Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BN0732

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
08-07-2010
Datum publicatie
08-07-2010
Zaaknummer
24-000082-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt wegens een dubbele poging tot moord veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaren. Het hof heeft bij de op te leggen straf rekening gehouden met de verminderde toerekenbaarheid van verdachte en het tijdsverloop van de zaak in hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000082-08

Parketnummer eerste aanleg: 19-606579-06

Arrest van 8 juli 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Assen van 21 december 2007 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1968] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. J.B. Pieters, advocaat te Hoogeveen.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Assen heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf en heeft een beslissing genomen omtrent de in beslag genomen goederen, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte ten aanzien van het primair ten last gelegde zal vrijspreken en ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaren met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht en een werkstraf van 180 uren. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de in beslag genomen goederen zal onttrekken aan het verkeer.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

hij op of omstreeks 12 november 2006 te [plaats], gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft opgewacht en/of (vervolgens)

- een wapen (een enkelloopskogelgeweer, merk Norinko) op [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gericht en/of (vervolgens)

- het wapen heeft afgevuurd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 12 november 2006 te [plaats], gemeente [gemeente], [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een vuurwapen (een M-16, merk Norinko) op [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gericht, althans deze [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] een vuurwapen heeft voorgehouden, althans heeft getoond.

Het hof beschouwt Norinko als een kennelijke misslag en leest dit verbeterd als Norinco. Hierdoor wordt verdachte niet in enig belang geschaad.

Bewijsoverweging

Aan verdachte is primair ten laste gelegd dat hij zich op 12 november 2006 in [plaats] heeft schuldig gemaakt aan een poging tot moord/doodslag op [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2].

De feitelijke situatie was als volgt.

Verdachte is vanuit zijn woonplaats [woonplaats] naar [plaats] gereden, na onenigheid met zijn ex vrouw [slachtoffer 2]. Hij dacht dat zij een nieuwe vriend had en had haar - toen zij de kinderen weer bij hem kwam ophalen - daarnaar (opnieuw) gevraagd. Hij kreeg geen informatie. [slachtoffer 2] vertrok met hun twee kinderen naar huis. Onderweg werd zij gebeld door de (nieuwe) vrouw van verdachte. [slachtoffer 2] kreeg het advies niet naar huis te gaan, omdat verdachte op weg was naar [plaats] en hij erg opgefokt was. Dat advies heeft [slachtoffer 2] opgevolgd door niet alleen, maar met [slachtoffer 1], een buurman, haar woning binnen te gaan. Verdachte, die zijn auto "in de buurt van de woning" had geparkeerd, bleek in haar woonkamer te zitten. Er was geen licht aan in die kamer, wel in de bijkeuken. Verdachte zat aan tafel, schuin tegenover de deur, half verscholen achter een aantal planten. "Misschien wel als verrassingseffect", verklaarde verdachte bij de rechtbank als hem wordt gevraagd waarom hij geen licht in de woonkamer had aangedaan. Hij bleek zijn geweer (type M16, merk Norinco) uit de kluis op de bovenverdieping te hebben gehaald en te hebben geladen met drie scherpe patronen. Het geweer bevond zich in verband met de vergunningsvoorwaarden nog steeds in de woning van [slachtoffer 2].

Over wat er in de woning is gebeurd, lopen de verklaringen uiteen.

Volgens [slachtoffer 1], een beroepsmilitair met jarenlange ervaring met wapens, in het bijzonder met de M16, heeft verdachte zich bij binnenkomst van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in de woonkamer (half) opgericht uit zijn stoel, het geweer "geschouderd", op hem gericht en de trekker overgehaald. De afstand tussen hen was ongeveer drie meter. Als eerste reactie heeft [slachtoffer 1] toen [slachtoffer 2] aan de kant geduwd die daarop het licht in de woonkamer aandeed. Toen verdachte in de beleving van [slachtoffer 1] de trekker van het geweer overhaalde, hoorde [slachtoffer 1] een (hem door zijn ruime ervaring met wapens zeer bekende) klik. [slachtoffer 1] verklaarde met grote stelligheid deze 'klik' te hebben herkend als het geluid dat kenmerkend is voor het overhalen van de trekker bij een gespannen wapen van dit type. Er volgde geen schot. Volgens [slachtoffer 1] reageerde verdachte daarop door aan het wapen te "rommelen" of te "friemelen". Hij had het geweer daarbij in de linkerhand. Met de rechterhand was hij iets aan het doen met dat wapen. [slachtoffer 1] gaf aan dat te hebben ervaren als een reactie van verdachte op een storing in het wapen. Nadat [slachtoffer 1] het wapen van verdachte had afgenomen, heeft verdachte meermalen geroepen dat hij zijn vrouw en beide kinderen wilde vermoorden en dat hij daarna zichzelf van kant wilde maken.

[slachtoffer 2] hoorde een klik toen zij met [slachtoffer 1] mee de kamer in wilde gaan om het licht aan te doen. Zij stond op dat moment pal naast [slachtoffer 1]. Zij heeft gezien dat verdachte aanstalten maakte om op te gaan staan van zijn stoel en dat hij het geweer in zijn handen had. Zij heeft een klikgeluid gehoord. Nadat [slachtoffer 1] het wapen van verdachte had afgepakt, heeft zij vervolgens meteen haar huis verlaten.

Nadat de politie ter plaatse was gekomen bleken er drie scherpe patronen in de houder van het geweer te zitten. Een of twee patronen zaten scheef. Het wapen stond op "semi" of in de woorden van verdachte bij de rechtbank: "het wapen stond op vuren". Onderzoek door het NFI heeft uitgewezen dat het een goed functionerend wapen betrof. Verder is duidelijk geworden dat het wapen in ieder geval gespannen moet worden om het klikgeluid waarover [slachtoffer 1] heeft gesproken te kunnen veroorzaken. Daarvoor is niet nodig dat het ook is doorgeladen.

Verdachte heeft na zijn aanhouding door de politie en gedurende het proces in eerste aanleg wisselend verklaard. Aanvankelijk gaf hij aan dat hij in de woning van [slachtoffer 2] - met het geweer naast zich op de stoel - op haar had zitten wachten. Hij wilde afscheid van haar nemen dan wel haar zijn excuses aanbieden en daarna zelfmoord plegen met dat geweer. Net op het moment dat de buurman van [slachtoffer 2] de kamer binnenkwam, klapte verdachte zijn zippo (aansteker) dicht. Daarna was die buurman op hem af gekomen en had hem klappen gegeven. Verdachte had vervolgens zijn wapen aan hem afgegeven. Verdachte ontkende in eerste instantie het wapen bij binnenkomst van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in handen te hebben gehad en op hen te hebben gericht.

Nadat het onderzoek had uitgewezen dat verdachte die bewuste zippo die avond niet bij zich had gehad, begon hij over een tweede zippo. Later in zijn verklaring bij de rechtbank erkende hij dat het verhaal over de zippo niet klopte. Ook gaf hij aan niet zeker te weten of het geweer wel op de stoel had gelegen. Hij zou het in zijn handen gehad kunnen hebben. Verder vertelde hij de rechtbank dat hij de woning van [slachtoffer 2] was binnengegaan en boven het wapen had gepakt om daarmee zelfmoord te plegen. Volgens hem had hij 2 of 3 kogels in de houder gedaan en de houder in het geweer aangebracht. Tevoren had hij het wapen - leeg - gespannen. Vervolgens was hij aan de eettafel gaan zitten. Ter zitting van het hof heeft hij zich op zijn zwijgrecht beroepen.

Verdachte heeft zijn verklaringen telkens aangepast op het moment dat hij werd geconfronteerd met verklaringen van anderen of met resultaten van het onderzoek. Uiteindelijk beriep hij zich bij het hof op zijn zwijgrecht omdat hij het naar eigen zeggen allemaal niet meer wist. Deze laatste bewering lijkt in strijd met zijn eerdere verklaringen en komt, gezien de ernst van de situatie op die bewuste avond, niet geloofwaardig over. Het hof hecht meer waarde aan de consistente verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], die het hof ook zelf ter zitting als getuigen heeft gehoord.

Voor het hof staat op basis van die verklaringen in combinatie met de overige onderzoeksresultaten vast dat verdachte een met scherpe patronen geladen en gespannen geweer heeft gericht op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en vervolgens de trekker heeft overgehaald. In die zin heeft verdachte het wapen 'afgevuurd' zoals is ten laste gelegd. Deze handelingen zijn naar hun uiterlijke verschijningsvormen gericht op het teweegbrengen van de dood van die personen. Dat verdachte de bedoeling heeft gehad om te doden vindt bovendien bevestiging in zijn nadien tegenover [slachtoffer 1] geuite woorden over het vermoorden van vrouw en kinderen. Bij die woorden past ook dat verdachte drie patronen in de houder (voor maximaal 20 patronen) had gedaan en vervolgens de komst van zijn ex vrouw en hun twee kinderen heeft afgewacht.

Verdachte heeft ontkend dat hij die woorden heeft geuit. Het hof acht ook in dit verband verdachtes verklaring ongeloofwaardig. [slachtoffer 1] heeft verdachte niet alleen over het vermoorden van zijn vrouw en beide kinderen horen spreken, maar tevens de opmerking: "Daarna maak ik mijzelf van kant" gehoord. Juist dit tweede deel is een opvallend gegeven omdat verdachte zelf heeft betoogd dat toen van plan te zijn geweest. Niet aannemelijk is dat [slachtoffer 1], die verdachte in het geheel niet kende, dat anders dan via verdachte zelf zou kunnen weten. Het hof gaat er vanuit dat verdachte die woorden inderdaad heeft geuit.

Voor het hof staat tevens vast dat verdachte ervan uitging dat het wapen doorgeladen was op het moment dat hij de trekker overhaalde. Dat blijkt uit zijn reactie na de klik, zoals door [slachtoffer 1] onder woorden gebracht. Daaruit leidt het hof af dat verdachte op meer had gerekend dan een klik, namelijk dat de zich in het wapen bevindende scherpe patronen/kogels de slachtoffers - dodelijk - zouden raken. Door de scheefzittende patroon/patronen kon er echter geen kogel naar de kamer worden getransporteerd. Toen verdachte de trekker overhaalde, viel er dan ook geen schot. In die zin is sprake van een relatief ondeugdelijk middel.

Daarmee vervalt de door verdachte bij de rechtbank geopperde mogelijkheid dat hij [slachtoffer 2] (slechts) bang zou hebben willen maken. Verdachte heeft daar naar voren gebracht dat hij het geweer eerst heeft gespannen en pas daarna de houder met de patronen heeft aangebracht. In die situatie volgt er wel een klik bij het overhalen van de trekker. Om te kunnen schieten moet de grendel echter nogmaals naar achteren worden gehaald. Het hof gaat ervan uit dat verdachte hiermee heeft willen betogen dat hij geen opzet had om te doden, omdat hij niet had doorgeladen. Deze mogelijkheid is in strijd met de hiervoor beschreven gang van zaken, waarvan het hof uitgaat, in het bijzonder ook met verdachtes reactie na de klik. Zijn reactie is in die situatie onlogisch en onbegrijpelijk indien hij slechts wilde bedreigen. Die reactie is daarentegen volstrekt logisch en begrijpelijk indien hij wilde schieten. Bovendien is voor het bedreigen met een wapen niet noodzakelijk en evenmin logisch om (scherpe) patronen in het geweer aan te brengen, zoals verdachte heeft gedaan.

Evenmin aannemelijk acht het hof de (overigens niet door verdachte geopperde) mogelijkheid dat verdachte zich zou hebben vergist in de volgorde van het schietklaar maken van zijn wapen. Gelet op verdachtes ruime ervaring met het wapen en het gebruik daarvan stelt het hof die mogelijkheid als hoogst onwaarschijnlijk terzijde.

Uit hetgeen het hof hiervoor heeft vastgesteld en overwogen, acht het hof niet alleen bewezen dat verdachte heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, maar dat hij dat ook heeft gedaan met voorbedachten rade. Voor het bewijs van die voorbedachte raad is het voldoende dat verdachte tijd heeft gehad om zich te beraden op zijn genomen of te nemen besluit om te doden, zodat er gelegenheid was tot nadenken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Die tijd en gelegenheid heeft verdachte ten aanzien van beide slachtoffers gehad. Verdachte heeft [slachtoffer 2] in haar woning opgewacht, voorzien van de geladen Norinco. Toen verdachte [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] de kamer zag binnenkomen, heeft hij zich vervolgens half opgericht, toen zijn wapen geschouderd, daarna het wapen op [slachtoffer 1] en de pal naast [slachtoffer 1] staande [slachtoffer 2] gericht en ten slotte de trekker overgehaald. Bij het zien van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] had verdachte zich kunnen bedenken en het wapen kunnen wegleggen. Dat heeft hij niet gedaan. Integendeel.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een poging tot moord op [slachtoffer 1] en op [slachtoffer 2].

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 12 november 2006 te [plaats], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

- die [slachtoffer 2] heeft opgewacht en vervolgens

- een wapen (een enkelloopskogelgeweer, merk Norinco) op die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] heeft gericht en vervolgens

- het wapen heeft afgevuurd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

Poging tot moord, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot moord op [slachtoffer 1] en op [slachtoffer 2].

Verdachte heeft de slachtoffers groot leed berokkend, hetgeen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] treffend tot uitdrukking hebben gebracht tijdens het afleggen van hun verklaringen ter terechtzitting van het hof. Voor [slachtoffer 2] geldt dat zij verder moet leven met het gegeven dat haar ex-partner heeft geprobeerd haar te vermoorden. Het incident moet niet alleen voor de directe slachtoffers maar ook voor het oudste kind van [verdachte] en [slachtoffer 2], dat tijdens het incident ook in de woning was, een zeer bedreigende en angstige gebeurtenis zijn geweest. Een delict als het onderhavige schokt de rechtsorde en brengt bij de burgers angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg.

(Poging tot) moord is één van de meest ernstige inbreuken op de rechtsorde die het Nederlandse strafrecht kent. Op de bewezen verklaarde feiten dient dan ook met een langdurige vrijheidsstraf gereageerd te worden.

Het hof heeft geconstateerd dat verdachte - blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 6 april 2010 - niet eerder is veroordeeld ter zake van strafbare feiten.

Het hof heeft bij de bepaling van de strafmaat acht geslagen op de Pro Justitia rapporten d.d. 5 juli 2007 en 24 april 2009 opgemaakt door R.M. Coutinho, psychiater alsmede de Pro Justitia rapporten van 22 mei 2007 en 16 april 2009, opgemaakt door drs. J.C.J. Fischer, psycholoog.

Uit deze rapportages blijkt onder meer - zakelijk weergegeven - dat verdachte een man met een benedengemiddelde intelligentie die erg afhankelijk is van de aandacht en beschikbaarheid van een ander. Die heeft hij nodig voor zijn eigen zelfgevoel. Hij is latent su?cidaal. Verdachte heeft in de periode waarin de bewezen verklaarde feiten plaats vonden zowel alcohol als benzodiazepines (rustgevende middelen) misbruikt en was toen onder invloed van die middelen. Hij heeft een persoonlijkheidsstoornis met borderline en afhankelijke trekken. Dit uit zich in reactieve somberheid bij verlating en krenking. De reactie bestaat uit su?cidepogingen met als primair doel zich te verzekeren van de aandacht van anderen. Verdachtes klachten zijn in de periode na de bewezen verklaarde feiten verergerd. Hij is nog afhankelijker geworden van zijn partner dan voorheen. Vergeleken met het in 2007 opgemaakte rapport is zijn beperking in sociaal en relationeel functioneren toegenomen. Betrokkene komt in feite zijn huis niet meer uit. Hij is al vier jaar onder behandeling van de AFPN en maakt geen progressie. Volgens psychiater Coutinho is verdachte op basis van het huidige onderzoek detentieongeschikt, maar heeft detentieongeschiktheid altijd een tijdelijk karakter. De mate van detentieongeschiktheid hangt niet alleen af van de medische en psychiatrische diagnose, maar ook van de uitvoeringsmogelijkheden van een vrijheidsstraf. Deze factoren kunnen in tijd als variabelen worden gezien.

Gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten dient aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur opgelegd te worden. In de inhoud van de gedragskundige rapportages ziet het hof aanleiding de duur van de op te leggen gevangenisstraf enigszins te matigen aangezien op basis van die rapportages aannemelijk is dat de feiten verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend. Het hof acht verdachte niet zonder meer detentieongeschikt. Bij de tenuitvoerlegging van de verdachte op te leggen straf kan met zijn beperkingen rekening worden gehouden. Het is aannemelijk dat ook voor deze verdachte een passende detentieplaats gevonden kan worden.

Verder heeft het hof bij de bepaling van de straf rekening gehouden met het tijdsverloop in de fase van het hoger beroep. Verdachte heeft op 2 januari 2008 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Het dossier is op 5 februari 2008 bij het hof binnen gekomen. Op 21 november 2008 heeft het eerste onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep plaats gevonden. Het hof heeft het onderzoek ter terechtzitting toen geschorst voor onbepaalde tijd teneinde - mede op verzoek van de verdediging - nader onderzoek te laten plaatsvinden. Het onderzoek ter terechtzitting is op 22 oktober 2009 hervat. Op die terechtzitting is de deskundige Kerkhoff gehoord. Bij tussenarrest van 5 november 2009 heeft het hof bepaald dat het onderzoek diende te worden hervat teneinde de deskundige Kerkhoff nader te bevragen en eveneens twee getuigen te horen. Dat onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2010. Aldus is er tussen het instellen van het hoger beroep en de einduitspraak van het hof ruim twee jaar en vijf maanden verstreken. Gelet op de ingewikkeldheid van de zaak en de noodzaak tot nader onderzoek, acht het hof (nog) geen schending van de redelijke termijn in de zin van art. 6 EVRM aanwezig. Wel heeft verdachte langer dan wenselijk moeten wachten op een eindbeslissing van het hof. Dat dient te leiden tot enige matiging van de op te leggen straf.

Beslag

Het hof zal het in beslag genomen wapen (Norinco 311) onttrekken aan het verkeer. Met behulp van dit wapen zijn de bewezen verklaarde strafbare feiten begaan.

Het hof zal ook het wapen, merk Ranger, in een zwarte wapenkoffer, 96 stuks munitie, een patroonhouder en een korte houder onttrekken aan het verkeer. Deze aan verdachte toebehorende voorwerpen zijn van zodanige aard, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en met het algemeen belang. Zij zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane feiten aangetroffen en kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke feiten.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 36b, 36c, 36d, 45, 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte primair ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van zes jaren;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

verklaart aan het verkeer onttrokken:

een wapen, zwart, merk Ranger, bruine kolf en greep, in een zwarte wapenkoffer

een wapen, zwart, Norinco model 311, merk buckhorn

96 stuks munitie, Remington

een patroonhouder, zwart een korte houder.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. P. Koolschijn, voorzitter, mr. W. Foppen en mr. J. Hielkema, in tegenwoordigheid van mr. M. Zevenhuizen als griffier, zijnde mr. Foppen voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.