Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BN0280

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
22-06-2010
Datum publicatie
05-07-2010
Zaaknummer
24-001244-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verwijzing Hoge Raad.

Verdachte wordt vrijgesproken ter zake het (opzettelijk) voordeel trekken uit de opbrengst van een door misdrijf verkregen goed - te weten een door valsheid in geschrift verkregen uitkering van zijn toenmalige partner. Niet bewezen kan worden dat verdachte voordeel heeft getrokken uit de uitkeringsgelden van zijn toenmalige partner.

Afwijzing vordering TUL.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-001244-09

Parketnummers eerste aanleg: 08-020099-02 en 08-020024-01 (TUL zaak)

Arrest van 22 juni 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden, in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1963] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. A.P. Drosten, advocaat te Enschede.

Bij arrest van 10 maart 2009 van de Hoge Raad is het arrest van het gerechtshof te Arnhem van 26 januari 2007 vernietigd en is de zaak naar dit hof verwezen opdat de zaak op het bestaande hoger beroep tegen het vonnis d.d. 27 november 2003 van de politierechter in de rechtbank Almelo opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Het vonnis waartegen het beroep is gericht

De politierechter in de rechtbank Almelo heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot straffen en heeft op een vordering tot tenuitvoerlegging beslist, zoals in dat vonnis is omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting na verwijzing

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep en in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte ter zake het primair ten laste gelegde zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van veertig uren subsidiair

20 dagen vervangende hechtenis. Daarnaast heeft de advocaat-generaal de tenuitvoerlegging gevorderd van de gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, de veroordeelde voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Almelo d.d. 21 maart 2002, met dien verstande dat het hof deze gevangenisstraf zal omzetten in een werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair te vervangen door 40 dagen hechtenis.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

hij in of omstreeks het tijdvak van 1 maart 2002 tot 29 november 2002, in de gemeente [gemeente], in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk uit de opbrengst van (een) door valsheid in geschrift, in elk geval door misdrijf, verkregen geldbedrag(en) voordeel heeft getrokken, door (telkens) opzettelijk (een deel van) de geheel of gedeeltelijk met die/dat geldsbedrag(en) betaalde goederen aan te nemen en/of voor eigen gebruik aan te wenden, en/of door (telkens) opzettelijk (mede) gebruik te maken van geheel of gedeeltelijk met die/dat geldsbedrag(en) betaalde goederen en/of diensten en/of voorzieningen, wetende dat die goederen en/of diensten en/of voorzieningen geheel of gedeeltelijk werden betaald van een uitkering krachtens de Algemene Bijstandswet, welke door een persoon, genaamd [medeverdachte], - met wie verdachte samenwoonde - geheel of gedeeltelijk door valsheid in geschrift, in elk geval door enig misdrijf was verkregen;

althans, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, subsidiair terzake dat

hij in of omstreeks het tijdvak van 1 maart 2002 tot 29 november 2002 in de gemeente [gemeente], in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) uit de opbrengst van (een) door valsheid in geschrift, in elk geval door misdrijf, verkregen geldbedrag(en) voordeel heft getrokken, terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof, door (telkens) (een deel van) de geheel of gedeeltelijk met die/dat geldsbedrag(en) betaalde goederen aan te nemen en/of voor eigen gebruik aan te wenden, en/of door (telkens) (mede) gebruik te maken van geheel of gedeeltelijk met die/dat geldsbedrag(en) betaalde goederen en/of diensten en/of voorzieningen, terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat die goederen en/of diensten en/of voorzieningen geheel of gedeeltelijk werden betaald van een uitkering krachtens de Algemene Bijstandswet, welke door een persoon, genaamd [medeverdachte], - met wie verdachte samenwoonde - geheel of gedeeltelijk door valsheid in geschrift, in elk geval door enig misdrijf was verkregen.

Vrijspraak

Verdachte wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk voordeel trekken uit de opbrengst van een door misdrijf verkregen goed - te weten een door valsheid in geschrift verkregen uitkering van zijn toenmalige partner, [medeverdachte] - dan wel dat hij hieruit voordeel heeft getrokken terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Verdachte heeft ontkend dat hij in de ten laste gelegde periode met [medeverdachte] heeft samengewoond en opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de door haar in die periode ontvangen uitkering.

De raadsman van verdachte stelt zich op het standpunt dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het hem ten laste gelegde nu niet uit het dossier is af te leiden dat verdachte voordeel heeft getrokken uit de door [medeverdachte] in die periode ontvangen uitkering.

Op grond van de inhoud van het strafdossier acht het hof bewezen dat verdachte en

[medeverdachte] in de ten laste gelegde periode samenwoonden op het adres [adres] te [woonplaats] en dat [medeverdachte] in deze periode een door valsheid in geschrift verkregen uitkering ontving.

De vraag die het hof vervolgens dient te beantwoorden is of verdachte van [medeverdachte] ten laste van haar uitkering gedane uitgaven, voordeel heeft getrokken.

Uit de weergave van een aantal credit- en debetposten, ontleend aan de bankafschriften van een op naam van [medeverdachte] staande bankrekening over de periode van 1 maart 2002 tot en met 7 augustus 2002, blijkt naar het oordeel van het hof niet dat verdachte geprofiteerd heeft van de uitgaven die [medeverdachte] heeft gedaan. Zo blijkt niet waarop de debetpost Tele2 betrekking heeft. Niet vast te stellen is of dit de kosten betreffen van een vaste telefoonaansluiting op het adres [adres] of een mobiele aansluiting van [medeverdachte]. Daarnaast kan naar het oordeel van het hof niet uit de betalingen aan [bedrijf] afgeleid worden dat verdachte van [medeverdachte] ten laste van haar uitkering gedane uitgaven voor de dagelijkse boodschappen heeft geprofiteerd. Het hof acht het een feit van algemene bekendheid dat twee personen van dusdanig lage bedragen geen drie weken in hun levensonderhoud kunnen voorzien.

Het hof is voorts van oordeel dat noch uit de overige debetposten noch uit de overige in het dossier aanwezige stukken afgeleid kan worden dat verdachte van [medeverdachte] ten laste van haar uitkering gedane uitgaven voordeel heeft getrokken. Het hof merkt hierbij nog op dat verdachte in de ten laste gelegde periode beschikte over inkomsten uit dienstbetrekking hetgeen erop kan duiden dat verdachte juist betalingsverplichtingen voor zijn rekening heeft genomen.

Gelet op het vorenstaande kan niet bewezen worden dat verdachte voordeel heeft getrokken uit de uitkeringsgelden van [medeverdachte].

Reeds op grond daarvan dient de verdachte vrijgesproken te worden van het hem primair en subsidiair ten laste gelegde. Dit brengt tevens mee dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis d.d. 21 maart 2002 van de politierechter te Almelo opgelegde straf moet worden afgewezen.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. A.J. Rietveld, voorzitter, mr. S.H. Wachter en mr. J.A. Wiarda, in tegenwoordigheid van mr. L.W. van Campen als griffier.

Mr. Wiarda is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.