Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BM7083

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
04-06-2010
Datum publicatie
08-06-2010
Zaaknummer
24-000730-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Minderjarige verdachte heeft gedurende een lange periode het door zijn werkgever (Poiesz Supermarkt) in hem gestelde vertrouwen geschaad door verschillende malen, samen met collega's, hoeveelheden drank te verduisteren.

Veroordeling in zaak A, tot een werkstraf van negentig uren waarvan dertig uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Vrijspraak van het ten laste gelegde in zaak B.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000730-10

Parketnummer eerste aanleg: 17-675651-09 en 17-755353-09

Arrest van 4 juni 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Leeuwarden van 25 februari 2010 in de oorspronkelijk onder de parketnummers 17-675651-09 en 17-755353-09 afzonderlijk aangebrachte, maar ter terechtzitting in eerste aanleg gevoegde strafzaken, hierna te noemen respectievelijk zaak A en zaak B, tegen:

[verdachte],

geboren op [1991] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. H.C.L. Crozier, advocaat te Sneek.

Het vonnis waartegen het beroep is gericht

De kinderrechter in de rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis, in de gevoegde zaken, wegens misdrijven veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis is omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte - in zaak B met toepassing van het bepaalde in artikel 77 c van het Wetboek van Strafrecht - ter zake van het in de zaken A en B, telkens primair ten laste gelegde, zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen jeugddetentie waarvan 30 uren voorwaardelijk, subsidiair 15 dagen jeugddetentie met een proeftijd van 2 jaar.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

Zaak A:

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2008 tot en met 11 juni 2009 te [plaats 1], in de gemeente [gemeente], (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een (grote) hoeveelheid drank en/of etenswaren, althans levensmiddelen (onder meer een aantal dozen en/of kratten inhoudende bier en/of berenburg en/of snoepgoed), in elk geval (telkens) enig goed, die telkens toebehoorden aan het (winkel)bedrijf [bedrijf], in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en welk(e) goed(eren) verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als vakkenvuller, althans als vulploeg- en/of winkelmedewerker, in elk geval (telkens) anders dan door misdrijf onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2008 tot en met 11 juni 2009 te [plaats 1], in de gemeente [gemeente], in elk geval in Nederland, een (grote) hoeveelheid drank en/of etenswaren, althans levensmiddelen (onder meer een aantal dozen en/of kratten inhoudende bier en/of berenburg en/of snoepgoed), heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die drank en/of etenswaren, althans levensmiddelen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Zaak B:

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 12 juni 2009 tot en met 22 juli 2009 te [plaats 1], in de gemeente [gemeente], (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een (grote) hoeveelheid drank en/of etenswaren, althans levensmiddelen (onder meer een aantal dozen en/of kratten inhoudende bier en/of berenburg en/of snoepgoed), in elk geval (telkens) enig goed, die telkens toebehoorden aan het (winkel)bedrijf [bedrijf], in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en welk(e) goed(eren) verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als vakkenvuller, althans als vulploeg- en/of winkelmedewerker, in elk geval (telkens) anders dan door misdrijf onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 12 juni 2009 tot en met 22 juli 2009 te [plaats 1], in de gemeente [gemeente], in elk geval in Nederland, een (grote) hoeveelheid drank en/of etenswaren, althans levensmiddelen (onder meer een aantal dozen en/of kratten inhoudende bier en/of berenburg en/of snoepgoed), heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die drank en/of etenswaren, althans levensmiddelen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Vrijspraak zaak B

Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte het ten laste gelegde in zaak B heeft begaan, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. Het hof overweegt hieromtrent het navolgende.

Verdachte heeft ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking in de ten laste gelegde periode. Verdachte heeft consequent tegenover de politie, de kinderrechter in eerste aanleg en ten overstaan van het hof verklaard dat hij eind mei 2009 gestopt is met het zich toe-eigenen van drank uit de [bedrijf] te [plaats 1]. Verdachte heeft verklaard dat hij zich de flessen berenburg in mei 2009 heeft toegeëigend.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting van het hof zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen op grond waarvan het hof de overtuiging heeft verkregen dat verdachte zich in de in zaak B ten laste gelegde periode heeft schuldig gemaakt aan het zich toe-eigenen van goederen uit de [bedrijf]. De enkele verklaring van medeverdachte [medeverdachte] waaruit afgeleid zou kunnen worden dat verdachte ook na 11 juni 2009 flessen berenburg heeft weggenomen doet aan dit oordeel niet af. De inhoud van deze verklaring is weinig concreet, wordt door verdachte ontkend en vindt bovendien geen steun in verklaringen van andere betrokkenen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigd bewezen dat verdachte het in zaak A ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op tijdstippen in de periode van 1 oktober 2008 tot en met 11 juni 2009 te [plaats 1], in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk een grote hoeveelheid drank (een aantal dozen en/of kratten inhoudende bier en berenburg) dat telkens toebehoorde aan het winkelbedrijf [bedrijf] en welke goederen verdachte en zijn mededaders telkens uit hoofde van hun persoonlijke dienstbetrekking als vakkenvuller onder zich hadden, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld in zaak A meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

Zaak A:

medeplegen van verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft gedurende een lange periode het door zijn werkgever in hem gestelde vertrouwen geschaad door verschillende malen (tussen de 15 en 20 keer) samen met zijn collega's hoeveelheden drank te verduisteren. De goederen werden vanuit de opslagfaciliteit van de [bedrijf] te [plaats 1], waar verdachte werkte, weggenomen. Waar het aanvankelijk enkele blikjes / flesjes bier betrof, werden gaandeweg steeds grotere hoeveelheden drank verduisterd. Het hof neemt het de verdachte kwalijk dat hij zich frequent heeft bezig gehouden met het verduisteren van goederen, met name gelet op het feit dat hij daar toen al ruim twee jaar werkzaam was en hij in de loop van die tijd zelfs door zijn werkgever was bevorderd tot vulploegleider. Ten voordele van verdachte wordt rekening gehouden met het feit dat verdachte de schade die hij zijn werkgever heeft berokkend inmiddels heeft vergoed.

Bij de strafoplegging houdt het hof voorts rekening met het verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie, d.d. 12 april 2010, waaruit - ten voordele van verdachte - blijkt dat hij zich niet eerder heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Voorts houdt het hof nog rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals deze door hem en zijn advocaat ter terechtzitting van het hof naar voren zijn gebracht.

Gelet op het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien is het hof van oordeel dat aan de verdachte een werkstraf opgelegd moet worden. Gelet op het feit dat de verdachte vrijgesproken is van het ten laste gelegde in zaak B, zal het hof een lagere werkstraf opleggen dan door de advocaat-generaal gevorderd en door de kinderrechter is opgelegd, te weten een werkstraf voor de duur van negentig uren waarvan dertig uren voorwaardelijk. Met de oplegging van een deels voorwaardelijke straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw een strafbaar feit te plegen.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 47, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg, 321 en 322 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte in zaak B ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het verdachte in zaak A ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als hiervoor vermeld in zaak A meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van negentig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie voor de duur van vijfenveertig dagen zal worden toegepast;

beveelt dat een gedeelte van de werkstraf, groot dertig uren, subsidiair vijftien dagen vervangende jeugddetentie, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H.J. Deuring, voorzitter, mr. A.J. Rietveld en mr. J. Slijper-Kuijper, in tegenwoordigheid van mr. L.W. van Campen als griffier. Mr. Slijper-Kuijper is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.