Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BM8406

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
22-04-2010
Datum publicatie
30-07-2010
Zaaknummer
107.001.275/02
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wraking. Bevoegdheid rechter om te beletten dat getuige antwoord geeft op gestelde vraag (art. 179 lid 2 Rv) . Schijn van partijdigheid bij gebruikmaking van die bevoegdheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 22 april 2010

Rekestnummer 107.000.275/02

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Wrakingskamer

Beschikking in de zaak met zaaknummer 107.000.275/02 van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in het wrakingsincident,

hierna te noemen: [appellant],

behandelend advocaat: mr. R.J. Skála, kantoorhoudende te Haren,

strekkende tot wraking van

mr. X.,

raadsheer in dit hof,

verweerder.

Het verloop van de procedure

In de procedure die bij de sector civiel van het hof aanhangig is tussen [appellant] als appellant en de Korpsbeheerder van de Regiopolitie Drenthe, gevestigd te Assen

- hierna te noemen: de Regiopolitie - als geïntimeerde (met zaaknummer 107.000.275/01), heeft op 23 maart 2010 ten overstaan van mr. X als raadsheer-commissaris de contra-enquête plaatsgevonden.

Ter gelegenheid van deze contra-enquête heeft mr. Skála namens [appellant] een verzoek gedaan dat strekt tot wraking van mr. X. De gronden van het wrakingsverzoek zijn opgenomen in het proces-verbaal van de contra-enquête.

Mr. X heeft bij schrijven d.d. 1 april 2010 op het wrakingsverzoek gereageerd.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de wrakingskamer op 8 april 2010.

[appellant] was op die zitting vertegenwoordigd door zijn advocaat, mr. Skála.

Mr. Skála heeft het wrakingsverzoek mondeling toegelicht.

Mr. X heeft afgezien van de mogelijkheid zijn standpunt ten overstaan van de wrakingskamer mondeling toe te lichten.

De beoordeling

1. Op grond van artikel 6 van het EVRM en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten heeft een ieder - voor zover hier van belang - recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Als een partij op basis van feiten of omstandigheden van mening is dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, geeft artikel 36 Rv haar de mogelijkheid een verzoek tot wraking te doen van elk van de rechters die de zaak behandelen.

2. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter is uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procesdeelnemer dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

3. Mr. Skála heeft - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat hij de getuige [getuige], die de feitelijke leiding had tijdens de ontmanteling van de hennepkwekerij, heeft willen bevragen op tegenstrijdigheden in de door de getuige afgelegde verklaring en de verklaringen zoals die zijn afgelegd tijdens het in deze kwestie door de Regiopolitie zelf ingestelde integriteitsonderzoek. Mr. X besliste echter dat de getuige de vragen niet behoefde te beantwoorden, hetgeen volgens

mr. Skála duidt op een ongelijke behandeling, nu de advocaat van de Regiopolitie alle ruimte kreeg en deze geen vragen zijn geweigerd. Door deze ongelijke behandeling restte hem slechts het indienen van het onderhavig wrakingsverzoek, aldus mr. Skála.

4. Mr. X heeft in zijn reactie op het wrakingsverzoek naar voren

gebracht dat hij mr. Skála heeft meegedeeld dat het zijn goed recht was om de ongeloofwaardigheid van de getuige aan te tonen, maar dat dit dan via de weg zou moeten van inconsequenties en tegenstrijdigheden in de verklaring van de getuige aangaande aan het probandum gerelateerde feiten. Mr. X heeft voorts aangevoerd dat hij mr. Skála erop heeft gewezen dat hij het verband met het probandum niet zag, maar dat de vragen ook onnodig een incriminerend karakter hadden door het ter verantwoording roepen van de getuige en dat hij daarbij aan mr. Skála heeft verzocht zich te beperken tot vragen aangaande de feiten verband houdend met het probandum.

Mr. X is van mening dat mr. Skála de grenzen op drie punten heeft overschreden, te weten de vragen zagen niet op feiten, een voldoende verband van de vragen met het probandum was niet duidelijk en de vragen hadden tot doel de getuige te incrimineren.

Mr. X heeft bestreden dat er sprake was van ongelijke behandeling of partijdigheid zijnerzijds jegens mr. Skála; hij heeft betoogd dat niet alleen aan mr. Skála, maar ook aan de advocaat van de Regiopolitie vragen zijn ontzegd.

5. Vooropgesteld moet worden dat naar het oordeel van de wrakingskamer er geen grond is te veronderstellen dat mr. X in subjectieve zin blijk heeft gegeven van partijdigheid. In het kader van deze wrakingszaak dient daarom beoordeeld te worden of het handelen van mr. X als raadsheer-commissaris, in het licht van alle omstandigheden van het geval, aanleiding heeft gegeven voor het oordeel dat er sprake is van zwaarwegende aanwijzingen dat de bij [appellant] kennelijk bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.

6. Uitgangspunt is dat de behandelend raadsheer-commissaris de leiding ter zitting heeft en er uit dien hoofde onder meer voor heeft te waken dat er onbehoorlijke of suggestieve vragen worden gesteld. Dit vloeit voort uit art. 179 lid 2 Rv. Voor zover de vraagstelling van mr. Skála naar het oordeel van mr. X beschuldigend, dan wel suggestief is geweest, heeft hij op grond van de hem toekomende bevoegdheden terecht geoordeeld dat de getuige [getuige] die vragen niet behoefde te beantwoorden.

7. In casu gaat het om een contra-enquête ex art. 168 Rv, hetgeen impliceert dat het gaat om tegenbewijs met betrekking tot het aan [appellant] opgelegde probandum. Dit tegenbewijs kan al geleverd zijn indien daardoor voldoende twijfel wordt gezaaid omtrent de geloofwaardigheid van de verklaringen van de in enquête gehoorde getuigen. De wrakingskamer is van oordeel dat het tot de taak van de advocaat van [appellant] moet worden gerekend om een getuige - zonodig indringend - te confronteren met feiten en/of omstandigheden die afbreuk zouden kunnen doen aan de geloofwaardigheid van zijn verklaring. Nu het om de contra-enquête gaat, kon mr. Skála daarom niet het recht worden ontzegd vragen op dat punt te stellen. Dit klemt in dit geval te meer nu, naar mr. Skála tijdens de zitting heeft betoogd, het uitdrukkelijk in zijn bedoeling lag om de ongeloofwaardigheid van de getuige aan te tonen. Daartoe zag mr. Skála te meer aanleiding omdat tijdens het kennelijk door de Regiopolitie ingestelde integriteitsonderzoek, waarvan de rapportage overigens in de hoofdzaak niet is overgelegd, verklaringen zijn afgelegd die tegenstrijdig zouden zijn aan hetgeen de getuigen in de contra-enquête hebben verklaard. Het hof volgt mr. Skála in diens betoog dat in dit stadium van de procedure andere mogelijkheden om de geloofwaardigheid van de verklaring van de getuige ter discussie te stellen hem ontbraken.

8. Door de getuige [getuige] mee te delen niet tot beantwoording van de door mr. Skála gestelde vragen gehouden te zijn, heeft mr. X, gezien het karakter van de contra-enquête, dan ook ten onrechte mr. Skála beperkt in het bevragen van de getuige, hetgeen objectief bezien een schijn van partijdigheid heeft doen ontstaan.

Dat aan de advocaten van beide partijen vragen zijn ontzegd, maakt dit oordeel niet anders. De rol van de advocaat van de Regiopolitie in de contra-enquête is immers een andere dan die van mr. Skála.

9. Het wrakingsverzoek zal daarom worden toegewezen.

De beslissing

Het gerechtshof (wrakingskamer):

wijst het wrakingsverzoek toe.

Aldus gewezen door mrs. Wachter, voorzitter, Lahuis en Hofstee, leden, en

uitgesproken ter openbare zitting van dit hof van 22 april 2010 in bijzijn van de griffier.