Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BN2875

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
25-03-2010
Datum publicatie
29-07-2010
Zaaknummer
200.050.849
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging UHP verleend voor 5-jarige i.v.m. aanzienlijke ontwikkelingsachterstand als gevolg van onrustige en onveilige opvoedingssituatie. Onderzoek naar mogelijkheden voor een behandelingstraject gericht op gezinshereniging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 25 maart 2010

Zaaknummers 200.050.849 en 200.048.331

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking

in de zaak onder zaaknummer 200.050.849

van

[appellant (200.050.849)],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat voorheen mr. C.C.N. Brens-Cats,

kantoorhoudende te Emmen,

thans mr. M.T. van Daatselaar,

kantoorhoudende te Hoogeveen,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Groningen,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de raad.

Belanghebbenden:

1. [de moeder],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. M.T. van Daatselaar,

kantoorhoudende te Hoogeveen.

2. Stichting Gereformeerde Jeugdbescherming,

aan wie de uitvoering van de ondertoezichtstelling

is opgedragen,

gevestigd te Amersfoort,

hierna te noemen: SGJ.

3. Stichting Bureau Jeugdzorg Drenthe,

gevestigd te Hoogeveen,

hierna te noemen: BJZ.

en in de zaak onder zaaknummer 200.048.331

van

[appellante (200.048.331)],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. M.T. van Daatselaar,

kantoorhoudende te Hoogeveen,

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Groningen,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de raad.

Belanghebbenden:

1. [de vader],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

advocaat voorheen mr. C.C.N. Brens-Cats,

kantoorhoudende te Emmen,

thans mr. M.T. Daatselaar,

kantoorhoudende te Hoogeveen.

2. de Stichting Gereformeerde Jeugdbescherming,

aan wie de uitvoering van de ondertoezichtstelling

is opgedragen,

gevestigd te Amersfoort,

hierna te noemen: de SGJ.

3. Stichting Bureau Jeugdzorg Drenthe,

gevestigd te Assen,

hierna te noemen: BJZ.

Het geding in eerste aanleg

in beide zaken

Bij beschikking van 28 oktober 2009 heeft de kinderrechter in de rechtbank Assen de minderjarige [kind], geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] (hierna [het kind]), met ingang van 30 oktober 2009 voor de duur van een jaar onder toezicht gesteld van BJZ met opdracht om deze ondertoezicht¬stelling te laten uitvoeren door de SGJ. Daarbij is voorts, conform en ter effectuering van het indica¬tie¬besluit, machtiging verleend om [het kind] uit huis te plaatsen in een voor¬ziening voor pleegzorg, voor de duur van 30 oktober 2009 tot 30 april 2010.

Het geding in hoger beroep

in de zaak onder zaaknummer 200.050.849

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 9 december 2009, heeft de vader verzocht de beschikking van 28 oktober 2009 te vernietigen voor wat betreft de ver¬leende machtiging tot uithuisplaatsing en opnieuw beslissende de verzochte machti¬ging niet te verlenen of te bekrachtigen dan wel het daartoe strekkende verzoek van de raad af te wijzen.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 26 januari 2010, heeft de raad met verwijzing naar het verweerschrift dat is ingediend op 22 december 2009 in het door de moeder ingestelde hoger beroep tegen de beschikking van 28 oktober 2009 (welk hoger beroep is geadministreerd onder zaaknummer 200.048.331) het verzoek bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van de beschikking waarvan beroep.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken waaronder een brief van 30 december 2009 van mr. Van Daatselaar waarin hij, in antwoord op de mogelijk¬heid om een verweerschrift in te dienen in het door de vader ingestelde hoger beroep, namens de moeder verwijst naar door haar zelfstandig ingediende hoger beroep en verzoekt om gezamenlijke behandeling.

In de zaak onder zaaknummer 200.048.331

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 3 november 2009, heeft de moe¬der verzocht de beschikking van 28 oktober 2009 te vernietigen.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 23 december 2009, heeft de raad het verzoek bestreden en verzocht de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief van 1 maart 2010 van de SGJ met als bijlage het plan van aanpak.

In beide zaken

Ter zitting van 17 maart 2010 zijn beide zaken gezamenlijk behandeld. Verschenen zijn: de ouders, bijgestaan door mr. Van Daatselaar, de heer Kelderhuis namens de raad en de heer Afman namens de SGJ. Van de zijde van BJZ is geen vertegen¬woordi¬ger verschenen.

De beoordeling

In beide zaken

1. [het kind] is geboren uit het huwelijk van haar ouders. Zij oefenen gezamenlijk het gezag over haar uit.

2. De raad heeft zich op 30 juli 2009 gewend tot de rechtbank met het verzoek [het kind] voorlopig, voor de duur van drie maanden, onder toezicht te stellen en voor die periode eveneens een machtiging tot (spoed)uithuisplaatsing te verlenen. Dit verzoek werd gedaan naar aanleiding van de melding van het AMK dat ernstige zorgen bestonden over de verzorgings- en opvoedingssituatie van [het kind] aangezien haar ouders, ondanks een voorgenomen scheiding, weer voornemens waren om te werken aan herstel van hun relatie. Daardoor werd de kans groot geacht dat [het kind] wederom blootgesteld zou gaan worden aan (herhaald) huiselijk geweld.

3. Bij beschikking van 30 juli 2009 heeft de kinderrechter [het kind] voorlopig onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden en is voorts machtiging verleend om haar met spoed uit huis te plaatsen voor de duur van vier weken, zonder te beschikken over een indicatie¬besluit en zonder de belang¬hebbenden (ouders) te horen. Dit horen heeft plaats¬gevonden op 12 augustus 2009 en, voorafgaand aan die behandeling, is op 11 augustus 2009 een indicatie¬besluit overgelegd. Daarna is bij beschik¬king van 19 augustus 2009 de beschik¬king van 30 juli 2009 bekrach¬tigd en is voorts de machtiging verleend tot 30 oktober 2009.

4. Bij de beschikking waarvan beroep is vervolgens de (definitieve) ondertoezicht¬stelling van [het kind] uitgesproken voor de duur van een jaar met ingang van 30 oktober 2009 en is een machtiging tot uithuisplaatsing verleend in een voor¬ziening van pleegzorg voor de duur van zes maanden met ingang van 30 oktober 2009. Voor de keuze van deze duur is doorslaggevend argument geweest dat moet worden onderzocht wat het perspectief van [het kind] is, rekening houdend met de mogelijkheden van de ouders en of zij in staat zijn (met behulp van hulpverle¬ning) een veilige en stabiele opvoedingssituatie voor haar te creëren.

5. [het kind] verblijft sinds 30 juli 2009, op basis van een daartoe strekkende machti¬ging, in een pleeggezin op een geheim adres. De ouders hebben kort nadien hun samenleving verbroken. De vader is naar [woonplaats] gegaan waar hij inmiddels een woning en werk heeft gevonden.

6. De vader en de moeder zijn afzonderlijk in beroep gekomen tegen de verleende machtiging tot uithuisplaatsing van [het kind]. Het hoger beroep strekt zich niet uit tot de eveneens uitgesproken ondertoezichtstelling.

7. Beide ouders stellen -kort gezegd- dat er destijds onvoldoende aanleiding bestond voor het uitspreken van de maatregel, terwijl de situatie inmiddels zodanig positief is gewijzigd dat er geen gronden zijn die zich verzetten tegen een thuis¬plaatsing van [het kind] bij de moeder. De ouders wijzen er op dat zij weliswaar zijn terug¬gekomen op hun wens tot echtschei¬ding maar dat zij feitelijk gescheiden leven. De vader woont en werkt in [woonplaats] en maakt niet langer deel uit van het normale gezinsleven van de moeder. Er is enkel in de weekenden, mits de finan¬ciën dit toelaten, contact tussen partijen. De vader volgt inmiddels bij de GGZ agressieregulatie therapie waarvan de positieve effecten al merkbaar zijn in die zin dat zijn medicatie is verminderd/stop¬¬gezet. De ouders menen dan ook dat er geen gevaar meer bestaat voor de veiligheid en de ontwikkeling van [het kind] indien zij weer bij de moeder gaat wonen. Zowel de vader als de moeder geven aan bereid te zijn om vrijwillig dan wel binnen het kader van de ondertoezicht¬stelling hulp¬verle¬¬¬ning te aanvaarden. De ouders menen dat moet worden gekeken naar de mogelijkheden om [het kind] weer thuis te plaatsen bij de moeder.

8. De raad is van mening dat, hoewel de ouders hulp hebben voor hun relatieproble¬matiek, geen sprake is van een stabiele relatie/situatie en dat risico's van herhaling van het huiselijk geweld groot zijn. Op dit moment staat niet vast dat de ouders, met hulpverlening, [het kind] een veilig en stabiel opvoedingsklimaat kunnen bie¬den. Het is daarvoor onvoldoende dat op dit moment feitelijk geen sprake is van samenwoning. De vrees bestaat dat de moeder, zoals in het verleden, onvoldoende weerstand zal kunnen bieden aan de druk van de vader om de relatie te hervatten. De eerder ingezette echtscheidingsprocedure is bijvoorbeeld niet doorgezet en de ouders hebben in juli 2009 kenbaar gemaakt weer te willen werken aan herstel van hun relatie. Een thuisplaatsing van [het kind] bij de moeder zou kunnen mee¬brengen dat zij wederom zal worden blootgesteld aan huiselijk geweld. In dat kader wijst de raad erop dat [het kind] eind juli 2009, tegen de gemaakte afspraken in, een week bij haar vader heeft verbleven. De vader volgt inderdaad (agressie-regulatie)therapie maar de verwachting is dat deze behandeling een langdurig traject zal zijn dat zich mede zal moeten richten op werk, wonen, recreatie, relaties en opvoedingsondersteuning.

9. Een machtiging tot uithuisplaatsing kan worden verleend indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of indien dit noodzakelijk is tot onderzoek van de geestelijke of lichamelijke gesteldheid van de minderjarige.

10. Uit de stukken, waaronder het raadsrapport en het plan van aanpak, komt naar voren dat bij [het kind] sprake is van aanzienlijke ontwikkelingsachterstanden en wel op het punt van haar zindelijkheidstraining, haar motorische ontwikkeling en haar taalvaardigheid. Verder was in de periode voorafgaand aan de uithuisplaatsing sprake van behoorlijke gedragsproblemen in die zin dat zij in zichzelf gekeerd was en driftbuien had. Hoewel zij in het pleeggezin progressie heeft geboekt, blijft haar gedrag zorgelijk en de nodige aandacht van de pleegouders behoeven. [het kind] gaat op het moment naar een SBO school die evenwel heeft aangegeven dat een plaatsing op een MKD nodig is om meer zicht te krijgen op haar ontwik¬ke¬ling en waar haar meer individuele aandacht kan worden gegeven om haar ontwikkeling verder te stimuleren. Verder is voor [het kind] inmiddels psycho¬motorische therapie door een kinderfysio¬thera¬peut geregeld.

11. Gezien de hiervoor genoemde door deskun¬digen gesignaleerde zorgen betreffende de ontwik¬ke¬ling en het gedrag van [het kind] destijds en op dit moment, heeft het hof -hoewel de ouders de ernst en de oorzaak daarvan in twijfel trekken- de overtui¬ging dat de onrustige en onveilige opvoedingssituatie thuis haar ontwikkeling in negatie¬ve zin heeft beïn¬vloed en heeft geleid tot gedragsproblemen. Hieraan doet niet af dat mogelijk ook sprake is van aangeboren beperkingen die haar ontwikke¬lings¬mogelijkheden benadelen. Uit de stukken is immers gebleken - en dat is door de ouders ook bevestigd - dat in het verleden voor [het kind] sprake is geweest van een onrustige en onveilige opvoe¬dingssituatie tengevolge van relationeel geweld tussen de ouders.

12. Het hof heeft, evenals de kinderrechter, geconstateerd dat er belangrijke positieve stappen zijn gezet door de ouders. De moeder heeft nog immer hulpverlening van het ACT team en het SWW en tracht op die wijze haar persoonlijke problemen de baas te worden. Het hof onderkent voorts dat de vader -na eerdere hulpverle¬nings¬trajecten- door middel van therapie opnieuw doende is om zijn depressie te over¬winnen en zijn agressie¬proble¬¬matiek onder controle te krijgen en dat hij daarin belangrijke stappen voor¬waarts heeft gezet. Het hof acht het, gezien de belangen van [het kind] en het verdere traject dat nodig is om te kunnen bepalen of een thuis¬plaatsing van haar bij de moeder aan de orde kan zijn, wel noodzakelijk dat de vader aan de SGJ informatie van zijn behandelaars verstrekt over de voort¬gang en de resultaten van de therapie, ofwel door de SGJ toe¬stem¬ming te geven contact op te nemen met zijn behandelaars ofwel door deze toestemming te geven de informatie schriftelijk aan het SGJ te verstrekken, gelet op het grote belang dat [het kind] niet opnieuw in een onveilige situatie komt te verkeren tengevolge van huiselijk geweld.

13. Ter zitting is verder gebleken dat inmiddels door de SGJ en de ouders een traject is ingezet om inzichtelijk te krijgen, kort gezegd, of de moeder (en de vader) [het kind] op dit moment en ook op langere termijn een goed en veilig opvoedings¬klimaat kunnen bieden en welke ondersteuning zij daarbij eventueel nodig hebben. Hiervoor moet duidelijk worden welke specifieke zorg en aandacht [het kind] behoeft als gevolg van haar achterstanden en haar problematiek en of -en in hoeverre- de ouders, gezien hun opvoedingsvaardigheden, in staat zijn haar deze zorg en aandacht te bieden, al dan niet met steun en begeleiding van deskundige hulpver¬lening. Het noodzakelijke onderzoek daartoe zou kunnen plaatsvinden door middel van een zogenaamd behandelings¬traject gericht op gezinshereniging, hetgeen betekent dat de ouders met [het kind] in een ouder-kindgroep worden geplaatst. De ouders hebben inmiddels meegewerkt aan het voortraject dat bedoeld is om na te gaan of zij onder meer bereid en in staat zijn om zich te conformeren aan de condities waarbinnen de behandeling zal gaan plaatsvinden en of zij tot een goede samen¬werkingsrelatie met de behandelaars zullen kunnen komen. De uitkomsten van dit traject zullen binnenkort met de ouders en de SGJ worden besproken waarna, naar het hof begrijpt, ook de beslissing omtrent het behandelingstraject zal worden genomen en de termijn waarop deze zou kunnen plaatsvinden.

14. Alles in ogenschouw nemende is het hof van oordeel dat op dit moment de gronden voor een uithuisplaatsing (nog immer) aanwezig zijn. Het hof acht niet aan¬nemelijk dat de moeder op dit moment in staat is om [het kind] het opvoe¬dings¬klimaat te bieden dat zij nodig heeft. Eerst wanneer duidelijk is of en zo ja, welke bijzondere zorg en begelei¬ding [het kind] nodig heeft en eerst wanneer vervolgens komt vast te staan dat de moeder (en de vader) deze bijzondere zorg en begelei¬ding ook aan haar kunnen bieden, zo nodig met hulpverlening, acht het hof een mogelijke thuisplaatsing aan de orde. Deze duidelijkheid kan niet binnen de geldig¬heidsduur van de huidige machtiging worden gegeven.

15. De ouders hebben er terecht op gewezen dat uithuisplaatsing van [het kind] in een pleeggezin (als ook de onder¬toezichtstelling) een inbreuk is op hun recht op bescherming van het gezinsleven, zoals dat is vastgelegd in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fun¬da¬¬mentele vrijheden en het daaruit voortvloeiende recht van [het kind] om door haar ouders binnen hun gezin te worden verzorgd en opgevoed. Onder de hiervoor geschetste omstandigheden is naar het oordeel van het hof evenwel deze inbreuk een gerechtvaardigde en door de wet voorziene inbreuk als bedoeld in het tweede lid van artikel 8, nu deze geschied ter bescherming van de lichamelijke en geeste¬lijke gezondheid van [het kind].

16. Het vorenstaande leidt ertoe dat het hof de beschikking waarvan beroep zal bekrach¬tigen. Het hof merkt hierbij op dat de omstandigheid, naar ter zitting naar voren is gekomen, dat over de gelden en goederen van elk van de ouders een beschermingsbewind is ingesteld, geen gevolgen heeft voor hun bevoegdheid om als zelfstandige proces¬partij in de onder¬havige procedure op te treden nu deze een familierechtelijke aangelegenheid betreft.

De beslissing

Het gerechtshof;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Aldus gegeven door mrs. Melssen, voorzitter, Dijkstra en Rietveld, raden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van donderdag 25 maart 2010

in het bijzijn van de griffier.