Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BN0417

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
28-06-2010
Datum publicatie
07-07-2010
Zaaknummer
24-003241-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt vrijgesproken van overtreding van art. 6 WvW94. Het hof is van oordeel dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte de motorrijder aan wie hij voorrang diende te verlenen niet heeft gezien, hoewel deze voor hem wel zichtbaar moet zijn geweest, niet kan volgen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan overtreding van art. 6 WvW94.

Verdachte wordt veroordeeld wegens overtreding van art. 5 WvW94 tot een geldboete van € 300,-, subsidiair 6 dagen hechtenis. Het hof is van oordeel dat, nu verdachte is gaan keren met zijn auto op een weg waar een maximumsnelheid van 80 km/h gold en hij hierbij met zijn auto dwars op de weg stil is gaan staan, verdachte concreet gevaar heeft veroorzaakt.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Wegenverkeerswet 1994 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Jwr 2010/62
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-003241-07

Parketnummer eerste aanleg: 19-606709-06

Arrest van 28 juni 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Assen van 18 december 2007 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1957] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. E. van der Meer, advocaat te Leeuwarden.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Assen heeft de verdachte bij het vonnis vrijgesproken van het ten laste gelegde.

Gebruik van het rechtsmiddel

De officier van justitie is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen. Hij heeft dit hoger beroep aan verdachte doen betekenen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het verdachte primair ten laste gelegde bewezen zal verklaren en hem ter zake zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden, voorwaardelijk, met een proeftijd voor de duur van twee jaren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

primair

hij op of omstreeks 08 oktober 2006 te [plaats], gemeente [gemeente], als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de [straat] zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, nabij perceelnummer 6 met zijn auto op die weg is gaan keren en/of bij deze bijzondere manoeuvre met zijn auto dwars op de weg is komen te staan, waarbij een op die weg naderende bestuurder van een motor tegen de door verdachte bestuurde auto is aangereden/gebotst, waardoor die motorrijder (genaamd [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel, te weten diverse botbreuken en/of een longkneuzing en/of een passagier op die motor (genaamd [slachtoffer 2]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een openbeenfractuur en/of een onderbeenfractuur en/of een ribfractuur, of zodanig lichamelijk letsel(s) werd(en) toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, ter zake dat

hij op of omstreeks 08 oktober 2006 te [plaats], gemeente [gemeente], als bestuurder van een voertuig (auto), daarmee rijdende op de weg, de [straat], nabij perceelnummer 6 met zijn auto op die weg is gaan keren en/of bij deze bijzondere manoeuvre met zijn auto dwars op de weg is komen te staan, waarbij een op die weg naderende bestuurder van een motor tegen de door verdachte bestuurde auto is aangereden/gebotst, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Vrijspraak

Door de raadsman is ter zitting aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde, nu de gedraging van verdachte niet als aanmerkelijk onvoorzichtig kan worden aangemerkt.

Het hof overweegt als volgt.

Om ter zake van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 tot een veroordeling te kunnen komen is vereist dat de verdachte zich zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of roekeloos heeft gedragen.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat verdachte, toen bleek dat hij verkeerd gereden was, zijn auto wilde keren. Verdachte is op de parallelweg gaan rijden, is aldaar gestopt en hij is - nadat hij zich ervan had vergewist dat er zich geen ander verkeer op de weg bevond - op de weg gaan keren. Bij deze bijzondere verrichting is verdachte met zijn auto dwars op de weg stil gaan staan en is een motorrijder, die plotseling met de auto van verdachte werd geconfronteerd, tegen de auto van verdachte gebotst. Hierdoor zijn de motorrijder en diens bijrijder ernstig gewond geraakt.

Hoewel, zoals ook blijkt uit artikel 54 Reglement verkeersregels en verkeerstekens, bestuurders die een bijzondere manoeuvre uitvoeren - zoals keren op de weg - het overige verkeer voor moeten laten gaan is het hof van oordeel dat het enkele feit dat verdachte geen voorrang heeft verleend aan de motorrijder niet kan leiden tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde.

Zoals hierboven aangegeven dient er, om tot een veroordeling ter zake artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 te kunnen komen, sprake te zijn van een aanmerkelijke mate van onvoorzichtigheid. Het hof is van oordeel dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte de motorrijder aan wie hij voorrang diende te verlenen niet heeft gezien, hoewel deze voor hem wel zichtbaar moet zijn geweest, niet kan volgen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994. Het hof zal verdachte daarom vrijspreken van het primair ten laste gelegde.

Bewijsoverweging

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Om ter zake van artikel 5 Wegenverkeerswet 1994 tot een veroordeling te kunnen komen is vereist dat de gedraging van verdachte zodanig is geweest dat daardoor het verkeer op de weg in gevaar is gebracht of dat het verkeer is gehinderd. Het artikel stelt als minimumeis een zekere mate van concreet gevaarscheppend gedrag. Nu verdachte is gaan keren met zijn auto op een weg waar een maximumsnelheid van 80 km/h gold en hij hierbij met zijn auto dwars op de weg stil is gaan staan is het hof van oordeel dat verdachte concreet gevaar heeft veroorzaakt.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

subsidiair

hij op 8 oktober 2006 te [plaats], gemeente [gemeente], als bestuurder van een voertuig (auto), daarmee rijdende op de weg, de [straat], nabij perceelnummer 6, met zijn auto op die weg is gaan keren en bij deze bijzondere manoeuvre met zijn auto dwars op de weg is komen te staan, waarbij een op die weg naderende bestuurder van een motor tegen de door verdachte bestuurde auto is aangereden, door welke gedraging van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op de overtreding:

subsidiair: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van gevaar en hinder op de weg door met zijn auto op de weg te gaan keren en daarbij dwars op de weg stil te gaan staan. Hierdoor heeft een ernstig verkeersongeluk plaatsgevonden. De omstandigheid dat verdachte wordt vrijgesproken van het primair ten laste gelegde laat onverlet dat er een causaal verband is tussen het verkeersgedrag van verdachte en het zwaar lichamelijk letstel van de motorrijder en diens bijrijdster. Dit ongeval heeft diepingrijpende nadelige gevolgen gehad voor de kwaliteit van leven van de beide slachtoffers. Ter zitting van het hof is gebleken dat verdachte zich hiervan bewust is.

Het hof houdt ten gunste van verdachte rekening met diens blanco strafblad en diens persoonlijke omstandigheden zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof zal een lagere straf opleggen dan door de advocaat-generaal is gevorderd nu het hof verdachte vrij zal spreken van het primair ten laste gelegde.

Het hof is van oordeel dat voor een overtreding van artikel 5 Wegenverkeerswet 1994 in beginsel een geldboete van vijfhonderd euro een passende sanctie is. Het hof zal echter gezien het tijdsverloop hiervan afwijken, in die zin dat aan verdachte een lagere geldboete zal worden opgelegd.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en artikel 5 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het verdachte subsidiair ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een geldboete van driehonderd euro;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van zes dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

Dit arrest is aldus gewezen door mr. A.J. Rietveld, voorzitter, mr. S.H. Wachter en mr. J.P. van Stempvoort, in tegenwoordigheid van H. Pool als griffier, zijnde mr. Van Stempvoort voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.