Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BN2849

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
01-04-2010
Datum publicatie
29-07-2010
Zaaknummer
200.039.830
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming erkenning; omgangsregeling: ouderschapsonderzoek; informatieverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 1 april 2010

Zaaknummer 200.039.830

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. M. Lok,

kantoorhoudende te Assen,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appel,

appellant in het incidenteel appel,

hierna te noemen: [de vader] of [de vader],

advocaat mr. M.R.M. Schaap,

kantoorhoudende te Groningen.

Belanghebbenden:

Bureau Jeugdzorg Drenthe,

gevestigd te Assen,

hierna te noemen: Bureau Jeugdzorg.

mr. W.M. Bierens,

in zijn hoedanigheid van bijzonder curator

over de minderjarige [kind 1],

kantoorhoudende te Groningen,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de bijzonder curator.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 17 juni 2009 heeft de rechtbank [woonplaats] aan [de vader] vervangen¬de toestemming gegeven om de minderjarige [kind 1], geboren op [geboortedatum] te [woonplaats], te erkennen. Daarbij is voorts bepaald dat de omgangsregeling tussen [de vader] en de minderjarigen [kind 2], geboren op [geboortedatum] te [woonplaats], en genoemde [kind 1], zal plaatsvinden in overleg met en onder regie van Bureau Jeugd¬zorg.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 10 augustus 2009, heeft de moeder verzocht de beschikking van 17 juni 2009 te vernietigen en opnieuw beslis¬sende zowel het verzoek van [de vader] om vervangende toestemming tot erkenning te verlenen als zijn verzoek om een omgangsregeling vast te stellen tussen hem en de beide kinderen, alsnog af te wijzen.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 4 september 2009, heeft [de vader] het verzoek bestreden en verzocht de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in het door haar ingestelde hoger beroep dan wel het verzochte af te wijzen en de beschik¬king van de rechtbank te bevestigen.

Tevens heeft [de vader] bij voormeld verweerschrift incidenteel beroep ingesteld en verzocht de beschikking van 17 juni 2009 te vernietigen en opnieuw beslis¬sende te bepalen dat de moeder hem, binnen twee weken na de in deze te wijzen beschikking, iedere maand op deugdelijke wijze informeert over de gezondheid en geestelijke ontwikkeling van de beide kinderen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 200,- per keer dat zij deze verplichting niet nakomt, tot een maximum van € 2.000,-.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 16 oktober 2009, heeft de moeder het verzoek in het incidenteel beroep bestreden en verzocht [de vader] in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren dan wel subsidiair om zijn verzoek af te wijzen.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van een brief van 12 augustus 2009 van de raad voor de kinderbescherming (hierna de raad) en een brief van 27 november 2009 van de bijzonder curator. Tot de stukken van het dossier behoort ook de beschikking van 1 december 2009 waarbij een last tot toevoeging is gegeven.

Ter zitting van 10 december 2009 is de zaak behandeld. Verschenen zijn de moeder bijgestaan door haar advocaat, [de vader] bijgestaan door mr. Özsaran, waarnemend voor mr. Schaap. Namens de raad was de heer Kelderhuis aanwezig en namens Bureau Jeugdzorg waren aanwezig mevrouw Hendriks en mevrouw Hoekstra. De bijzonder curator is niet verschenen. Deze behandeling heeft plaatsgevonden gelijk¬tijdig met het hoger beroep dat de moeder heeft ingesteld tegen de beschikking van 17 juni 2009 van de rechtbank [woonplaats] waarbij [kind 2] en [kind 1] onder toezicht zijn gesteld (administratief geregistreerd onder nummer 200.039.817).

De beoordeling

1. [kind 2] en [kind 1] zijn geboren uit de affectieve relatie tussen de moeder en [de vader]: [kind 2] tijdens en [kind 1] na het verbreken van de relatie. [de vader] heeft [kind 2] met toestemming van de moeder erkend. De moeder oefent van rechtswege het gezag over beide kinderen alleen uit.

2. De relatie tussen de moeder en [de vader] is in mei 2006 verbroken gevolgd door het vertrek van [de vader] uit de voormalige echtelijke woning. De kinderen zijn bij de moeder blijven wonen en hebben sindsdien hun hoofdverblijf bij haar. Er is in onderling overleg een omgangsregeling tot stand gekomen tussen [kind 2] en haar vader, die echter kort daarna door de moeder is stopgezet.

3. Medio 2007 heeft [de vader] zich tot de rechter gewend met het verzoek om een omgangsregeling vast te stellen tussen hem en de beide kinderen en het ver¬zoek om hem vervangende toestemming te verlenen om [kind 1] te mogen erken¬nen.

4. Na een mislukt traject bij Humanitas heeft de rechtbank bij beschikking van 17 oktober 2007 aan de raad opdracht gegeven om onderzoek te verrichten naar de moge¬lijk¬¬¬heden van omgang tussen [de vader] en de beide kinderen met opdracht om het omgangshuis Drenthe in te schakelen voor de uitvoering van begeleide omgangs¬contacten.

5. Na een moeizame start hebben er gezamenlijke gesprekken plaatsgevonden die geresulteerd hebben in een aantal omgangsmomenten om het contact tussen [de vader] en de kinderen te herstellen. Uiteindelijk zijn de moeder en [de vader] tot overeenstemming gekomen en hebben zij afgesproken dat er omgang kan zijn tussen [de vader] en de kinderen gedurende een dagdeel op zaterdag per veer¬tien dagen op een neutrale plek en in aanwezigheid van de moeder. Daarbij zijn een aantal voorwaarden/regels voor afzeggen overeengekomen.

6. De raad heeft uiteindelijk op 24 maart 2009 omtrent de mogelijkheden van omgang gerapporteerd en geconcludeerd dat de door de moeder en [de vader] samen afgesproken omgangsregeling door de wijze van uitvoering onrustig en onveilig is voor beide kinderen, die jong zijn (inmiddels 4 en 3 jaar oud) en kwetsbaar, waarbij met name [kind 2] duidelijk reageert op de gespannen relatie tussen de ouders. De moeder en [de vader] slagen er in de ogen van de raad onvoldoende in om hun proble¬ma¬tische partnerrelatie te scheiden van een ondersteunende ouderrelatie die de kinderen nodig hebben. De raad heeft daarom besloten om het onderzoek uit te breiden tot een beschermingsonderzoek. De bevin¬dingen van de raad hebben vervolgens geleid tot een verzoek tot onder¬toezicht¬stelling van de kinde¬ren (met het advies aan de recht¬bank om de omgang binnen die maatregel te laten regelen en de beslissing op het verzoek van [de vader] tot vaststel¬ling omgangs¬regeling daarom eerst aan te houden).

7. De rechtbank heeft vervolgens bij beschikking van 3 juni 2009 de ondertoezicht¬stelling van [kind 2] en [kind 1] uitgesproken. Bij beschikking waarvan beroep van 17 juni 2009 heeft de rechtbank vervolgens bepaald dat de omgangsregeling tussen [de vader] en de minderjarigen [kind 2] en [kind 1], zal plaats¬vinden in overleg met en onder regie van Bureau Jeugd¬zorg. Bij die beschik¬king is voorts aan [de vader] de verzochte vervangende toestemming tot erkenning van [kind 1] verleend.

8. De moeder is van deze beschikking in hoger beroep gekomen en stelt opnieuw aan de orde of vervangende toestemming tot erkenning dient te worden verleend en of omgang tussen [de vader] en de beide kinderen, gezien de omstandigheden en de con¬clusies van de raad, wel in het belang van beide kinderen is. [de vader] heeft bij wege van incidenteel hoger beroep verzocht een informatie¬regeling vast te stellen.

VERVANGENDE TOESTEMMING TOT ERKENNING

de standpunten

9. De moeder meent dat [de vader] wel stelt dat hij zijn verantwoordelijkheden als vader voor [kind 1] wil nemen, maar dat de praktijk anders is. Zij wijst er op dat hij geen aandeel heeft (gehad) in de zorg voor de kinderen en dat hij in het kader van de omgangs¬regeling bij herhaling gemaakte afspraken niet is nagekomen. De moeder wijst er verder op dat zij tijdens de relatie slachtoffer is geweest van huiselijk geweld: geestelijke, fysieke en seksuele mishandeling. [de vader] is hiervoor ook strafrechte¬lijk veroordeeld op 13 maart 2009 door de politierechter. Na het verbre¬ken van de relatie is volgens de moeder ook sprake geweest van stalking¬gedrag door [de vader]. Zij verklaart dat haar toestemming tot erkenning van [kind 2] destijds onder zware druk tot stand is gekomen en dat dit veel impact op haar heeft gehad. Het afdwingen van de erkenning van [kind 1] door middel van de huidige juridische procedure zorgt dan ook voor veel spanningen, stress en onrust bij de moeder en dit zal een weerslag hebben op de kinderen, nog in sterkere mate dan de omgangs¬regeling al teweeg heeft gebracht/brengt. Deze kwestie is ook deel van de contacten van de moeder met maatschappelijk werk.

10. [de vader] meent dat er geen redenen zijn om hem de vervangende toestemming tot erkenning te onthouden. Hij wijst er op dat de moeder en hij destijds gezamenlijk hebben gekozen voor een zwangerschap en het samen opvoeden van de kinderen: de erkenning door hem van [kind 2] was de bevestiging daarvan. Hij heeft ook tijdens de relatie wel degelijk een taak gehad in de zorg voor [kind 2], mede door het psychiatrisch ziekte¬beeld van de moeder. Ook in het kader van de omgang heeft hij zich voldoende ingezet en heeft hij zijn verantwoordelijkheden genomen. [de vader] betwist dat sprake is geweest van huiselijk geweld en/of mishandeling en wijst erop dat hij hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van 13 maart 2009. Volgens [de vader] heeft juist de problematiek van de moeder geleid tot het einde van de relatie. Hij meent dat geen sprake is een zodanige emotionele weer¬stand van de moeder dat het risico reëel is dat [kind 1] wordt belemmerd in een evenwichtige sociaal psycholo¬gische en emotionele ontwikkeling. [de vader] bena¬drukt dat hij en [kind 1] belang hebben bij erkenning van hun familierechtelijke betrek¬king: dit geldt te meer nu hij [kind 2], het zusje van [kind 1], ook heeft erkend.

11. De bijzonder curator heeft bij brief van 27 november 2009 te kennen gegeven dat hij in eerste aanleg heeft geadviseerd om het verloop van de ondertoezichtstelling en de ontwikkelingen van de omgang tussen [de vader] en de kinderen af te wachten in de hoop dat de moeder daarna zelf akkoord zou kunnen gaan met erkenning. De bijzonder curator heeft verklaard dat hij voor [kind 1] persoonlijk geen redenen ziet om [de vader] de vervangende toestemming en daarmee de erkenning te onthouden.

12. De raad heeft ter zitting in hoger beroep medegedeeld dat het vaderschap van [de vader] van [kind 1] op dit moment een feitelijk gegeven is. De juridische bevesti¬ging daarvan door middel van erkenning zal dit innerlijk besef bij [kind 1] bekrach¬tigen en zijn status als kind van [de vader] met zekerheid vaststellen. De raad acht deze duidelijk¬heid te meer in zijn belang, nu zijn zus [kind 2] wel is erkend. De raad heeft tot slot medegedeeld dat er, in het licht van de belangen van [kind 1], geen klem¬mende redenen zijn om [de vader] de verzochte vervangende toestemming te onthouden.

de overwegingen

* de wijze van totstandkoming c.q. de motivering van de beslissing

13. De moeder heeft er terecht op gewezen dat het onderzoek van de raad zich, gezien de inhoud van de opdracht van de rechtbank bij haar beschikking van 17 oktober 2008, ook had moeten uitstrekken tot de vraag of al dan niet toestemming tot erken¬ning zou moeten worden verleend. De enkele omstan¬dig¬heid dat de raad zich in zijn onderzoek heeft beperkt tot de mogelijk¬heden voor omgang tussen [de vader] en de beide kinderen, brengt echter niet mee dat de rechtbank niet ook heeft mogen beslissen op het verzoek van [de vader] om hem vervangende toestem¬ming te verlenen, terwijl daarmee evenmin gegeven is dat deze beslissing onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of onvoldoende is gemotiveerd. Ook de omstan¬dig¬heid dat de bijzonder curator met betrekking tot de erkenning heeft gead¬vi¬seerd om de beslissing op het verzoek tot vervangende toestemming aan te houden in afwachting van de uitkomst van c.q. het verloop van de onder¬toezicht¬stelling, heeft niet aan de beslissing van de rechtbank in de weg behoeven te staan en brengt evenmin mee dat de beslissing om die reden onvol¬doende zorgvuldig tot stand is gekomen of onvoldoende is gemotiveerd.

14. De rechtbank heeft zich kennelijk ook zonder een nadrukkelijk onderzoek van de raad naar en een advies omtrent de erkenning alsmede een nader inhoudelijk advies van de bijzonder curator omtrent de erken¬ning, voldoende geïnformeerd geacht om een beslis¬sing te kunnen nemen en heeft zich, gelet op de vrijheid van de rechter ter zake, ook voldoende geïnformeerd mogen achten.

15. Daar komt bij dat de procedure in hoger beroep er mede toe strekt eventuele onvolkomen¬heden uit de eerste aanleg te verbeteren, voor zover daarvan al sprake zou zijn, en dat in hoger beroep zowel de raad als de bijzonder curator een inhoudelijk advies omtrent de wenselijkheid van de erkenning van [kind 1] door [de vader] heeft gegeven.

* het verlenen van vervangende toestemming

16. Op grond van zijn ontstaansgeschiedenis moet artikel 1:204 lid 3 BW aldus worden uitgelegd dat het in de procedure tot verkrijging van vervangende toe¬stem¬¬¬¬¬¬¬¬ming aankomt op een afweging van de belangen van de betrokkenen, waarbij tot uitgangspunt dient te worden genomen dat zowel het kind als de verwekker aan¬¬¬spraak erop heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familie¬rechte¬lijke rechtsbetrekking. Door de rechter zullen het belang en de aan¬spraak van de man op erkenning moeten worden afgewogen tegen de belangen van de moeder en van het kind bij niet-erkenning.

17. Het belang van de moeder is in dit verband in artikel 1:204 lid 3 BW nader om¬schre¬¬ven als het belang bij een ongestoorde verhouding met het kind.

18. Van schade aan de belangen van het kind als bedoeld in artikel 1:204 lid 3 BW zal in de regel slechts sprake zijn indien er tenge¬volge van de erkenning door de man voor het kind reële risico's zijn dat het wordt belem¬¬¬¬¬merd in een evenwichtige sociaal-psycholo¬gische en emotionele ontwik¬ke¬ling. Dit zou onder meer het geval kunnen zijn, wanneer de moeder tengevolge van de erkenning in een zodanig oneven¬wichtige psychische toestand komt te verke¬ren dat zij niet in staat is het kind het stabiele opvoedingsklimaat te bieden, dat het nodig heeft. In dat geval zou de vervangende toestemming tot erkenning niet opwe¬¬¬gen tegen het belang van het kind de verwekker als juridische vader te heb¬ben en het belang van de verwekker zijn kind te erkennen.

19. Tussen partijen staat vast dat [de vader] de verwekker is van [kind 1]. Aan het hof ligt slechts de vraag voor of vervangende toestemming tot erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met [kind 1] of de belangen van [kind 1] zal schaden, een en ander in de hiervoor omschreven zin. Dit belang dient te worden afgewo¬gen tegen het belang van [de vader] en [kind 1] om door erkenning een familierechte¬lijke band met elkaar te krijgen.

20. Voorop staat dat [de vader], de verwekker, de mogelijkheid van erkenning in beginsel niet kan worden onthouden. Op zichzelf is een zekere emotionele weerstand van de moeder tegen deze erkenning onvoldoende om de erkenning niet door te laten gaan. Het is aan haar om feiten en omstandigh¬eden te stellen waaruit kan worden afgeleid dat voormelde belangenaf¬weging dient te leiden tot een afwijzing van het verzoek van [de vader].

21. Uit de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is onvol¬doende gebleken dat een erkenning van [kind 1] door [de vader] de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met [kind 1] of de belangen van [kind 1] zou schaden. In het bijzonder is niet gebleken dat de erkenning een zodanige versto¬ring van de gezins¬rust zal meebrengen dat een evenwichtige en gezonde ontwik¬ke¬ling van [kind 1] in gevaar komt.

22. Het hof begrijpt dat de gebeurtenissen uit het verleden -door de moeder geschaard onder de noemer huiselijk geweld en/of mishande¬ling- en haar ervaringen bij de uitvoering van de tussen partijen overeengekomen omgangsregeling, onrustgevoe¬lens en een gevoel van onveiligheid bij de moeder hebben teweeggebracht. In zijn raadsrapport van 24 maart 2009 heeft de raad ook geconstateerd dat de ouders, hoewel ieder van hen de oorzaak buiten zichzelf en in de ander legt, zowel binnen de relatie als na de relatie kampen met communicatie¬problemen die meerdere malen hebben geresulteerd in spanningsvolle en bedreigende situaties.

23. Het hof acht echter niet aanne¬me¬lijk dat deze gevoelens en de stress en span¬ning¬en die de moeder ervaart en tengevolge van erkenning zal ervaren, een zodanige weerslag zullen hebben op [kind 1] dat het risico reëel is dat hij wordt belem¬¬¬¬¬merd in een evenwich¬tige sociaal-psycholo¬gische en emotionele ontwik¬ke¬ling. Dit wordt niet anders wanneer het hof daarbij in ogenschouw neemt dat [de vader] op 13 maart 2009 door de politierechter straf¬rechtelijk is veroordeeld, kennelijk onder meer voor huiselijk geweld dan wel mishandeling binnen de relatie, waarbij het hof nog in het midden laat dat [de vader] tegen dit vonnis hoger beroep heeft aan¬getekend en dat niet duidelijk is geworden in hoeverre deze veroordeling betrek¬king heeft op het door de moeder gestelde huiselijk geweld en mishandelingen.

24. Uit de stukken en de behandeling ter zitting is afdoende gebleken dat de moeder [kind 2] en [kind 1], ondanks de kwets¬baar¬heid van [kind 2] (haar aard) en [kind 1] (zijn leeftijd) en het bestaan van een belaste gezinsgeschie¬denis, een gezond en stabiel opvoe¬dings¬¬¬klimaat heeft weten te bieden. In het raads¬rapport van 24 maart 2009 zijn geen zorgen naar voren gekomen met betrekking tot de verzor¬gings- en opvoedingssituatie, terwijl uit het rapport evenmin voldoende aanwij¬zingen van (ernstige) gedrags¬proble¬men van de kinderen zijn gebleken. Van de zijde van Bureau Jeugdzorg is ter zitting in hoger beroep zelfs uitdrukkelijk mede¬gedeeld dat er voor wat betreft de verzorging en opvoeding van de kinderen geen zorg¬punten zijn en dat de opvoedingskwaliteiten van de moeder goed zijn. Ook de moeder heeft ter zitting medegedeeld dat het goed met de kinderen gaat en dat zij zich adequaat ontwikke¬len.

25. Uit het raadsrapport blijkt weliswaar dat de draagkracht van de moeder beperkt is, maar het hof ziet ook hierin, ook in het licht van de vraag of vervangende toe¬stem¬¬¬ming tot erkenning dient te worden verleend, geen bedreiging voor de stabiliteit van het huidige opvoe¬dings¬¬¬klimaat van [kind 2] en [kind 1]. Uit het raads¬rapport is gebleken dat aan de zijde van de moeder geen sprake van psychiatrische of psychische problematiek die de verzorging en opvoeding van de kinderen direct -door haar problematiek- of indirect -door de aanwezigheid van hulpverle¬ning in het gezin tengevolge van deze problematiek- negatief beïnvloedt. Verder is het hof gebleken dat de moeder een goed besef en inzicht heeft in haar beper¬kingen en zwakheden en dat zij in staat is (geweest) om daarvoor adequate hulp in te schakelen. Zij heeft na het succesvol afronden van de behandeling door de psychiatrische thuishulp medio 2008 de begeleiding en ondersteuning van maat¬¬schappelijk werk ingeschakeld om -zo blijkt uit de verklaring die de moeder bij brief van 30 novem¬ber 2009 in het geding heeft gebracht- haar onder meer een klankbord te bieden bij haar zorgen over de erkenning en de contacten tussen [de vader] en de kinderen teneinde de kinderen zo min mogelijk te belasten met deze zorgen en de spanningen die daarmee gepaard gaan.

26. Naar het oordeel van het hof is dan ook niet gebleken van feiten en omstandig¬heden die de conclusie rechtvaardigen dat vervangende toestem¬ming tot erken¬ning aan [de vader] moet worden onthouden.

27. Het hof is van oordeel dat [kind 1] er belang bij heeft te weten wie zijn vader is en dat er met deze vader een familierechte¬lijke betrekking ontstaat. Dit hangt nauw samen met zijn recht op eerbiediging van zijn identiteit. Ook heeft het hof daarbij laten meewegen dat zijn zusje [kind 2] wel is erkend en dat het voor een even¬wich¬tige ontwikkeling van [kind 1] van belang is dat hij, nu beide kinderen binnen het gezin van de moeder worden verzorgd en opgevoed, zich op dat punt gelijk¬waar¬dig weet aan [kind 2], zoals de raad ter zitting heeft benadrukt.

28. Of en in hoeverre de (vervangende toestemming tot) erkenning door [de vader] een eerste steen is waarop de relatie tussen hem en [kind 1] eventueel verder kan worden uitgebouwd, is verder van tal van factoren afhankelijk en zal ook in de toekomst door de meest gerede partij te zijner tijd aan de rechter kunnen worden voorgelegd. De huidige bezwaren van de moeder tegen, meer concreet, het vaststellen van een omgangsregeling en een informatieregeling, zullen hierna zelfstandig moeten worden getoetst en afgewogen tegenover de belangen van [kind 1] en die van [de vader].

* de conclusie

29. Het vorenstaande betekent dat de beschikking waarvan beroep dient te worden bekrachtigd voor zover de rechtbank daarbij aan [de vader] vervangende toestemming heeft verleend om de minderjarige [kind 1] te erkennen. Het hof zal op dit punt dienovereenkomstig beslissen.

DE OMGANG TUSSEN [de vader] EN DE BEIDE KINDEREN

De standpunten

30. De moeder meent dat de ondertoezichtstelling om een omgangsregeling tussen [de vader] en de kinderen in een gedwongen kader te realiseren niet in het belang van de kinderen is. Zij wijst erop dat de pogingen van haar en [de vader], waarbij ook des¬kundige hulp is ingeschakeld, niet hebben geleid tot een klimaat waarin omgang tussen [de vader] en de kinderen veilig en onbegeleid kan plaatsvinden. Dit is groten¬deels te wijten aan het gedrag en de houding van [de vader] zowel tijdens de relatie van partijen (gewelddadige aard van [de vader]) als de omgang (niet nemen van zijn verantwoor¬delijkheid bij het naleven daarvan). De moeder meent dan ook dat de conclusie van de raad dat omgang in de huidige vorm (begeleid en in aanwezig¬heid van de moeder) onrustig en onveilig voor de kinderen is maar dat ook onbe¬ge¬¬¬leide omgang op dit moment niet mogelijk is, moet leiden tot de conclusie dat er geen omgang dient te zijn. De spanningen en onrust bij de moeder hebben weerslag op de kinderen.

31. [de vader] wijst er op dat de houding van de moeder ten overstaan van de rechter en de hulpverleningsinstanties niet strookt met de werkelijkheid aangezien zij heeft getracht de relatie met hem weer nieuw leven in te blazen en wel degelijk ook contacten tussen hem en de kinderen heeft toegestaan. Dat er tot op heden geen structurele omgang tot stand is gekomen, is volgens [de vader] te wijten aan de moeder. Hij meent dat haar tegenstrijdige gevoelens voortkomen uit haar (border¬line)-problematiek. Hij wijst er op dat er geen contra-indicaties voor omgang zijn en dat ook de zorgen van de raad voor onbegeleide omgang niet gerechtvaardigd zijn: hij is met zijn partner in staat om de kinderen een weekend per veertien dagen bij zich thuis te ontvangen. Hij is echter bereid om zich neer te leggen bij de hulp door een onafhankelijk persoon.

De overwegingen

32. Het hof stelt voorop dat [de vader], tot hij [kind 1] zal hebben erkend -en deze erken¬ning zal niet eerder kunnen plaatsvinden dan wanneer de onderhavige beschikking voor dat deel in kracht van gewijsde is gegaan- enkel de biologische vader is van [kind 1]. Naar het oordeel van het hof is tussen [de vader] en [kind 1] evenwel op dit moment al sprake van een nauwe persoonlijke betrekking uit hoofde waarvan [de vader] in beginsel recht heeft op omgang met hem. [de vader] is immers de verwekker van [kind 1], die is geboren uit de affectieve relatie die tussen hem en de moeder heeft bestaan en tijdens deze relatie hebben [de vader] en de moeder geruime tijd samengewoond. Als biolo¬gische vader die [kind 2] heeft erkend, is [de vader] voorts één van haar juridische ouders en heeft uit dien hoofde eveneens in beginsel recht op omgang met haar. Hieraan doet niet af dat de moeder het gezag over beide kinde¬ren alleen uitoefent.

33. Het recht op omgang kan [de vader] slechts worden ontzegd (en worden afgewezen0 op de in artikel 1:377a lid 3 BW omschreven gronden, waaronder -onder a- dat omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwik¬keling van [kind 2] en/of [kind 1], -onder b- dat [de vader] kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang dan wel - onder d- dat omgang anderszins in strijd is met zwaarwe¬gende belangen van [kind 2] of [kind 1].

34. Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat, anders dan de rechtbank bij het geven van haar beslissing kennelijk voor ogen heeft gestaan, de begeleiding en bemiddeling van Bureau Jeugd¬¬zorg bij het overleg over en de totstand¬koming van omgang, niet heeft geleid tot omgangs¬contacten tussen [de vader] en de kinderen. De moeder heeft verklaard dat zij door alles wat er is gebeurd geen vertrouwen meer heeft in [de vader] en daarom niet bereid is haar medewerking te verlenen aan het tot stand brengen van omgang. Bureau Jeugdzorg heeft ter zitting medegedeeld dat de kinderen en de moeder veilige omstandigheden moeten worden geboden bij het opstarten van omgang en dat zij, gezien de voorgeschiedenis, persoonlijkheids¬onderzoek van [de vader] wenselijk achten om meer duidelijkheid te krijgen over mogelijke agressieproblematiek. [de vader] heeft hierover medegedeeld dat hij, indien dit nodig is om tot herstel van de contacten te komen, bereid is zijn medewerking te verlenen aan het onderzoek, doch dat hij eerst de beslissing van het hof in hoger beroep wenst af te wachten.

35. Het hof is van oordeel dat het niet in het belang van [kind 2] en [kind 1] is om zonder meer een (onbegeleide) omgangs¬regeling tussen [de vader] en de kinderen vast te stellen, terwijl er evenmin gronden zijn om [de vader] de omgang met [kind 2] en [kind 1] zonder meer te ontzeggen c.q. af te wijzen. Gelet op de bevindingen van de raad, verwoord in het rapport van 24 maart 2009 alsmede gelet op de ervaringen van Bureau Jeugdzorg om in het kader van de ondertoezichtstelling tot herstel van de omgangscontacten te komen, is sprake van belemmeringen met betrekking tot de omgangsregeling. Uit het rapport van de raad komt naar voren dat deze met name zijn gelegen in de omstandigheid dat de moeder en [de vader] er nog onvol¬doen¬de in slagen hun proble¬ma¬tische partnerrelatie te scheiden van een onder¬steunende ouderrelatie die de kinderen nodig hebben. Zij zijn niet in staat om de veilig¬heid van de kinderen binnen de omgangsregeling te waarborgen. [kind 2] en [kind 1] zullen naar het oordeel van het hof het meest gebaat zijn bij een verbetering van de verstandhouding tussen de ouders, zodat een omgangsregeling daardoor op juiste wijze kan verlopen. Dit doel zou kunnen worden bewerkstelligd door een ouderschaps¬onderzoek.

36. Gelet op de voorgeschiedenis acht het hof het voorts nodig dat, voorafgaand aan het ouderschapsonderzoek, een persoonlijkheids¬onder¬zoek van [de vader] wordt verricht nu mogelijk een (een groot deel van) het wantrouwen van de moeder kan worden weggenomen, als uit een persoonlijkheidsonderzoek zou blijken dat hij geen psychische stoornis/problematiek heeft. De uitkomsten van het persoon¬lijk¬heids¬onderzoek van [de vader] dienen in en bij het onder¬schaps¬¬onderzoek te worden betrokken.

37. Het hof zal daarom zowel een persoonlijkheidsonderzoek als een ouderschaps¬onderzoek gelasten. Het hof wijst ieder van partijen op het belang om zich daarvoor ten volle in te zetten, waarbij aan de zijde van [de vader] in het bijzonder wordt verwacht dat hij zijn medewerking zal verlenen aan een -aan het ouder¬schapsonderzoek voorafgaand- persoonlijkheidsonderzoek.

38. In het kader van het ouderschapsonderzoek wijst het hof op het niet-vrijblijvende karakter van dit deskundigen¬onderzoek dat zich aldus onderscheidt van hetgeen in het algemeen onder de term ‘mediation naast recht¬spraak’ bekend is. Het hof wijst tot slot op het bepaalde in artikel 198 lid 3 Rv met toepassing waar¬van het het hof vrij staat om aan de hou¬ding die een partij tijdens een ouder¬schaps¬onderzoek zou innemen, de gevolgen te verbinden die het hof geraden voorkomt.

39. Hoewel partijen zich nog niet hebben kunnen uitlaten over de persoon van de deskundige, zal het hof reeds bij deze beschikking overgaan tot benoeming van een deskundige. Partijen kunnen desgewenst binnen een termijn van veertien dagen na de beschikking hun bezwaren kenbaar maken tegen de persoon van de deskundige, waarna het hof zo nodig daarover een beslissing zal nemen.

40. Het hof zal als deskundige benoemen:

Mevrouw dr. K.E. Chateau, Gz-psycholoog,

in deze zaak domicilie kiezende bij het

Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie: locatie [woonplaats]

Postbus 110

9700 AC [woonplaats]

Bezoekadres: Hereweg 74

tel. nr. 088 07 10420

fax nr. 050 520 42 45

41. De des¬kundige heeft zich bereid verklaard het onderzoek -zowel het persoon¬lijkheidsonderzoek als het ouderschapsonderzoek- op zich te nemen. Het hof zal tevens een raadsheer-commissaris benoemen onder wiens leiding het onder¬¬zoek zal plaatsvinden. Indien de advocaten en/of deskundige vragen hebben over de procedure kunnen zij zich wenden tot mevrouw mr. J. Robben die de vragen zo nodig aan de raadsheer-commissaris zal voorleggen.

42. Partijen dienen de deskundige binnen 14 dagen nadat deze beschikking is gegeven te voorzien van afschriften van de processtukken alsmede een afschrift van de beschikking van 2 februari 2010 van het hof gegeven in het hoger beroep van de moeder tegen de beschikking van 17 juni 2009 van de rechtbank [woonplaats] waarbij [kind 2] en [kind 1] onder toezicht zijn gesteld (administratief geregistreerd onder nummer 200.039.817), tenzij binnen deze termijn bezwa¬ren tegen de persoon van de deskundige zijn kenbaar gemaakt.

43. Het hof zal de behandeling van de zaak voor wat betreft de omgang voor een termijn van ongeveer vier maan¬den aanhouden, en wel tot vrijdag 30 juli 2010, teneinde het onderzoek door de deskundige te laten plaatsvinden. Deze krijgt de opdracht om -na het persoonlijk¬heidsonderzoek van de vader- een ouderschaps¬onderzoek te verrichten en in dat kader, zo mogelijk met toepas¬sing van media¬tion¬¬technieken, met beide ouders tezamen gesprekken te voeren, met het doel enerzijds het ouderschap zodanig vorm te doen geven dat de minderjarigen gegeven de omstan¬digheden- zo goed als mogelijk zullen kunnen profiteren van beide ouders en anderzijds het vertrouwen over en weer tussen de ouders in zodanige mate te doen herstellen dat deze zelfstandig tot af¬spraken kunnen komen omtrent hetgeen hen verdeeld houdt.

44. Het hof acht het gewenst dat de deskundige bij het uit te voeren persoonlijkheids¬onderzoek van [de vader] de volgende vragen betrekt:

a. Hoe is de persoonlijkheid en het functioneren van [de vader] te beschrijven, op basis van klinische impressies en op basis van psychologisch testonderzoek?

b. Hoe kan het verstandelijk vermogen van [de vader] worden beschreven, op basis van klinische impressies en op basis van psychologisch testonderzoek?

c. Is er bij [de vader] sprake van een psychiatrische stoornis en zo ja, hoe is deze te beschrijven? Maakt deze psychiatrische stoornis een onderzoek door een psychiater noodzakelijk om de verdere vraagstelling te kunnen beantwoorden?

d. In hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde zijn gekomen in de onderzoeksvragen, maar wel van belang zijn met betrek¬king tot de omgang met de minderjarigen en hun ontwikkeling en opvoeding?

De deskundige dient zich binnen veertien dagen na het geven van deze beschik¬king met het hof te verstaan, indien de bovenstaande vragen in haar visie nog aanvulling behoeven.

45. Het hof acht het gewenst dat de deskundige bij het uit te voeren ouderschaps¬onderzoek de volgende vragen betrekt:

a. Hoe is de relatie van de ouders met elkaar, in het bijzonder: is er een patroon herkenbaar in de wijze waarop zij met elkaar omgaan herkenbaar, onderkennen zij het eigen aandeel in het ontstaan en het voortbestaan van dit patroon en is deze omgang vatbaar gebleken voor verbetering en vatbaar voor (verdere) verbetering?

b. Hoe is de relatie van elk van de minderjarigen met enerzijds de moeder respectievelijk de vader individueel en anderzijds beide ouders tezamen (het ouder¬systeem, met speciale aandacht voor hechting en loyaliteit)?

c. Welke zijn de pedagogische en affectieve mogelijkheden van respectievelijk de moeder en de vader?

d. Waaraan moet de opvoedingssituatie van de minderjarigen voldoen, gelet op de individuele behoefte en belangen van elk van hen?

f. In hoeverre is ieder van de ouders in staat om bij de uitvoering van een omgangs¬¬regeling rekening te houden met de behoeften van de minderjarigen? In hoeverre voelen de minderjarigen zich vrij om naar de vader te gaan als zij bij de moeder verblijven: zijn er loyaliteitproblemen dan wel andere belemme¬ringen voor de kinderen?

g. In hoeverre zijn de ouders in staat elkaar ruimte te bieden voor omgang met de minderjarigen?

h. Wat betekent dit voor de omgang van de minderjarigen met de ouder die de kinderen niet dagelijks verzorgt?

i. In hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde zijn gekomen in de onderzoeksvragen, maar wel van belang zijn met betrek¬king tot de ontwikkeling en opvoeding van de minderjarigen?

De deskundige dient zich binnen veertien dagen na het geven van deze beschik¬king met het hof te verstaan, indien de bovenstaande vragen in haar visie nog aanvulling behoeven.

46. De deskundige dient het hof te rapporteren over het verloop en de resultaten van het onderzoek. Tevens dient de deskundige -bij gebreke van overeenstemming tussen [de vader] en de moeder- de gestelde vragen te beantwoorden en het hof te adviseren omtrent de omgangsregeling tussen [de vader] en beide kinderen. Hierin dienen ook de uitkomsten van het persoonlijkheidsonderzoek van [de vader] te worden betrokken. Het hof laat het aan het oordeel van de deskundige over of en op welke wijze de beide kinderen in het onderzoek moet worden betrokken.

47. Bij toepassing van de artikelen 195 en 199 Rv komen de kosten van een deskun¬digenbericht in dagvaardingsprocedures ten laste van partijen. In procedures die worden ingeleid met een verzoekschrift zijn die bepalingen in artikel 284 lid 1 Rv van overeenkomstige toepassing verklaard, tenzij de aard van de zaak zich hier¬tegen verzet. Indien het in het belang van het kind nodig is dat een ouderschaps¬onderzoek plaatsvindt, biedt deze bepaling het hof de ruimte een deskundige aan te wijzen zonder partijen hiervoor een voorschot te vragen en in debet te stellen.

48. Het hof is van oordeel dat de onderhavige zaak aan dit criterium voldoet en zal derhalve bepalen dat de kosten van het persoonlijkheidsonderzoek van [de vader], tot een maximum¬bedrag van € 1.800,- inclusief verschotten en de BTW, alsmede de kosten van het ouderschapsonderzoek, tot een maximumbedrag van € 4.500,- inclusief verschotten en de BTW, ten laste van het rijk zullen komen. De deskun¬dige dient te declareren aan de hand van een tijdsverantwoording en op basis van een uurta¬rief (of een gedeelte daarvan) van € 107,50 per uur exclusief BTW. Wanneer tij¬dens het onderzoek aan de deskundige blijkt dat het genoemde bedrag dreigt te worden overschreden, zal de deskundige hierover tijdig met het hof in overleg moeten treden.

49. Op grond van de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter terecht¬zitting is het hof van oordeel dat hangende het onderzoek geen omgang tussen [de vader] en de kinderen dient plaats te vinden, met dien verstande dat de deskundige (in het kader van het ouderschapsonderzoek) desgewenst, indien en voor zover dit voor het onderzoek noodzakelijk is en niet in strijd is met zwaarwegende belangen van de kinderen, proefcontacten kan initiëren tussen [de vader] en [kind 2] en [kind 1].

50. Het hof zal de beschikking waarvan beroep vernietigen voor zover daarbij is bepaald dat de omgangsregeling tussen [de vader], voornoemd, en de minderjarigen [kind 2] en [kind 1] in overleg met en onder regie van de Stichting Bureau Jeugdzorg Drenthe zal plaatsvinden. Het hof zal de beslissing betreffende de omgangs¬regeling aanhouden in afwachting van de uitkomsten van het ouderschaps¬onderzoek.

EEN REGELING OMTRENT DE INFORMATIEVERPLICHTING

De ontvankelijkheid van [de vader] in zijn verzoek

het verzoek in hoger beroep

51. Het hof ziet geen grond voor een niet-ontvankelijk verklaring als door de moeder bepleit. Anders dan zij ingang wil doen vinden, dient het verzoek van [de vader] om een regeling inzake de informatieplicht vast te stellen niet te worden aangemerkt als een zelfstandig verzoek dat ingevolge het bepaalde in artikel 362 Rv inderdaad niet voor het eerst in hoger beroep kan worden gedaan. Het verzoek moet worden aan¬gemerkt als een vermeerdering van het oorspronkelijk verzoek tot het vast¬stellen van een omgangs¬regeling. Een dergelijke vermeerdering is in beginsel toegestaan op grond van het bepaalde in artikel 130 Rv dat ook voor de verzoek¬schrift¬¬procedures in hoger beroep -door verwijzing van artikel 362 Rv- van overeenkomstige toepassing is. Het hof acht de onderhavige wijziging niet in strijd met de eisen van een goede procesorde en ziet dan ook geen redenen om de vermeerdering van het verzoek buiten beschouwing te laten.

het verzoek ten aanzien van [kind 1]

52. Voorop gesteld wordt dat de wet in artikel 1:377b BW alleen uitdrukkelijk een recht op informatie en consultatie toekent aan de (niet met het gezag belaste) ouder. Met ouder in de zin van dit artikel wordt bedoeld degene die de juridische ouder van het kind is.

53. [de vader] kan op dit moment alleen zijn verzoek tot het opleggen van een informatie¬verplichting omtrent [kind 2] rechtstreeks baseren op artikel 1:377b BW. Tot hij [kind 1] zal hebben erkend is hij immers enkel zijn biologische vader en is genoemd artikel niet rechtstreeks van toepassing op zijn verzoek om informatie over [kind 1]. Uit de rechtspraak blijkt evenwel dat ook anderen dan de (niet met het gezag belaste) ouder recht (kunnen) hebben op informatie over het kind. Hierbij is -wat betreft de ontvankelijkheid van een dergelijk verzoek- vereist dat de persoon die daarop aanspraak maakt in een relatie tot het kind staat die is aan te merken als "family life" in de zin van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

54. Zoals het hof in rechtsoverweging 32 heeft overwegen is tussen [de vader] en [kind 1] ook nu al sprake van een nauwe persoonlijke betrekking die kan worden aange¬merkt als "family life" als hiervoor bedoeld. [de vader] kan daarom ook worden ont¬vangen in zijn verzoek omtrent [kind 1] voor de periode voorafgaand aan erken¬ning.

De standpunten

55. [de vader] heeft in hoger beroep verzocht om een informatieregeling vast te stellen die de moeder verplicht om hem maandelijks op de hoogte te houden van de ontwik¬ke¬¬ling en de gezondheid van de kinderen.

56. De moeder meent dat een verplichting tot het verstrekken van informatie een eerste stap in de totstandkoming van een omgangsregeling en zij is daar¬toe niet bereid. Zij vreest dat de verstrekte informatie door [de vader] zal worden misbruikt. Zij wijst er op dat [de vader] haar als moeder diskwalificeert door haar als psychia¬trisch patiënt te bestempelen, dat hij niet voor rede vatbaar is en op wraak is belust. Door zijn dreigende opstelling acht zij een informatieregeling niet in het belang van de kinderen.

De overwegingen

* de informatieregeling

57. Het bepalen van een regeling omtrent de informatieverplichting kan ingevolge het bepaalde in artikel 1:377b lid 2 BW buiten toepas¬sing blijven indien het belang van het kind dat vereist.

58. Het hof ziet in de feiten en omstandigheden van het geval geen aanleiding om geen informatieregeling te bepalen. Weliswaar zijn er zekere belemmeringen geble¬ken ten aanzien van de uitvoering van een omgangsregeling, maar deze recht¬vaardigen niet de conclusie dat de belangen van [kind 1] en [kind 2] zich verzet¬ten tegen het verstrekken van informatie als in artikel 1:377b BW bedoeld. Wel is het hof van oordeel dat de door [de vader] verzochte frequentie te ruim is. Het hof zal daarom een gebruikelijke regeling vaststellen waarbij de moeder gehouden is om hem eenmaal per drie maanden te informeren.

* de dwangsom

59. Het hof ziet op dit moment onvoldoende redenen om aan te nemen dat de moeder de beslis¬sing van het hof niet vrijwillig zal naleven. Het hof acht het dan ook niet geïndi¬ceerd om, zoals [de vader] in het incidenteel appel heeft verzocht, aan de niet-nakoming een dwangsom te verbinden. Zijn verzoek zal in zoverre worden afgewe¬zen.

DE SLOTSOM

60. Gelet op het vorenstaande zal het hof beslissen al na te melden.

De beslissing

Het gerechtshof:

* met betrekking tot de vervangende toestemming

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor zover daarbij aan [geïntimeerde] vervangende toestemming is verleend om de minderjarige [kind 1], geboren op [geboortedatum] te [woonplaats], te erkennen;

* met betrekking tot de informatieregeling

bepaalt dat de moeder [de vader] iedere drie maanden schriftelijk op de hoogte zal stellen omtrent gewichtige aangelegenheden betreffende de persoon van [kind 2] en [kind 1] waaronder begrepen hun ontwikkeling alsmede een goed gelijkende recente foto zal verstrekken, voor het eerst op 1 mei 2010 en zo vervolgens;

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht met betrekking tot de informatieregeling;

* met betrekking tot de omgangsregeling

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover daarbij is bepaald dat de omgangs¬¬¬regeling tussen [de vader], voornoemd, en de minderjarigen [kind 2] en [kind 1] in overleg met en onder regie van de Stichting Bureau Jeugdzorg Drenthe zal plaats¬vinden;

alvorens nader te beslissen omtrent de omgang tussen [de vader] en voornoemde kinderen:

gelast een deskundigenonderzoek, te weten een persoonlijkheidsonderzoek en een ouder¬schapsonderzoek, als omschreven in de rechtsoverwegingen 38 tot en

met 46;

benoemt tot deskundige:

Mevrouw dr. K.E. Chateau, Gz-psycholoog,

in deze zaak domicilie kiezende bij het

Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie: locatie [woonplaats]

Postbus 110

9700 AC [woonplaats]

Bezoekadres: Hereweg 74

tel.nr. 088 07 10420

fax nr. 050 520 42 45

verzoekt de deskundige zo spoedig mogelijk met het onderzoek aan te vangen, met dien verstande dat zij haar werkzaamheden feitelijk eerst dient aan te vangen indien de stukken van het dossier zijn ontvangen;

bepaalt dat de kosten van de deskundige(n) door de griffier zullen worden betaald en ten laste van ’s Rijks kas zullen komen, een en ander met inachtneming van het hiervoor in rechtsoverweging 47 en 48 bepaalde, waarbij na afronding van elk onderzoek afzonderlijk gedeclareerd kan worden;

benoemt mr. J.G. Idsardi tot raadsheer-commissaris, onder wier leiding het onder¬¬zoek zal plaatsvinden:

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van deze beschikking aan de deskun¬¬dige zal zenden;

bepaalt dat de partijen binnen twee weken na de datum van deze beschikking een afschrift van de processtukken ter beschikking van de deskundige zal stellen en dat zij alle door deze gewenste inlichtingen zullen verstrekken;

houdt de verdere behandeling van de zaak aan tot vrijdag 30 juli 2010 pro forma, ter fine als vermeld in rechtsoverwegingen 43 tot en met 45;

bepaalt dat de deskundige tijdig vóór de hierboven vermelde pro forma datum het hof zal rapporteren over het verloop en de resultaten van het persoonlijk¬heids¬onderzoek en het ouderschaps¬onder¬zoek;

bepaalt dat uit het deskundigenbericht moet blijken dat [de vader], voor wat betreft het persoonlijkheidsonderzoek, en de ouders, voor wat betreft het ouderschaps¬onderzoek, door de deskun¬dige in de gelegenheid zijn gesteld opmerkingen te maken en verzoeken te doen, met vermelding van de inhoud van de eventuele opmerkingen en verzoeken.

Aldus gegeven door mrs. Idsardi, voorzitter, Verschuur en Kuiken, raden, en uitge¬sproken ter openbare terechtzitting van dit hof van donderdag 1 april 2010 in het bijzijn van de griffier.