerden] onrechtmatig hebben gehandeld door aangifte van diefstal te doen, toen van harentwege het litigieuze werkstation bij [geïntimeerden] was meegenomen. [geïntimeerden] hebben dit betwist en gesteld dat zijdens [appellante] het werkstation eigenmachtig bij hen is meegenomen.

28. Het hof is van oordeel dat nu een strafrechtelijke inbeslagneming berust op een zelfstandige beslissing van het openbaar ministerie en [appellante] de aangifte zelf heeft uitgelokt door de werkstation tegen de wil van [geïntimeerden] mee te nemen, daarmee eigenrichting plegende, zij het [geïntimeerden] niet kan verwijten onrechtmatig te hebben gehandeld door te dier zake aangifte te doen bij de politie. Dat de rechtbank anders over de eigendomsverhoudingen oordeelde dan [geïntimeerden] meenden dat zij toen lagen, kan daaraan niet afdoen.

29. De onderhavige vordering is derhalve evenmin toewijsbaar.

De slotsom.

30. De vonnissen waarvan beroep dienen te worden bekrachtigd met veroordeling van [appellante] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep. Deze kosten zullen worden berekend volgens het liquidatietarief voor de hoven (tarief VII, 3 pt. à € 3.895,--).

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van [geïntimeerden] tot aan deze uitspraak op € 313,-- aan verschotten en € 11.685,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

verklaart vorengenoemde kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. Breemhaar, Rowel-van der Linde en Van Dorp, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 27 juli 2010 in bijzijn van de griffier.