Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BM9900

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
26-03-2010
Datum publicatie
12-08-2010
Zaaknummer
200.047.706
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Officiersappel. De relatieve bevoegdheid van de kantonrechter wordt bepaald door de in de beschikking vermelde pleegplaats, ook als die pleegplaats onjuist is.

Wetsverwijzingen
Besluit nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen 12
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 6
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 9
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 10
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 11
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 13
Wet op de rechterlijke organisatie 41
Wet op de rechterlijke organisatie 41
Wet op de rechterlijke organisatie 47
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2010/55
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.047.706

26 maart 2010

CJIB 110366551

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam

van 22 juni 2009

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam genomen beslissing gegrond verklaard en de inleidende beschikking vernietigd.

De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De officier van justitie heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Ter zitting van de kantonrechter van 22 juni 2009 heeft de officier van justitie de plaats van de gedraging in de inleidende beschikking gewijzigd van Vlaardingseweg te Schiedam in Vlaardingweg te Rotterdam. Bij de bestreden beslissing heeft de kantonrechter het beroep van de betrokkene wegens de foutieve vermelding van de plaats van de gedraging gegrond verklaard.

2. Het beroep van de officier van justitie houdt - zakelijk weergegeven - in dat, nu de gedraging is verricht in Rotterdam, de kantonrechter te Schiedam ingevolge de artikelen 6, 9 en 10 WAHV niet bevoegd was over de zaak te oordelen. Op die grond dient de beslissing d.d. 17 juli 2009 van de kantonrechter te Schiedam te worden vernietigd en de zaak te worden teruggewezen naar de kantonrechter te Rotterdam.

3. Artikel 41, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie (Wet RO) houdt in:

"De rechtbank is gevestigd in de hoofdplaats van het arrondissement."

Het tweede lid houdt in: "Nevenvestigingsplaatsen van de rechtbank zijn vermeld in de bij deze wet behorende bijlage. (…). Tevens kunnen bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld voor de verdeling van zaken over de hoofdplaats en de nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen."

In de bijlage als bedoeld in artikel 41, tweede lid, is onder meer Schiedam aangewezen als nevenvestigingsplaats van de rechtbank Rotterdam.

4. Artikel 47, tweede lid, van de Wet RO houdt in: "De sector kanton verricht zijn taken in de arrondissementshoofdplaats alsmede in de nevenvestigingsplaatsen die krachtens artikel 41, tweede lid zijn aangewezen."

5. Artikel 12, eerste lid, van het Besluit nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen houdt in:

"Bij het bepalen van de plaats in een arrondissement waar een kantonzaak wordt behandeld, geldt de in de bijlage bij dit besluit opgenomen gebiedsindeling en zijn de regels voor de relatieve competentie van de rechtbanken van overeenkomstige toepassing."

6. Artikel 6, eerste lid. WAHV houdt in: "Tegen de oplegging van een administratieve sanctie kan degene tot wie de beschikking is gericht, beroep instellen bij de officier van justitie in het arrondissement waar de gedraging is verricht. Indien niet kan worden vastgesteld in welk arrondissement de gedraging is verricht, kan beroep worden ingesteld bij de officier van justitie in het arrondissement van de woonplaats van de betrokkene."

7. Met ingang van 1 december 2005 is de bevoegdheid van de hoofdofficier van justitie van het arrondissement Rotterdam om in zijn naam te beslissen op de beroepschriften en/of bezwaarschriften die voortvloeien uit de WAHV gemandateerd aan de officier van justitie bij de CVOM (Stcrt. 6 februari 2006, nr. 26/pag.15).

8. Artikel 9, eerste lid, WAHV houdt in: "Tegen de beslissing van de officier van justitie kan degene die administratief beroep heeft ingesteld, beroep instellen bij de rechtbank; het beroep wordt berecht en behandeld door de kantonrechter. In afwijking van artikel 6:4, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, wordt het beroepschrift ingediend bij de officier van justitie die ingevolge artikel 6, eerste lid, WAHV op het administratief beroep heeft beslist.

9. Artikel 10 WAHV houdt in: "De officier van justitie brengt het beroepschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken ter kennis van de rechtbank van het arrondissement waarin de gedraging is verricht, dan wel, in het geval bedoeld in artikel 6, eerste lid, tweede volzin, bij de rechtbank van het arrondissement waarin de woonplaats van de betrokkene is gelegen."

10. Het beroepschrift van de betrokkene d.d. 7 november 2007, gericht tegen de beslissing van de officier van justitie, houdt onder meer het volgende in: "In Schiedam bestaat geen Vlaardingweg. Deze ligt in Rotterdam. De overtreding is niet begaan in Schiedam. Op de bekeuring staat dus de verkeerde locatie vermeld en is dus mijns inziens niet geldig."

Uit het dossier blijkt dat de officier van justitie niet gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid op grond van artikel 11, tweede lid, WAHV om, na ontvangst van het beroepschrift en voorafgaand aan het ter kennis brengen van het beroepschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank, de aangeduide pleeglocatie te wijzigen. De officier van justitie heeft het beroepschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken ter kennis gebracht van de rechtbank van het arrondissement Rotterdam, sector kanton Schiedam.

Blijkens zijn tussenbeslissing d.d. 18 september 2008 heeft de kantonrechter in het beroep van de betrokkene aanleiding gezien de officier van justitie op te dragen nader onderzoek te verrichten naar de plaats waar de gedraging is verricht. Op grond van dat nader onderzoek heeft de officier van justitie ter zitting van 22 juni 2009 de plaats van de gedraging gewijzigd in Vlaardingweg Rotterdam, zoals onder 1. vermeld.

11. Gelet op de omstandigheid dat de inleidende beschikking inhoudt dat de gedraging zou zijn verricht op de Vlaardingseweg te Schiedam en de plaats van de gedraging door de officier van justitie niet voorafgaand aan het ter kennis brengen van het beroepschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank is gewijzigd, was - gelet op de relatieve competentie van de kantonrechter, zoals blijkt uit artikel 12, eerste lid, van het in overweging 5 genoemde Besluit - de kantonrechter te Schiedam bevoegd van de zaak kennis te nemen. De omstandigheid, dat ter zitting van 22 juni 2009 de plaats van de gedraging is gewijzigd brengt daarin geen verschil.

12. Het voorgaande brengt mee dat het beroep van de officier van justitie ongegrond is. Nu de officier van justitie overigens geen gronden heeft aangevoerd die tot vernietiging van de beslissing van de kantonrechter zouden kunnen leiden, zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

Beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Beswerda en Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Zomer als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting, zijnde mr. Beswerda buiten staat dit arrest te ondertekenen.