Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BN0383

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
02-07-2010
Datum publicatie
06-07-2010
Zaaknummer
24-001423-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewezen verklaard is:

mishandeling

en

wederspannigheid

en

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat aan een ander toebehoort vernielen.

Uit hetgeen de verdachte en zijn raadsman hebben aangevoerd komt naar voren dat het leven van de verdachte thans goed op orde is, in die zin dat er sinds de bewezen verklaarde delicten zich hebben afgespeeld geen nieuwe contacten met de politie en justitie meer zijn geweest, dat de onderlinge verhoudingen binnen de familie van de verdachte inmiddels weer goed zijn, dat de verdachte zijn huisvesting en werk op orde heeft en aan schuldsanering werkt.

Het hof wil deze positieve ontwikkelingen in het leven van de verdachte ondersteunen en zal daarom een deel van de in eerste aanleg opgelegde en thans opnieuw door de advocaat-generaal gevorderde werkstraf in voorwaardelijke vorm opleggen.

Volgt oplegging van een werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis, waarvan 30 uren, subsidiair 15 dagen vervangende hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

De vordering na voorwaardelijke veroordeling wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 24-001423-09

parketnummers eerste aanleg: 17-756327-08 en 17-675577-07 (vordering na voorwaardelijke veroordeling)

Arrest van 2 juli 2010 van het gerechtshof Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Leeuwarden van

19 mei 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1989] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman, mr. G.A. Pots, advocaat te Leeuwarden.

Het vonnis waartegen het beroep is gericht

De politierechter in de rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het hierboven genoemde vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf en heeft op een vordering na voorwaardelijke veroordeling beslist, zoals in dat vonnis is omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde zal veroordelen tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering na voorwaardelijke veroordeling zal afwijzen.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

1.

hij op of omstreeks 16 augustus 2008 te [plaats] opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), (met kracht) met zijn hand(en) tegen het lichaam heeft geduwd, waardoor deze [slachtoffer] op de grond is gevallen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 16 augustus 2008 te [plaats] toen de aldaar dienstdoende verbalisanten [verbalisant 1], brigadier van de politie en/of [verbalisant 2], aspirant van de politie, verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht (mishandeling), in elk geval op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, op heterdaad ontdekt, had(den) aangehouden en vastgegrepen, althans vast had(den) teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten het politiebureau te [plaats], zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtena(a)r(en), werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner/hunner bediening, door opzettelijk gewelddadig te trekken in de tegenovergestelde richting van die in welke verbalisanten verdachte wilden brengen en/of (vervolgens nadat verbalisant [verbalisant 1] verdachte in het gezicht met pepperspray had gespoten) weg te rennen;

3.

hij op of omstreeks 14 augustus 2008 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk een ruit (van een woning aan de [adres]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan woningbouwvereniging "[bedrijf]", in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 16 augustus 2008 te [plaats] opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [slachtoffer], met kracht met zijn handen tegen het lichaam heeft geduwd, waardoor deze [slachtoffer] op de grond is gevallen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

2.

hij op 16 augustus 2008 te [plaats] toen de aldaar dienstdoende verbalisanten [verbalisant 1], brigadier van de politie, en [verbalisant 2], aspirant van de politie, verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 300 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (mishandeling), op heterdaad ontdekt, hadden aangehouden en vastgegrepen, teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten het politiebureau te [plaats], zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening hunner bediening, door opzettelijk te trekken in de tegenovergestelde richting van die in welke verbalisanten verdachte wilden brengen;

3.

hij op 14 augustus 2008 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een woning aan de [adres] B, toebehorende aan woningbouwvereniging "[bedrijf]", heeft vernield.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte als voormeld onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

feit 1 -

mishandeling;

feit 2 -

wederspannigheid;

feit 3 -

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat aan een ander toebehoort vernielen.

Strafbaarheid

Het hof acht de verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de in hoger beroep op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder die feiten zijn begaan en de persoon van de verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Op 16 augustus 2008 heeft de verdachte zijn zus, [slachtoffer], mishandeld. De verdachte heeft met zijn handelen een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn zus en heeft haar pijn en letsel toegebracht.

De verdachte heeft zich op vervolgens schuldig gemaakt aan wederspannigheid na zijn aanhouding door de politie ter zake van bovengenoemde mishandeling. De verdachte heeft door zijn handelen blijk gegeven van een gebrek aan respect jegens de betreffende agenten en heeft het gezag van de politie ondermijnd.

Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan vernieling. De verdachte heeft door dit handelen aan een ander financiële schade en hinder toegebracht en heeft er blijk van gegeven weinig respect te hebben voor de eigendomsrechten van die ander.

Het hof heeft bij de straftoemeting tevens rekening gehouden met het ad informandum gevoegde feit op de inleidende dagvaarding, welk feit de verdachte ter terechtzitting heeft erkend en dat hiermee is afgedaan.

Uit het de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 9 maart 2010 blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld ter zake van (andersoortige) strafbare feiten.

Het hof heeft voorts gelet op hetgeen de verdachte en zijn raadsman ter terechtzitting van het hof hebben aangevoerd met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en met hetgeen daaromtrent overigens is gebleken uit het strafdossier.

Uit hetgeen de verdachte en zijn raadsman ter zitting hebben aangevoerd komt naar voren dat het leven van de verdachte thans goed op orde is, in die zin dat er sinds de bewezen verklaarde feiten geen nieuwe contacten met de politie en justitie meer zijn geweest, dat de onderlinge verhoudingen binnen de familie van de verdachte inmiddels weer goed zijn en dat de verdachte zijn huisvesting en werk op orde heeft en aan de sanering van zijn schulden werkt.

Het hof wil deze positieve ontwikkelingen in het leven van de verdachte ondersteunen en zal daarom een deel van de in eerste aanleg opgelegde en thans opnieuw door de advocaat-generaal gevorderde werkstraf in voorwaardelijke vorm opleggen. Het voorwaardelijk op te leggen deel strekt er mede toe verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten te plegen.

Tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank [plaats] van 21 februari 2008 is de veroordeelde veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 24 uren, subsidiair 12 dagen jeugddetentie voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

Blijkens het onderzoek ter terechtzitting van het hof is voormeld vonnis onherroepelijk geworden op 7 maart 2008. De proeftijd is op 7 maart 2008 ingegaan.

De officier van justitie heeft op 24 maart 2009 gevorderd dat last zal worden gegeven tot tenuitvoerlegging van voormelde voorwaardelijke straf, ten aanzien waarvan bij voormeld vonnis het bevel was gegeven, dat deze straf voorwaardelijk niet zou worden ten uitvoer gelegd, op de grond dat de veroordeelde zich voor het einde van voormelde proeftijd heeft schuldig gemaakt aan de thans aan de orde zijnde ten laste gelegde feiten.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal het standpunt van het openbaar ministerie gewijzigd, in die zin dat hij heeft gevorderd dat het hof de vordering na voorwaardelijke veroordeling zal afwijzen.

Nu gebleken is dat de veroordeelde de thans aan de orde zijnde bewezen verklaarde feiten heeft begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd, is het hof van oordeel dat in beginsel de tenuitvoerlegging kan worden gelast van voormelde werkstraf.

Gelet echter op hetgeen hierboven bij de strafmotivering is aangegeven omtrent het oordeel van het hof om de verdachte te ondersteunen in zijn positieve ontwikkeling, zal het hof geen last tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde werkstraf geven, maar zal het hof de vordering na voorwaardelijke veroordeling afwijzen.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63, 180, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waartegen het beroep is gericht, en opnieuw recht doende:

verklaart het aan de verdachte onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en de verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte als voormeld onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte [verdachte] tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van tachtig uren, met het bevel dat, voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van veertig dagen zal worden toegepast;

beveelt dat een gedeelte van de werkstraf groot dertig uren, subsidiair vijftien dagen vervangende hechtenis, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op de grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht bij de uitvoering van de voormelde werkstraf geheel in mindering wordt gebracht, berekend naar de maatstaf van twee uren werkstraf per dag;

wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de straf die aan de veroordeelde voorwaardelijk is opgelegd bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Leeuwarden van 21 februari 2008.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H.M.E. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg, voorzitter, mr. P.J.M. van den Bergh en mr. H.J. de Ruijter, in tegenwoordigheid van H. Kingma als griffier. Mrs. P.J.M. van den Bergh en H.J. de Ruijter zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.