Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BM8234

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
08-06-2010
Datum publicatie
18-06-2010
Zaaknummer
107.002.173/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzekeringsovereenkomst. Verwijzing bij aangaan van overeenkomst (art. 251 K). Tussenpersoon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 8 juni 2010

Zaaknummer 107.002.173/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in reconventie,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. P.R. van den Elst, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

Aegon N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,

hierna te noemen: Aegon,

advocaat: mr. J.B. Dijkema, kantoorhoudende te Leeuwarden.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 4 juli 2007 door de rechtbank Leeuwarden.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 287 september 2007 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van Aegon tegen de zitting van 31 oktober 2007.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"te vernietigen het vonnis op 4 juli 2007 door de rechtbank Leeuwarden tussen partijen onder zaak-/rolnummer 76343 / HA ZA 06-399 gewezen, en opnieuw recht doende bij arrest, voor zoveel mogelijk wettelijk uitvoerbaar bij voorraad,

I. voor recht te verklaren dat de buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging wegens een

beroep op artikel 251 WvK te kwalificeren is als een toerekenbare tekortkoming in de

nakoming jegens [appellant];

II. Aegon te veroordelen tot uitkering van de schade en de eventueel nog op te komen schade op grond van de verzekeringspolis;

III. Aegon te veroordelen tot prolongatie van de verzekeringspolis vanaf datum vonnis; IV. Aegon te veroordelen tot het vergoeden van schade geleden in de vorm van het betalen van aanzienlijk hogere premies als gevolg van royement door Aegon, welke schade nader dient te worden opgemaakt bij staat;

V. Aegon te veroordelen in de kosten vallende op beide instanties."

Bij memorie van antwoord is door Aegon verweer gevoerd met als conclusie:

"bij arrest uitvoerbaar bij voorraad het appel ongegrond te verklaren met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding"

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft dertien grieven opgeworpen.

De beoordeling

1. Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2 (2.1 t/m 2.9) in het bestreden vonnis is, behoudens ten aanzien van de vaststelling waartegen grief I is gericht, geen grief ontwikkeld, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan, zulks met inachtneming van hetgeen hierna met betrekking tot grief I zal worden overwogen.

2. Grief 1 klaagt dat de rechtbank in overweging 2.4 van het bestreden vonnis ten onrechte als vaststaand heeft aangemerkt dat de vader van [appellant] het aanvraagformulier naar Aegon heeft gestuurd.

Het hof overweegt dat inderdaad niet vaststaat dat de vader van [appellant] het formulier heeft opgestuurd. Zoals hierna onder 11. wordt overwogen heeft de tussenpersoon, [tussenpersoon], het aanvraagformulier opgestuurd naar Aegon. In zoverre wordt de grief derhalve terecht voorgedragen en zal het hof het bestreden feit niet als vaststaand aannemen. Voor de uitkomst van het geschil tussen partijen is dit echter, zoals hierna zal blijken, niet relevant.

De kern van het geschil

3. Het gaat in deze zaak om de vraag of Aegon zich terecht op het standpunt stelt, met een beroep op artikel 251 K (oud), niet gehouden te zijn tot uitkering van de door [appellant] geleden schade.

4. [appellant] stelt zich op het standpunt dat Aegon op grond van de op 25 april 2001 tussen partijen tot stand gekomen verzekeringsovereenkomst met betrekking tot de aan [appellant] toebehorende Seat Leon is gehouden tot uitkering van de schade die hij heeft geleden door het ongeval met dat motorrijtuig.

5. Aegon stelt niet gehouden te zijn tot uitkering krachtens de polis door een beroep te doen op artikel 251 K (oud). Zij stelt dat [appellant] is tekortgeschoten in zijn mededelingsplicht bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst, door het aanvraagformulier niet naar waarheid in te vullen. Zo heeft hij niet alle vragen naar zijn strafrechtelijk verleden naar waarheid beantwoord. Hij heeft niet opgegeven dat hij in 1999 is veroordeeld tot een geldboete wegens mishandeling van een bestuurder van een personenauto, dat hem in 1996 wegens ernstige overschrijding van de maximumsnelheid een boete van € 1.500, is opgelegd en dat hem de rijbevoegdheid voor zes maanden is ontzegd. Voorts heeft hij verzwegen dat hem in 1998 terzake van schade aan een motorfiets door Unigarant € 9.300,-- is uitgekeerd.

6. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis geoordeeld dat het beroep van Aegon op artikel 251 K(oud) slaagt. Hiertegen richten zich de grieven.

De beoordeling van de grieven 2 tot en met 13

7. Het hof stelt vast dat deze grieven elkaar deels overlappen en dat er in herhaling wordt getreden. Het hof ziet mede daarin aanleiding de grieven gezamenlijk te bespreken. Zij strekken in de kern tot het volgende.

a. De foutieve opgave in het aanvraagformulier kan [appellant] niet worden tegengeworpen.

b. [appellant] heeft de tussenpersoon niet gemachtigd namens hem informatie aan Aegon te verstrekken.

c. Op [appellant] rust geen spontane mededelingsplicht.

d. Aegon heeft de op haar rustende informatieplicht geschonden.

e. [appellant] betwist dat Aegon de overeenkomst niet zou hebben gesloten indien zij van de niet bekend gemaakte feiten had afgeweten.

f. Aegon heeft ten onrechte niet van belang geacht dat [appellant] ten tijde van het ongeval geen bestuurder, maar slechts inzittende van de auto was.

8. Nu het in deze zaak gaat om een verzekeringovereenkomst die voor 1 januari 2006 is afgesloten is ingevolge artikel 221 van de Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek het oude (vóór 1 januari 2006 geldende) verzekeringsrecht van toepassing. In het onderhavige geval gaat het specifiek om artikel 251 K (oud).

9. Vooropgesteld wordt dat waar in de stukken wordt gesproken over "voortzetting" dan wel "overname" van de tussen de vader van [appellant] en Aegon gesloten overeenkomst door [appellant], het hof dit aldus meent te moeten begrijpen dat wordt gedoeld op de contractsoverneming ex artikel 6:159 BW. Het hof is evenwel van oordeel dat daarvan in dit geval geen sprake is nu voor een dergelijke contractsovername een akte is vereist, welke ontbreekt. In het navolgende gaat het hof er vanuit dat er tussen [appellant] en Aegon een nieuwe verzekeringsovereenkomst tot stand is gekomen.

10. Artikel 251K (oud) bevat een bijzondere toepassing van de algemene regeling inzake dwaling en bedrog bij het aangaan van een verzekering en wel ten behoeve van de verzekeraar. Deze is immers bij de beoordeling van de vraag of hij de verzekering zal aangaan en zo ja op welke voorwaarden, in belangrijke mate aangewezen op inlichtingen van de aspirant-verzekerde. Min of meer uitgebreide vragenlijsten zijn bij de meeste verzekeringen dan ook gebruikelijk.

11. In deze zaak staat vast dat Aegon de verzekeringsovereenkomst met [appellant] in 2001 is aangegaan op diens verzoek om “de polis voortaan graag op zijn naam (te) hebben,” terwijl daarbij de eerder (in 2000) door [appellant]’s vader verstrekte gegevens op het aanvraagformulier voor diens verzekeringsovereenkomst met Aegon als basis had te gelden. Anders dan [appellant] in de grieven oppert, heeft Aegon daartoe niet op eigen initiatief het oude aanvraagformulier uit het jaar 2000 uit haar archief gehaald, maar heeft de tussenpersoon van [appellant] ter verkrijging van een verzekering op diens naam dit formulier aan Aegon gestuurd. Zulks blijkt immers uit de fax van 30 januari 2001 van de tussenpersoon aan Aegon, overgelegd als productie 2 bij de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, waarvan de eerste zin luidt:“Bijgaand zend ik U een kopie van het aanvraagformulier d.d. 23.3.2000 behorende bij polisnummer 701903210 t.n.v de heer J.J. [appellant].” Door dit aanvraagformulier aan Aegon te (laten)sturen, wordt [appellant] geacht jegens Aegon de juistheid van hetgeen in dat formulier is weergegeven voor zijn rekening te nemen. Onder deze omstandigheden speelt het feit dat de handtekening van [appellant] ontbreekt - in de onderlinge relatie met Aegon- geen enkele rol.

12. Door [appellant] is niet bestreden dat in het aanvraagformulier geen opgave is gedaan van het feit dat hij in 1999 is veroordeeld tot een geldboete wegens mishandeling van een bestuurder van een personenauto, dat hem in 1996 wegens ernstige overschrijding van de maximumsnelheid een boete van € 1.500, is opgelegd en hem de rijbevoegdheid voor zes maanden is ontzegd en dat hem in 1998 terzake van schade aan een motorfiets door Unigarant € 9.300,-- is uitgekeerd, feiten die stuk voor stuk voor de verzekeraar bij de beoordeling van het risico relevant zijn.

13. De klacht van [appellant] dat het aanvraagformulier niet door hem maar door de tussenpersoon naar Aegon is gestuurd, treft geen doel nu naar ’s hofs oordeel het handelen van een zelfstandig assurantietussenpersoon, als in casu de heer [tussenpersoon], voor rekening van [appellant] komt. Of [appellant] al dan niet een machtiging aan [tussenpersoon] had verstrekt tot het opsturen van het oude aanvraagformulier is een zaak die Aegon niet regardeert. Aegon mocht er gerechtvaardigd op vertrouwen dat het door de tussenpersoon van [appellant] ingezonden formulier als aanvraagformulier tot het verkrijgen van een verzekeringovereenkomst voor [appellant] had te gelden.

Volledigheidshalve merkt het hof nog op dat voorzover [appellant] het

standpunt inneemt dat de vragen op het desbetreffende aanvraagformulier

niet door hem, maar door zijn vader zijn ingevuld en dat die niet volledig

op de hoogte was van het strafrechtelijk verleden van [appellant], gaat het hof

daaraan voorbij gaat, nu ook dat voor rekening van [appellant] komt. Het

aanvraagformulier vermeldt ook met zoveel woorden dat de aspirant-

verzekerde zelf verantwoordelijk is voor de beantwoording van de vragen,

ook al wordt het formulier door een ander ingevuld.

14. Bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst rust op de aspirant-verzekerde een mededelingsplicht. In het onderhavige geval heeft [appellant] niet aan deze verplichting voldaan nu de onder 12 vermelde feiten en omstandigheden niet (volledig) op het namens [appellant] ingediende aanvraagformulier zijn ingevuld, zulks terwijl er wel gericht naar werd gevraagd. [appellant]’s klacht dat de rechtbank miskent dat op hem geen spontane mededelingsplicht rust, mist feitelijke grondslag nu de rechtbank niet heeft overwogen dat die verplichting op hem zou rusten. De vraag naar de spontane mededelingsplicht komt immers eerst aan de orde, indien de verzekeraar op de desbetreffende punten, in casu het strafrechtelijk verleden en eerdere schadeclaims, geen vragen zou hebben gesteld doch de aspirant-verzekerde zelf had moeten begrijpen dat die kennis voor de verzekeraar van belang zou zijn geweest voor het beoordelen van het (morele) risico. Nu er in het onderhavige geval expliciet is gevraagd naar het strafrechtelijk verleden en eerdere schadeclaims faalt de grief.

15. Voorzover in de grieven de klacht ligt besloten dat op Aegon een nadere onderzoeksplicht rustte, verwerpt het hof deze. Aegon heeft de vraag of zij met de aspirant-verzekerde [appellant], die zij als “regelmatig bestuurder” onder de bestaande eerste overeenkomst al kende, een zelfstandige overeenkomst wilde aangaan, onderzocht aan de hand van de ingevulde vragen op het aanvraagformulier. Tot nader onderzoek dan dat was zij in dit geval niet gehouden.

16. Het hof gaat eveneens voorbij aan de klacht van [appellant] dat niet vaststaat dat Aegon, ware zij van de ware stand van zaken op de hoogte geweest de overeenkomst niet, dan wel niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten. Hetgeen [appellant] ter onderbouwing van deze stelling aanvoert is onvoldoende en bevat in de kern niet meer of anders dan hetgeen hij al eerder heeft betoogd, namelijk dat het op de weg van Aegon had gelegen nader onderzoek te verrichten. Deze klacht heeft het hof hiervoor in rechtsoverweging 15 reeds verworpen.

17. Tenslotte bevatten de grieven de klacht dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat [appellant] ten tijde van het ongeval niet de bestuurder van de auto was. Het hof begrijpt uit de toelichting op de grief dat [appellant] de stelling betrekt dat er geen causaal verband is tussen de verzwegen feiten en de oorzaak van het ongeval zoals zich dat heeft voorgedaan en dat het beroep van Aegon op artikel 251 K (oud) om die reden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht.

18. Nog afgezien van de vraag of in dit geval het causaal verband inderdaad ontbreekt, overweegt het hof dat dit niet relevant is. Voor de stelling van [appellant] dat voor een geslaagd beroep op artikel 251 K causaal verband aanwezig moet zijn tussen de verzwegen feiten en de gebeurtenis die de schade tot gevolg heeft gehad, is geen enkele steun is te vinden in het recht.

19. Het hof verwerpt het door [appellant] gedane bewijsaanbod als niet terzake dienend, nu geen van de stellingen die [appellant] te bewijzen aanbiedt doorslaggevend zijn voor de uitkomst van deze procedure.

Slotsom

20. Grief 1 slaagt, maar baat niet. De grieven 2 tot en met 13 zijn tevergeefs voorgedragen. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep (tarief III , 1 punt, € 1.158,--).

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van Aegon tot aan deze uitspraak op € 300,-- aan verschotten en € 1.158,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat.

verklaart dit arrest voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. Verschuur, voorzitter, Makkinga en Van Tiggele-Van der Velde, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van 8 juni 2010 in het bijzijn van de griffier.