Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BN2151

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
20-07-2010
Datum publicatie
22-07-2010
Zaaknummer
200.048.148/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Moeder wordt vanwege verslavingsproblematiek in het kader van een ouderschapsonderzoek als gesprekspartner niet betrouwbaar geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 20 juli 2010

Zaaknummer 200.048.148

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. M.C. Mollema, kantoorhoudende te Grou,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. J.F. Rouwé-Danes, kantoorhoudende te Leeuwarden.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 12 augustus 2009 heeft de rechtbank Leeuwarden - voor zover voor dit hoger beroep van belang - de omgangsregeling tussen de moeder en de minderjarigen [kind 1] (hierna: [kind 1]), geboren [in 2000] in de gemeente [naam], en [kind 2] (hierna: [kind 2]), geboren [in 2002] in de gemeente [naam], zoals voorlopig vastgesteld bij beschikking van 24 september 2008, geschorst.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 11 november 2009, heeft de moeder verzocht de beschikking van 12 augustus 2009 te vernietigen voor zover daarbij de omgangsregeling is geschorst en opnieuw beslissende onder aanhouding van de behandeling ter terechtzitting een ouderschapsonderzoek te gelasten en daartoe een deskundige te benoemen, alsmede hangende dat onderzoek te bepalen dat de voorlopige omgangsregeling als bepaald in de beschikking van 24 september 2008 van de rechtbank Leeuwarden onverminderd van kracht blijft en dienovereenkomstig zal moeten worden uitgevoerd, met veroordeling van de man tot betaling aan de vrouw van een dwangsom van € 250,-- per keer dat de man nalaat zijn volledige medewerking daaraan te verlenen.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 22 december 2009, heeft de vader het verzoek bestreden en verzocht de vrouw in haar appelschrift niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel het haar daarbij ingestelde verzoek te ontzeggen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, met veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.

Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief van

19 november 2009, van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad).

Ter zitting van 1 juli 2010 is de zaak behandeld. Verschenen zijn de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en de vader, bijgestaan door mr. P. Rijnsburger.

Namens de raad was mevrouw Douma aanwezig.

De beoordeling

De vaststaande feiten

1. Partijen zijn op 15 januari 2003 met elkaar gehuwd. Uit de voorhuwelijkse relatie tussen partijen zijn [kind 1] en [kind 2] geboren. De vader heeft hen erkend. Partijen hebben van rechtswege gezamenlijk het gezag over de minderjarigen.

2. Het huwelijk tussen partijen is op 8 september 2008 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 13 augustus 2008 in de registers van de burgerlijke stand.

3. De rechtbank heeft bij beschikking van 24 september 2008 bepaald dat de moeder voorlopig - dat wil zeggen totdat een nadere rechterlijke beslissing omtrent de omgang van kracht wordt - de minderjarigen kan bezoeken in een Omgangshuis, steeds onder begeleiding van een medewerker van Humanitas. Voorts heeft de rechtbank bij die beslissing de raad verzocht een onderzoek in te stellen naar het hoofdverblijf en de mogelijkheden om een omgangsregeling vast te stellen tussen de niet-verzorgende ouder en de minderjarigen.

4. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de moeder, om het hoofdverblijf van de minderjarigen bij haar te bepalen afgewezen. Voorts heeft de rechtbank met betrekking tot de omgangsregeling beslist, zoals hiervoor is weergegeven onder 'Het geding in eerste aanleg'. Tegen deze laatstgenoemde beslissing heeft de moeder hoger beroep ingesteld.

De overwegingen

5. Het hof leest het verzoek van de moeder in het appelschrift zo, dat zij verzoekt een ouderschapsonderzoek te gelasten alvorens het hof een nadere beslissing neemt. Gelet hierop begrijpt het hof het verzoek van de moeder aldus dat, indien het hof geen ouderschapsonderzoek gelast, zij verzoekt de bestreden beschikking - voor zover het de schorsing van de omgangsregeling tussen haar en de kinderen betreft - alsnog te vernietigen.

6. Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of een ouderschapsonderzoek noodzakelijk wordt geacht in het belang van [kind 1] en [kind 2]. De moeder stelt zich op het standpunt dat [kind 1] en [kind 2] er het meest bij zijn gebaat wanneer partijen komen tot een heroriëntatie op het ouderschap, hetgeen volgens haar bewerkstelligd kan worden door middel van een ouderschapsonderzoek. Het hof volgt de moeder niet in deze stelling. Hoewel uit het dossier en uit hetgeen partijen ter zitting van het hof hebben verklaard, blijkt dat er sprake is van een slechte onderlinge communicatie en van veel wantrouwen jegens elkaar, is het hof van oordeel dat een ouderschapsonderzoek - hoewel daartoe geëigend - op dit moment niet zal bijdragen aan de verbetering daarvan. Het hof overweegt daartoe dat de oorzaak van de slechte onderlinge verhoudingen met name in de (verslavings)problematiek van de moeder ligt.

7. De moeder stelt weliswaar dat het op dit moment veel beter met haar gaat dan in het verleden en dat zij de afgelopen zeven maanden geen alcohol heeft gedronken, maar zij heeft geen stukken overgelegd waaruit de juistheid van deze stelling blijkt. Door het gebrek aan onderbouwende stukken van de zijde van de moeder is het thans volstrekt onduidelijk of zij - ondanks haar problematiek - in staat is zich te houden aan afspraken. De moeder onderkent voorts haar problematiek niet en lijkt geen inzicht te hebben in de ernst daarvan. Zij is hierdoor in het kader van een ouderschapsonderzoek als gesprekspartner niet betrouwbaar.

8. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat een ouderschapsonderzoek op dit moment (nog) niet is geïndiceerd. Het hof zal dan ook geen ouderschapsonderzoek gelasten.

9. Nu het hof de moeder niet volgt in haar verzoek tot het gelasten van een ouderschapsonderzoek, is de vraag aan de orde of de bestreden beschikking voor wat betreft de schorsing van de omgangsregeling dient te worden vernietigd. Het hof ziet daartoe geen aanleiding. Hetgeen de moeder in hoger beroep heeft aangevoerd, is reeds gemotiveerd door de rechtbank verworpen. De moeder heeft ten opzichte van de situatie ten tijde van de procedure in eerste aanleg onvoldoende nieuwe feiten en omstandigheden gesteld. Bovendien heeft zij haar stellingen niet onderbouwd. Uit het verhandelde ter zitting leidt het hof voorts af dat de moeder nog steeds haar eigen belang laat prevaleren boven het belang van de kinderen. Zij lijkt niet in te zien welke invloed haar gedrag op de ontwikkeling van de kinderen en hun beeld van haar heeft. Gelet op het voorgaande sluit het hof zich dan ook aan bij de motivering van de rechtbank en neemt deze over. De bestreden beschikking dient naar het oordeel van het hof dan ook in stand te worden gelaten.

Slotsom

10. Op grond van het voorgaande dient de beschikking waarvan beroep - voor zover het de schorsing van de omgangsregeling tussen de moeder en [kind 1] en [kind 2] betreft - te worden bekrachtigd.

11. Nu partijen gewezen echtgenoten zijn worden de kosten van het geding in hoger beroep gecompenseerd in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor zover aan hoger beroep onderhevig;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van het geding in hoger beroep draagt.

Aldus gegeven door mrs. Melssen, voorzitter, Beversluis en Groot, raden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 20 juli 2010 in bijzijn van de griffier.