Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BM8759

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
18-06-2010
Datum publicatie
23-06-2010
Zaaknummer
BK 144/09 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of de door belanghebbende gedane uitgaven voor borstimplantaten ziektekosten zijn in de zin van artikel 6.17, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en de inspecteur ontkennend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-1561
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

kenmerk: 144/09

uitspraakdatum: 18 juni 2010

uitspraak van de tweede enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

mevrouw X, wonende te Z,

belanghebbende

tegen de uitspraak in de zaak met nummer AWB 08/1725 van de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) van 17 september 2009, in het geding tussen

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Leeuwarden,

de inspecteur

en

belanghebbende.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Met dagtekening 22 februari 2008 heeft de inspecteur aan belanghebbende een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2006 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.519.

1.2 Het tegen de onder 1.1 vermelde aanslag ingediende bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak van 30 juni 2008 ongegrond verklaard.

1.3 Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft bij de bestreden uitspraak van 17 september 2009, verzonden op dezelfde dag, het beroep ongegrond verklaard.

1.4 Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld. Het beroepschrift (met bijlagen) is op 29 oktober 2009 bij het hof ingekomen. Op 11 december 2009 heeft de inspecteur een verweerschrift ingediend.

1.5 Het hof heeft het hoger beroep ter zitting van 11 mei 2010 behandeld. Ter zitting zijn verschenen A als de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur B, bijgestaan door C. Ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende een pleitnota overgelegd en voorgelezen.

1.6. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Feiten

Voor de feiten gaat het hof uit van hetgeen onder 1.1 tot en met 1.5 staat vermeld in de uitspraak van de rechtbank. Het hof heeft deze feiten hieronder opgenomen als 2.1 tot en met 2.5. Over deze feiten bestaat tussen partijen geen geschil, zodat het hof daarvan zal uitgaan. In die uitspraak zijn de feiten als volgt weergegeven (waarbij het hof opmerkt dat de rechtbank belanghebbende 'eiseres' noemt en de inspecteur 'verweerder').

"2.1 Eiseres is geboren op .. maart 19.. en gehuwd met de heer D. Gedurende 2006 leefden eiseres en haar echtgenoot duurzaam gescheiden.

2.2 Eiseres voerde gedurende 2006 samen met haar dochter, E, geboren op .. juni 19.., een gezamenlijke huishouding.

2.3 Eiseres' dochter heeft in 2006 een borstvergrotende operatie ondergaan, waarbij twee borstimplantaten zijn ingebracht. De kosten hiervan bedroegen € 3.990.

2.4 De kosten van voormelde operatie zijn niet door de zorgverzekeraar vergoed. Eiseres heeft deze kosten voor haar dochter betaald.

2.5 Verweerder heeft de kosten van de operatie tot een bedrag van € 3.990 als uitgaven voor geneeskundige hulp in de zin van artikel 6.17 eerste lid, onderdeel a Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) bij eiseres in aftrek toegelaten. In zijn brief aan eiseres van 12 juni 2008 schrijft verweerder onder andere:

"Deze aftrek is bij de behandeling van de definitieve aanslag (bij de overige uitgaven) meegenomen. Hierop wordt door mij niet teruggekomen"."

3. Geschil

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of de door belanghebbende gedane uitgaven voor borstimplantaten ziektekosten zijn in de zin van artikel 6.17, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en de inspecteur ontkennend.

3.2 Ter onderbouwing van haar standpunt stelt belanghebbende dat haar dochter psychisch leed onder de omstandigheid dat zij door een aangeboren afwijking nauwelijks borstontwikkeling had.

Belanghebbende wil vervolgens dat de borstimplantaten als hulpmiddel worden aangemerkt als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001. Hierdoor komt zij in aanmerking voor het forfait wegens chronische ziekte van een kind als bedoeld in artikel 6.22 Wet IB 2001 en voor de verhogingsfactor van artikel 6.24 Wet IB 2001.

Voor haar stelling dat de borstimplantaten hulpmiddelen zijn verwijst belanghebbende naar het Besluit van de staatssecretaris van 15 december 2005, nr. CPP2005/2639M (: het Besluit), waarin onder punt 2.a.26.3. wordt omschreven wanneer pruiken ten aanzien van een 24-jarige WSF-student hulpmiddelen zijn als hiervoor bedoeld. Zij wil dat de onderhavige borstimplantaten op dezelfde wijze worden behandeld als pruiken.

Ten slotte stelt belanghebbende dat borstimplantaten voldoen aan de omschrijving van artikel 6.17, tweede lid, van de Wet IB 2001, waarin als hulpmiddel mede worden aangemerkt een middel dat de persoon in staat stelt tot het verrichten van een normale lichaamsfunctie waartoe hij zonder dat middel niet in staat zou zijn.

3.3 De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank, waarbij hij opmerkt dat hij - anders dan de rechtbank onder 2.4 van haar uitspraak heeft opgenomen - van mening is (en ten tijde van het beroep bij de rechtbank ook was) dat de kosten van de borstimplantatie geen ziektekosten zijn. Belanghebbende heeft naar de mening van de inspecteur namelijk niet aangetoond dat bij haar dochter sprake was van een ziekte op grond waarvan de ingreep van de borstimplantatie medisch noodzakelijk was.

Indien de kosten van de borstimplantatie wel aangemerkt moeten worden als ziektekosten, stelt de inspecteur zich op het standpunt dat de borstimplantaten geen hulpmiddel zijn. Het verlies van de zelfstandigheid na het inbrengen van die implantaten in het lichaam staat de kwalificatie als hulpmiddel in de weg, aldus de inspecteur.

3.4 Voor een meer uitvoerige motivering van de standpunten van de partijen verwijst het hof naar de gedingstukken en hetgeen ter zitting van de rechtbank en het hof is aangevoerd.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1 De rechtbank heeft in haar uitspraak geoordeeld dat belanghebbendes beroep ongegrond is. Daartoe heeft de rechtbank - kort samengevat - onder andere overwogen dat de borstimplantaten na het inbrengen daarvan in het lichaam hun zelfstandigheid verliezen en daardoor gelet op het arrest van de Hoge Raad van 21 november 1990, nr. 26 895, geen hulp- of kunstmiddel is.

4.2 De rechtbank is in haar uitspraak uitgegaan van de omstandigheid dat tussen partijen niet in geschil is dat de kosten van de onderhavige borstvergrotende operatie als uitgaven voor geneeskundige hulp in de zin van artikel 6.17, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001 bij belanghebbende in aftrek kunnen worden gebracht (zie 2.4 van haar uitspraak).

In hoger beroep stelt de inspecteur nadrukkelijk dat dit wel in geschil is. De vraag of de borstimplantaten een hulpmiddel zijn is niet alleen in geschil. De inspecteur is van mening dat de aftrek ten onrechte is verleend, maar geeft aan daarop niet terug te komen. Gelet op hetgeen de inspecteur in geschil heeft gebracht, zal het hof eerst beoordelen of de kosten van de borstvergrotende operatie van belanghebbendes dochter ziektekosten zijn.

4.3 Ingevolge artikel 6.17, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001 worden als uitgaven wegens ziekte, invaliditeit en bevalling aangemerkt de daarmee verband houdende uitgaven voor genees-, heel- en verloskundige hulp, met inbegrip van farmaceutische en andere hulpmiddelen en vervoer.

4.4 Uit de woorden "daarmee verband houdende" blijkt, naar het oordeel van het hof, dat causaal verband tussen ziekte en uitgaven vereist is voor aftrekbaarheid van kosten in vorenbedoelde zin (vgl. HR 22 april 2005, nr. 39.416). De bewijslast voor dit causaal verband rust op belanghebbende. Zij dient aannemelijk te maken dat de kosten van de borstimplantatie terug zijn te voeren op een ziekte van haar dochter. Zij stelt daartoe dat haar dochter psychisch leed onder de omstandigheid dat zij door een aangeboren afwijking nauwelijks borstontwikkeling had. Zij verwijst ter onderbouwing van die stelling naar de brieven van F van 18 september 2006 en van 8 juli 2008, de behandelend plastisch chirurg, en naar het overzicht van de journaalregels uit de computer van de huisarts van haar dochter.

4.5 De onder 4.4 vermelde stukken zijn, naar het oordeel van het hof, onvoldoende om te oordelen dat belanghebbende in haar bewijslast is geslaagd. De journaalregels van de computer van de huisarts zijn - naar belanghebbendes gemachtigde ter zitting ook heeft erkend - slechts een omschrijving van de klachten zoals die door de dochter zelf aan de huisarts is gegeven. De enkele verwijzing door de huisarts van de dochter naar het Centrum voor Esthetische Chirurgie van het MCL is evenmin voldoende.

De brieven van F d.d. 18 september 2006 en 8 juli 2008 zeggen helemaal niets over het door belanghebbende gestelde psychisch lijden van haar dochter en hetgeen belanghebbende zelf als moeder ziet en constateert bij haar dochter kan evenmin als een verklaring van een objectief deskundige op psychisch gebied worden aangemerkt.

4.6 Het vorenoverwogene brengt mee dat de kosten van de borstimplantatie van belanghebbendes dochter niet als ziektekosten aftrekbaar zijn. Reeds hierom kan de gelijkstelling met de in onderdeel 2.a.26.3. van het Besluit omschreven aanschaf van pruiken voor een 24-jarige WSF-student niet aan de orde komen. In dat geval was namelijk wel sprake van een medische noodzaak. Aan de beoordeling of de borstimplantaten een hulpmiddel zijn komt het hof niet toe.

4.7 Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is. Het hof zal de uitspraak van de rechtbank, wat ook zij van de door haar gebezigde rechtsoverwegingen, bevestigen.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het gerechtshof

bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld door mr. G.M. van der Meer, voorzitter en raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier. De beslissing is op 18 juni 2010 in het openbaar uitgesproken.

Afschrift aangetekend aan partijen verzonden op 23 juni 2010

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.