Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BM6965

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
02-06-2010
Datum publicatie
07-06-2010
Zaaknummer
24-000039-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof ziet geen aanleiding de op te leggen betalingsverplichting te matigen, vanwege het tijdsverloop in hoger beroep, zoals de raadsvrouw heeft bepleit. In de strafzaak heeft het hof reeds de opgelegde straf gematigd vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Derhalve zal in de ontnemingprocedure geen matiging om deze reden meer plaatsvinden en volstaat het hof met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000039-08

Parketnummer eerste aanleg: 19-830018-06

Arrest van 2 juni 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Assen van 28 december 2007, in de zaak strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tegen:

[veroordeelde],

geboren op [1961] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M. Smid, advocaat te Hoogeveen.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Assen heeft bij voormeld vonnis, op tegenspraak gewezen, onder verwijzing naar het vonnis d.d. 4 december 2007 van voormelde rechtbank in de strafzaak met parketnummer 19-83001-06, het door veroordeelde door middel van en/of uit baten van de door hem gepleegde strafbare feiten wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 18.621,50 en hem de verplichting opgelegd dat bedrag aan de Staat te betalen, ter ontneming van dat voordeel.

Gebruik van het rechtsmiddel

De veroordeelde is op de voorgeschreven wijze en tijdig van voormelde uitspraak in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat door het hof zal worden vastgesteld op € 18.621,50 en dat de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd dat bedrag aan de Staat te betalen ter ontneming van dat voordeel.

De beslissing op het hoger beroep

In de strafzaak (parketnummer 24-003094-07) is veroordeelde bij arrest van dit hof van 2 juni 2010 veroordeeld tot straf ter zake van het deelnemen aan een criminele organisatie en het meermalen buiten het grondgebied van Nederland brengen van hennep.

Het hof verenigt zich met het vonnis van de rechtbank voor wat betreft de vaststelling van de hoogte van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, de inhoud van de bewijsmiddelen en de opgelegde betalingsverplichting.

Het hof ziet geen aanleiding de op te leggen betalingsverplichting te matigen, vanwege het tijdsverloop in hoger beroep, zoals de raadsvrouw heeft bepleit. In de strafzaak heeft het hof reeds de opgelegde straf gematigd vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Derhalve zal in de ontnemingprocedure geen matiging om deze reden meer plaatsvinden en volstaat het hof met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

bevestigt het vonnis, waarvan beroep.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. W. Foppen, voorzitter, mr. G. Dam en mr. L.T. Wemes, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Mulder als griffier, zijnde de griffier buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.