Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BN2828

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
28-07-2010
Datum publicatie
29-07-2010
Zaaknummer
24-000303-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De minderjarige verdachte is ter zake van mishandeling veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 40 uren, waarvan 20 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Het hof acht het opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel niet aanwezig, ook niet wanneer het zich zou bedienen van een voorwaardelijk opzetredenering, nu naar het oordeel van het hof niet gezegd kan worden dat het trappen of schoppen op een bovenbeen een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel met zich meebrengt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000303-10

Parketnummer eerste aanleg: 18-640587-09

Arrest van 27 juli 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Groningen van 18 januari 2010 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1993] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. L.G. Mellens-Schrage, advocaat te Hoogezand.

Het vonnis waarvan beroep

De kinderrechter in de rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, heeft op de vordering van de benadeelde partij beslist en een maatregel opgelegd, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 50 uren, subsidair 25 dagen vervangende jeugddetentie, waarvan 25 uren, subsidiair 12 dagen vervangende jeugddetentie, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij voor een bedrag van € 1.800,= wordt toegewezen en dat de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

hij op of omstreeks 23 maart 2009, in de gemeente [gemeente] aan een persoon genaamd [benadeelde], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (scheur in beenspier), heeft toegebracht, door deze opzettelijk plotseling en/of onverhoeds (met kracht) op/tegen een (boven)been te trappen;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 23 maart 2009, in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [benadeelde], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [benadeelde] plotseling en/of onverhoeds (met kracht) op/tegen een (boven)been te trappen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 23 maart 2009, in de gemeente [gemeente] opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [benadeelde]), plotseling en/of onverhoeds (met kracht) op/tegen een (boven)been heeft getrapt en/of geschopt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Bewijsoverweging

De verklaring van verdachte zoals hij die bij de politie en ter terechtzittingen in eerste aanleg en bij het hof heeft afgelegd, komt niet overeen met hetgeen door aangever en twee getuigen is verklaard. Volgens verdachte spreken aangever [benadeelde] en de beide ooggetuigen [getuige 1] en [getuige 2] niet de waarheid. Het hof volgt verdachte hierin niet. Gelet op het feit dat de verklaringen van laatstgenoemden consistent zijn en steun vinden in elkaar, hecht het hof meer waarde aan deze verklaringen en acht het hof deze verklaringen betrouwbaar en van doorslaggevende betekenis.

Het hof leidt uit de hiervoor bedoelde verklaringen af dat er bij verdachte opzet heeft bestaan op het toebrengen van pijn en letsel, door aangever plotseling en met kracht op een bovenbeen te trappen/schoppen. Het hof acht opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel echter niet aanwezig, ook niet wanneer het zich zou bedienen van een voorwaardelijk opzetredenering, nu naar het oordeel van het hof niet gezegd kan worden dat het trappen of schoppen op een bovenbeen een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel met zich meebrengt.

Vrijspraak

Het hof acht niet bewezen hetgeen primair en subsidiair aan verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 23 maart 2009, in de gemeente [gemeente] opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [benadeelde]), plotseling en onverhoeds (met kracht) op een (boven)been heeft getrapt of geschopt, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

mishandeling.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft aangever [benadeelde] op 23 maart 2009 mishandeld door hem met kracht op een bovenbeen te trappen/schoppen. Hierdoor heeft aangever een gescheurde bovenbeenspier opgelopen. Verdachte heeft door zo te handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van die [benadeelde].

Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met een verdachte betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 6 april 2010, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Daarnaast houdt het hof bij de strafoplegging rekening met een omtrent verdachte uitgebrachte rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 17 augustus 2009, alsmede met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals daarvan ter terechtzitting van het hof is gebleken. Hieruit blijkt dat het momenteel wat opleiding, werk, sociale contacten en thuissituatie betreft goed gaat met verdachte.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof oplegging van een werkstraf van na te melden omvang passend en geboden, doch zal het hof een deel hiervan in voorwaardelijke vorm opleggen, met een proeftijd van twee jaren. Deze voorwaardelijke straf dient tevens als stok achter de deur, teneinde te voorkomen dat verdachte zich nogmaals schuldig maakt aan (soortgelijke) feiten.

Benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken dat de benadeelde partij zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat haar vordering in eerste aanleg deels is toegewezen en deels niet-ontvankelijk is verklaard. De benadeelde partij heeft zich in het geding in hoger beroep binnen de grenzen van haar eerste vordering opnieuw gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van haar in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

Vast staat dat de benadeelde partij als direct gevolg van het bewezen verklaarde feit schade heeft geleden. In eerste aanleg is een bedrag van € 2.850,- gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade, waarvan € 50,- aan materiële schade en € 2.800,- aan immateriële schade. De kinderrechter heeft een bedrag van € 1.800,- toegewezen, bestaande uit € 50,- aan materiële schade en € 1.750,- aan immateriële schade. Tegenover de met bewijsstukken gestaafde vordering van de benadeelde partij is van de zijde van verdachte aangevoerd dat het immateri?le schadebedrag gematigd dient te worden.

Het materiële deel van de vordering is van de zijde van verdachte niet weersproken. Nu de vordering het hof voorts niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal het hof de vordering in zoverre toewijzen. Het immateriële deel van de vordering acht het hof toewijsbaar tot een bedrag van € 250,-. Het hof zal de vordering derhalve toewijzen tot een totaalbedrag van

€ 300,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment dat de schade is ontstaan.

Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet van zo eenvoudige aard is, dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. Gelet op het bepaalde in artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, zal de benadeelde partij in zijn vordering in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard, met bepaling dat de benadeelde partij zijn vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Gelet op het vorenstaande dienen de benadeelde partij en verdachte, als over en weer deels in het ongelijk gestelde partijen, ieder de eigen kosten van het geding te dragen en dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten ten behoeve van de ten-uitvoerlegging nog te maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Aangezien verdachte jegens voornoemd slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht en het belang van het slachtoffer ermee is gediend, zal het hof het toegewezen bedrag tevens toewijzen in de vorm van een schadevergoedingsmaatregel.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het verdachte meer subsidiair ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van veertig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie voor de duur van twintig dagen zal worden toegepast;

beveelt dat een gedeelte van de werkstraf groot twintig uren, subsidiair tien dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van driehonderd euro, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 maart 2009 tot aan de dag van algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten dragen van het geding;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van driehonderd euro ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde], wonende te [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van zes dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, voorzitter, mr. G. Dam en mr. L.T. Wemes, in tegenwoordigheid van mr. H. Akkerman als griffier.