Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BM6945

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
03-06-2010
Datum publicatie
07-06-2010
Zaaknummer
24-002732-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gevoerde verweren met betrekking tot de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging:

1. het openbaar ministerie heeft gehandeld in strijd met de Aanwijzing sociale zekerheidsfraude (2008A019);

2. het openbaar ministerie heeft het gelijkheidsbeginsel geschonden, door verdachte wel en diens broer niet te vervolgen.

Beide verweren zijn door het hof verworpen.

Verdachte is ter zake van het meermalen overtreden van artikel 227b van het Wetboek van Strafrecht veroordeeld tot een werkstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002732-09

Parketnummer eerste aanleg: 17-965032-07

Arrest van 3 juni 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Leeuwarden van 16 oktober 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1956] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

niet ter terechtzitting verschenen. Wel verschenen is de raadsman van verdachte mr. D. van der Wal, advocaat te Buitenpost.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

De raadsman van verdachte heeft verklaard uitdrukkelijk te zijn gemachtigd verdachte ter terechtzitting te verdedigen.

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

hij in of omstreeks de periode 27 maart 2006 t/m 11 maart 2007 te [plaats], gemeente [gemeente], in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten de in artikel 25 van de Werkloosheidswet (WW) verwoorde verplichting om (voor de bepaling van een uitkering krachtens de WW, relevante) informatie te verstrekken aan (in het onderhavige geval) het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een uitkering krachtens de WW, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk nagelaten om (alle) door hem (als zelfstandige) verrichte werkzaamheden en/of ontvangen inkomsten, te melden aan de UWV.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging

De raadsman van verdachte heeft ter zitting van het hof een beroep gedaan op

niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd:

a. dat het openbaar ministerie op grond van de Aanwijzing sociale

zekerheidsfraude (2008A019) niet tot vervolging van verdachte had mogen overgaan,

omdat het benadelingsbedrag lager is geweest dan € 10.000,= en

b. dat het openbaar ministerie op grond van het gelijkheidsbeginsel niet tot vervolging van

verdachte had mogen overgaan, omdat het niet tot vervolging is overgegaan in de

soortgelijke zaak van de broer van verdachte.

Met betrekking tot het onder a. vermelde verweer overweegt het hof als volgt.

De Aanwijzing sociale zekerheidsfraude (2008A019), in werking getreden op 1 januari 2009 en geldig tot en met 31 december 2012, bepaalt voor zover hier van belang dat in categorie I zaken (zaken met een nadeel kleiner dan € 10.000,=), op enkele uitzonderingen na, die in de onderhavige zaak niet van toepassing zijn, geen strafrechtelijke vervolging wordt ingesteld. Voorts bevat deze Aanwijzing als overgangsrecht:

"Deze aanwijzing geldt vanaf het moment van inwerkingtreding voor:

I. alle lopende en startende opsporingsonderzoeken;

II. alle zaken waarin nog geen dagvaarding is uitgebracht;

III. alle processen-verbaal, die nog niet zijn ingediend bij het OM op datum van inwerktreding, met uitzondering van die onderzoeken/processen-verbaal waarin de verdachte is gehoord op de verdenking vóór de datum van inwerktreding. Deze uitzondering is slechts van toepassing indien dat blijkt uit het betreffende proces-verbaal.

Voor alle processen-verbaal, die zijn ingediend bij het OM, dan wel waarin de verdachte is verhoord, vóór de datum van inwerkingtreding van deze aanwijzing, blijft strafrechtelijke afdoening mogelijk in een zaak met een benadelingsbedrag tussen € 6.000,= en € 10.000,=, en in zogenaamde "witte fraude" zaken tot een benadelingsbedrag van € 35.000,=."

Op grond van de processtukken en het verhandelde ter zitting stelt het hof het navolgende vast. Verdachte is op 5 juni 2007 op verdenking van overtreding van artikel 225 en/of artikel 227b van het Wetboek van Strafrecht, gepleegd in de periode van

27 maart 2006 tot en met 11 maart 2007, door een opsporingsambtenaar gehoord. Het "eind"-proces-verbaal (met bijlagen) is opgemaakt, gesloten en ondertekend op 23 augustus 2007. Het (bruto) nadeel is - na herberekening - vastgesteld op

€ 9.260,34. Niet kan worden vastgesteld op welke datum het "eind"-proces-verbaal (met bijlagen) bij het openbaar ministerie is ingediend. De (inleidende) dagvaarding is op of omstreeks 20 mei 2009 uitgebracht.

Nu gebleken is dat verdachte is verhoord vóór de datum van inwerkingtreding van genoemde Aanwijzing op 1 januari 2009 en het benadelingsbedrag is vastgesteld op € 9.260,34, is volgens het overgangsrecht een strafrechtelijke afdoening van de zaak mogelijk. Hieraan doet niet af dat het "eind"-proces-verbaal (met bijlagen) bij het openbaar ministerie is ingediend en de (inleidende) dagvaarding is uitgebracht ná de datum van inwerkingtreding van genoemde Aanwijzing.

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging, omdat het conform het bepaalde in genoemde Aanwijzing heeft gehandeld.

Met betrekking tot het onder b. vermelde verweer overweegt het hof als volgt.

Het openbaar ministerie heeft een discretionaire bevoegdheid om personen, die verdacht worden van het plegen van het opzettelijk nalaten tijdig gegevens te verstrekken, te vervolgen. In de onderhavige zaak heeft de officier van justitie die vervolgingsbeslissing genomen ten aanzien van verdachte. Een beslissing tot vervolging staat in het algemeen niet ter beoordeling van de rechter. Dit kan alleen anders zijn als die beslissing in strijd is met wettelijke of verdragsrechtelijke bepalingen of met beginselen van een goede procesorde - waaronder het gelijkheidsbeginsel.

Gebleken noch aannemelijk is geworden, dat een of meer wettelijke of verdragsrechtelijke bepalingen zijn geschonden. De advocaat-generaal heeft ter zitting van het hof verklaard, dat in de zaak van de broer van verdachte sprake was een kortere pleegperiode en een lager benadelingsbedrag. In voormelde zin onderscheidt de zaak van verdachte zich dan ook van die van zijn broer. De raadsman heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd, noch zijn in het procesdossier aanknopingspunten te vinden, waaruit zou kunnen worden opgemaakt, dat van een gelijk geval - als de onderhavige zaak, waarop de raadsman doelt - sprake zou zijn. Derhalve is niet aannemelijk geworden dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden.

Het hof verwerpt de verweren.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

hij in de periode 27 maart 2006 t/m 11 maart 2007 te [plaats], gemeente [gemeente], meermalen, in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten de in artikel 25 van de Werkloosheidswet (WW) verwoorde verplichting om voor de bepaling van een uitkering krachtens de WW, relevante informatie te verstrekken aan het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf, terwijl verdachte wist dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een uitkering krachtens de WW, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft verdachte telkens opzettelijk nagelaten om alle door hem als zelfstandige verrichte werkzaamheden en ontvangen inkomsten, te melden aan de UWV.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf, terwijl hij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn recht op een verstrekking of tegemoetkoming dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft in de periode van 27 maart 2006 tot en met 11 maart 2007 opzettelijk nagelaten gegevens te verstrekken die van belang waren voor het vaststellen van zijn recht op een werkloosheidsuitkering. In genoemde periode heeft verdachte als zelfstandige gewerkt en heeft hij uit die werkzaamheden inkomsten genoten. Door deze relevante gegevens aan het UWV te onthouden heeft verdachte het UWV de mogelijkheid ontnomen om volledig inzicht te krijgen in feiten en omstandigheden die van belang waren voor de vaststelling van verdachtes uitkering, dan wel voor de hoogte of de duur van die uitkering. Hem is dientengevolge een hoger bedrag aan uitkering betaald dan waarop hij recht had. Verdachte heeft daarvan geprofiteerd. Hierdoor is het UWV benadeeld voor een brutobedrag van € 9.260,34. Door dergelijke feiten wordt het stelsel van sociale zekerheidsuitkeringen ernstig ondermijnd. Dit stelsel is immers mede gebaseerd op het vertrouwen dat rechthebbenden zelf hun verantwoordelijkheid nemen door tijdig melding te maken van relevante gegevens. Het hof vat een dergelijk misbruik van voorzieningen dan ook zwaar op.

Anderzijds is gebleken dat verdachte het benadelingsbedrag van € 9.260,34 inmiddels geheel heeft terugbetaald en dat hij blijkens het hem betreffende Uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 22 februari 2010 niet eerder is veroordeeld.

Op grond van het vorenstaande en mede in aanmerking nemende de Richtlijn voor strafvordering sociale zekerheidsfraude (2006R002), is het hof van oordeel, dat de door de eerste rechter opgelegde werkstraf voor de duur van 40 uren, welke straf eveneens door de advocaat-generaal is gevorderd, niet alleen een passende, maar ook een gerechtvaardigde sanctie is. Het hof zal die straf dan ook aan verdachte opleggen.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 57 en 227b van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van veertig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van twintig dagen zal worden toegepast.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg, voorzitter, mr. Hielkema en mr. Van der Woude, in tegenwoordigheid van Boersma als griffier, zijnde mr. Van der Woude buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.