Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BN1327

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
01-07-2010
Datum publicatie
15-07-2010
Zaaknummer
24-001241-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak mishandeling. Onvoldoende overtuigend bewijs. Inconsistente getuigenverklaringen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-001241-09

Parketnummer eerste aanleg: 19-606340-08

Arrest van 1 juli 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Assen van 1 mei 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1959] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. R.W. van Faassen, advocaat te Zwolle.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Assen heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot straffen en heeft een beslissing genomen over de vordering van de benadeelde partij, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen tot een werkstraf van 50 uur waarvan 20 uur voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij geheel zal worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof komt tot een andere beslissing dan de eerste rechter.

Daarom zal het vonnis worden vernietigd en opnieuw recht worden gedaan.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

hij op of omstreeks 26 augustus 2008 te [plaats], gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [benadeelde], (tegen de grond) heeft geduwd en/of meermalen, althans eenmaal tegen de buik, althans het lichaam heeft geschopt, waardoor voornoemde [benadeelde] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Vrijspraak

Van de zijde van de verdediging is vrijspraak bepleit, omdat verdachte aangeefster niet mishandeld zou hebben en de verklaring van aangeefster niet juist zou zijn.

Het hof overweegt het volgende.

Aangeefster, [benadeelde], heeft op donderdag 28 augustus 2008 aangifte gedaan jegens verdachte en zijn zoon wegens mishandeling op dinsdag 26 augustus 2008. Zij heeft verklaard door de zoon te zijn geduwd waardoor ze op de grond viel en door verdachte daarna meermalen te zijn geschopt terwijl ze op de grond lag. Op advies van de politie bezoekt aangeefster na het doen van aangifte vooreerst de/een huisarts, die onder meer een grote bloeduitstorting constateert op haar buik.

Ruim een week later, op 5 september 2008, wordt aangeefster als verdachte gehoord omdat verdachte en zijn zoon op hun beurt aangifte tegen haar hebben gedaan onder meer wegens het doen van valse aangifte. Over hetzelfde voorval verklaart aangeefster als verdachte dat zij door de zoon op de grond is gegooid en toen weer opkrabbelde. Over het schoppen door verdachte terwijl ze op de grond lag verklaart zij in het geheel niet meer.

Het hof stelt vast dat de door aangeefster bij de politie afgelegde verklaringen onderling inconsistent zijn ten aanzien van het aandeel van verdachte in het jegens haar uitgeoefende geweld. Daarnaast vindt de aangifte slechts ten dele steun in de door de vriendin van aangeefster, [getuige 1], afgelegde verklaring, die gezien heeft dat verdachte aangeefster eenmaal heeft geschopt terwijl zij op haar knieën zat. Getuige van het incident, [getuige 2], verklaart niet gezien te hebben dat een vrouw op de grond lag.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is bij het hof gerede twijfel ontstaan omtrent de geloofwaardigheid van de door aangeefster (en haar vriendin) afgelegde verklaringen omtrent het beweerdelijk schoppen door verdachte van aangeefster. Het hof acht om die reden niet overtuigend bewezen dat verdachte aangeefster heeft geschopt noch enig andere (gewelds)handeling jegens haar heeft gepleegd. Het hof zal verdachte daarom vrijspreken van de hem ten laste gelegde mishandeling.

Benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken, dat de benadeelde partij [benadeelde] zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd en dat haar vordering in eerste aanleg geheel is toegewezen. Derhalve duurt de voeging ter zake van haar gehele vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

Nu aan de verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd, terwijl evenmin artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht wordt toegepast, dient de benadeelde partij, gelet op het bepaalde in artikel 361, tweede lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering, in haar vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard, met veroordeling van de benadeelde partij in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

spreekt verdachte van het ten laste gelegde vrij.

verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H. Heins, voorzitter, mr. G.M. Meijer-Campfens en mr. J.A. Wiarda, in tegenwoordigheid van mr. M. Nijhuis als griffier, zijnde mr. J.A. Wiarda buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.