Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BM7176

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
09-06-2010
Datum publicatie
09-06-2010
Zaaknummer
24-001802-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewezen verklaard is het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Opgelegd wordt een onvoorwaardelijke werkstraf van veertig uren, subsidiair twintig dagen vervangende jeugddetentie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 24-001802-09

parketnummer eerste aanleg: 18-640122-09

Arrest van 9 juni 2010 van het gerechtshof Leeuwarden, meervoudige strafkamer,

op het hoger beroep tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Groningen van 29 juni 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1993] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M. Wierts, advocaat te Groningen.

Het vonnis waartegen het beroep is gericht

De kinderrechter in de rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het hierboven genoemde vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, heeft beslist op de vordering van de benadeelde partij en heeft een maatregel opgelegd, zoals in dat vonnis is omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal veroordelen tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen vervangende jeugddetentie.

Voorts heeft de advcoaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen tot een bedrag van € 730,- en daarbij de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen en de verdachte hoofdelijk zal veroordelen tot vergoeding van bedoelde schade.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

hij op of omstreeks 15 december 2008 te [plaats] met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, [straat], in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde], welk geweld bestond uit achtervolgen en/of schoppen en/of slaan van die [benadeelde];

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 15 december 2008 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [benadeelde]) heeft geschopt en/of geslagen, waardoor voornoemde [benadeelde] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 15 december 2008 te [plaats] met een ander op de openbare weg, [straat], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde], welk geweld bestond uit schoppen en slaan van die [benadeelde].

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Strafbaarheid

Het hof acht de verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het bewezen verklaarde feit, de omstandigheden waaronder dit feit is begaan en de persoon van de verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van openlijk geweld tegen schoolgenoot [benadeelde], zoals hierboven bewezen verklaard.

Op 15 december 2008 is een ruzie ontstaan tussen [medeverdachte] en [benadeelde]. Deze ruzie - waarbij tevens de verdachte aanwezig was - is in eerste instantie ontaard in een gewelddadig treffen tussen [medeverdachte] en [benadeelde], waarbij [medeverdachte] [benadeelde] een klap heeft gegeven, waarop [benadeelde] [medeverdachte] heeft uitgescholden. Daarop volgend is [benadeelde] achtervolgd door [medeverdachte] en door de verdachte en heeft de verdachte [benadeelde] geslagen en heeft [medeverdachte] [benadeelde] getrapt.

Dergelijk gewelddadig optreden is bedreigend en versterkt de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. De ervaring leert dat slachtoffers van en aanwezigen bij dergelijke delicten hiervan (langdurig) psychische nadelige gevolgen kunnen ondervinden. De verdachte heeft door zijn bijdrage hieraan een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [benadeelde] en is medeverantwoordelijk voor hetgeen [benadeelde] heeft moeten ondergaan. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij - alhoewel hij in het geheel niet betrokken was bij het onderliggende conflict tussen [medeverdachte] en [benadeelde] - zijn aandeel heeft geleverd in het treffen tussen [medeverdachte] en [benadeelde].

De rol van de verdachte is te meer laakbaar, omdat het de verdachte was - nadat [medeverdachte] de eerste klap aan [benadeelde] had gegeven en partijen uit elkaar gingen - die [medeverdachte] voorstelde om [benadeelde] nu samen fysiek (weer) aan te pakken.

De verdachte heeft aangevoerd dat hij in een opwelling van woede voor zijn vriend [medeverdachte] op wilde komen. De verdachte heeft het hof echter geen duidelijkheid kunnen verschaffen met betrekking tot de vraag waarom hij toen geen gedragsalternatieven, zoals zich distantiëren van het conflict tussen [medeverdachte] en [benadeelde], heeft aangewend.

Ter zake van openlijke geweldpleging hanteert het hof een oriëntatiepunt voor straftoemeting dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf impliceert.

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf voorts rekening gehouden met het de verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 24 februari 2010, waaruit ten gunste van de verdachte blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld ter zake van enig strafbaar feit.

Het hof heeft voorts gelet op hetgeen de verdachte, zijn vader en zijn raadsvrouw ter terechtzitting van het hof hebben aangevoerd met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en met hetgeen daaromtrent overigens uit het strafdossier is gebleken, onder meer uit een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 20 maart 2009. Uit dit rapport blijkt dat de agressieregulatie van de verdachte een punt van zorg is.

De verdachte heeft ter terechtzitting van het hof verklaard dat hij recent een agressieregulatie-training heeft gevolgd en dat het hem sindsdien is gelukt zich beter te beheersen. Dit laatste lijkt te worden bevestigd door de omstandigheid dat niet is gebleken dat de verdachte sinds de datum van het delict bij nieuwe incidenten betrokken is geweest.

Gelet op de omstandigheid dat de verdachte altijd al wel last heeft gehad van woede-aanvallen, kennelijk zonder dat dit eerder heeft geleid tot politie- of justitiecontacten, lijkt met het thans aan de orde zijnde delict sprake te zijn geweest van een meer incidentele geweldsuitbarsting van de verdachte.

Bij de bepaling van de strafmaat heeft het hof voorts betrokken dat het bewezen verklaarde feit de opmaat is geweest voor verwijdering van de destijds door de verdachte bezochte school. Thans kan worden gezegd dat de verdachte, vanwege zijn agressieproblematiek, zijn schoolloopbaan ernstig heeft geschaad en nu zonder een diploma middelbaar onderwijs aan het werk is.

Naar het oordeel van het hof is het bewezen verklaarde delict een ernstig strafbaar feit, waarop - uit het oogpunt van normhandhaving en tevens ter vergelding van het door de verdachte begane strafbaar feit - een vrijheidsbenemende straf in beginsel een passende en noodzakelijke reactie is. Gelet echter met name op het ontbreken van enige strafrechtelijke recidive, kan in dit geval worden volstaan met de oplegging van een onvoorwaardelijke werkstraf van dezelfde duur als door de kinderrechter in eerste aanleg is opgelegd en thans is gevorderd door de advocaat-generaal.

De verdachte en zijn raadsvrouw hebben geen zodanig bijzondere of relevante feiten of omstandigheden aangevoerd dat het hof oplegging van een andere strafmodaliteit, dan wel strafmatiging aangewezen acht. Ook overigens is het hof daarvan niet gebleken.

Vordering van de benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde] zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat de vordering van deze benadeelde partij in eerste aanleg deels is toegewezen en voor het overige niet-ontvankelijk is verklaard en dat deze benadeelde partij zich in het geding in hoger beroep niet opnieuw heeft gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort tot het bedrag dat in eerste aanleg is toegewezen, te weten € 730,-.

De benadeelde partij heeft door het bewezen verklaarde feit rechtstreekse schade geleden, welke schade aan de verdachte (en zijn medeverdachte) kan worden toegerekend. Het hof zal de vordering, voor zover het betreft de posten van de immateri?le schade (€ 265,-), de schade aan de jas (€ 60,-) en de schade aan de bril (€ 80,-), toewijzen, nu deze onderdelen van de vordering niet zijn bestreden en deze het hof niet onredelijk of ongegrond voorkomen. De vordering zal derhalve worden toegewezen tot een bedrag van € 405,-, vermeerderd met de wettelijke rente.

Het overige deel van de vordering betreft de reiskosten van € 345,-, welke zijn gemaakt door de moeder van de benadeelde partij [benadeelde]. Dit onderdeel van de vordering is bestreden. Uit de vordering blijkt niet dat deze reiskosten daadwerkelijk ten laste van de benadeelde partij [benadeelde] zijn gekomen, in die zin dat hij deze kosten aan zijn moeder heeft vergoed. Deze kosten kunnen daarom niet door de benadeelde partij [benadeelde] worden gevorderd. Gelet hierop dient de vordering van de benadeelde partij in zoverre te worden afgewezen.

Gelet op het vorenstaande dienen de benadeelde partij en de verdachte, als over en weer deels in het ongelijk gestelde partijen, ieder de eigen kosten te dragen van het geding.

Hoofdelijkheid

De verdachte is jegens de benadeelde partij niet tot vergoeding van dit bedrag gehouden, voor zover zijn mededader het bedrag reeds heeft voldaan.

De verdachte is, als pleger van het bewezen verklaarde strafbaar feit, aansprakelijk voor het volledige bedrag van de aangerichte schade, ook in het geval dat een ander (in dit geval: de medeverdachte [medeverdachte]) medeverantwoordelijk is voor het ontstaan van die schade. De volledige, hoofdelijke aansprakelijkheid van de verdachte dient mede te worden bezien in het licht van het belang dat het slachtoffer heeft bij volledige vergoeding van zijn schade, door welke veroorzaker van die schade dan ook. Dat belang van het slachtoffer staat voorop.

De verdachte heeft ter terechtzitting van het hof verklaard moeite te hebben met deze juridische constructie, in die zin dat hij - nu de medeverdachte [medeverdachte] in hoger beroep is gegaan - het risico loopt (uiteindelijk) als enige voor het volledige bedrag van de schade op te draaien.

Hiermee lijkt de verdachte echter te miskennen dat de strafrechtelijke uitkomst van de strafzaken van de verdachte en de medeverdachte onverlet laat de civielrechtelijke onderlinge verhaalsmogelijkheid tussen de verdachte en de medeverdachte, in geval van vergoeding van de schade door één van beiden.

Schadevergoedingsmaatregel

Aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade van € 405,- die door het bewezen verklaarde strafbaar feit is toegebracht en het belang van het slachtoffer ermee is gediend, zal aan de verdachte de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dit schadebedrag ten behoeve van het slachtoffer.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77m, 77n en 141 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waartegen het beroep is gericht, en opnieuw recht doende:

verklaart het aan de verdachte primair ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en de verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte [verdachte] tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van veertig uren, met het bevel dat, voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van twintig dagen zal worden toegepast;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van vierhonderdvijf euro, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 december 2008 tot aan de dag van algehele voldoening, met dien verstande, dat indien de mededader van de veroordeelde dit bedrag of een gedeelte daarvan heeft betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd;

wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde;

bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen van het geding;

legt aan de verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van vierhonderdvijf euro, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 december 2008 tot aan de dag van algehele voldoening, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde], wonende te [woonplaats];

beveelt dat vervangende jeugddetentie voor de duur van acht dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling, noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, met dien verstande, dat indien de mededader van de veroordeelde dit bedrag of een gedeelte daarvan heeft betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd;

bepaalt dat, indien de veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien de veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. J.H. Bosch, voorzitter, mr. H.J. Deuring en mr. J.P. van Stempvoort, in tegenwoordigheid van H. Kingma als griffier. Mr. Van Stempvoort is buiten staat dit arrest te ondertekenen.