Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BM6035

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
25-05-2010
Datum publicatie
28-05-2010
Zaaknummer
24-002474-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich, door met zijn auto op zeer korte afstand achter een fietser te gaan rijden en vervolgens tegen de fiets aan te rijden, schuldig gemaakt aan mishandeling en bedreiging. Gelet op het grote tijdsverloop tussen het instellen van het hoger beroep en de binnenkomst van het dossier bij het hof legt het hof verdachte een geheel voorwaardelijke werkstraf op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002474-05

Parketnummer eerste aanleg: 18-081145-04 en 18-652135-05

Arrest van 25 mei 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 24 oktober 2005 in de oorspronkelijk onder de parketnummers 18-081145-04 en 18-652135-05 afzonderlijk aangebrachte, maar ter terechtzitting in eerste aanleg gevoegde strafzaken, hierna te noemen respectievelijk zaak A en zaak B, tegen:

[verdachte],

geboren op [1981] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. U. van Ophoven, advocaat te Leek.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis, in de gevoegde zaken, wegens misdrijven veroordeeld tot een straf en heeft beslist op de vordering van een benadeelde partij, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Voor zover het hoger beroep is gericht tegen de vrijspraak ter zake van het in zaak A onder 2 ten laste gelegde, kan verdachte daarin niet worden ontvangen.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het hem in zaak B ten laste gelegde zal vrijspreken en hem ter zake van het hem in zaak A onder 1 subsidiair en 3 ten laste gelegde zal veroordelen tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van dertig uren, subsidiair te vervangen door vijftien dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vordering.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis, voor zover aan hoger beroep onderworpen, vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - voor zover in hoger beroep van belang - ten laste gelegd, dat:

Zaak A

1.

hij op of omstreeks 15 april 2004, te [plaats 1], althans in de gemeente [gemeente 1], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto tegen de fiets van die [slachtoffer 1] is aangereden waarbij/waarna die [slachtoffer 1] ten val is gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 15 april 2004, te [plaats 1], althans in de gemeente [gemeente 1], opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1]), met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto tegen de fiets van die [slachtoffer 1] is aangereden waarbij/waarna die [slachtoffer 1] ten val kwam, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3.

hij op of omstreeks 15 april 2004 te [plaats 1], althans in de gemeente [gemeente 1],

[slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend zich in een personenauto op zeer korte afstand achter die op een fiets rijdende [slachtoffer 1] begeven en/of die [slachtoffer 1] achtervolgd, waarbij verdachte meermalen, althans eenmaal, het gaspedaal heeft ingedrukt, waardoor bij die [slachtoffer 1] de indruk ontstond dat verdachte die [slachtoffer 1] wilde aanrijden;

Zaak B

hij op of omstreeks 26 september 2004 te [plaats 2], gemeente [gemeente 2], [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte - opzettelijk dreigend met een personenauto met (zeer) hoge snelheid (terwijl hij groot licht voerde) over de (voor hem) linkerweghelft, (recht) op die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] afgereden, terwijl die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] zich op een fiets bevond(en) en in tegengestelde richting reden en/of - (daarbij) rakelings, althans op korte afstand, langs die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] gereden, waardoor bij die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] de indruk onstond dat verdachte die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] wilde aanrijden.

Vrijspraak

Het hof acht niet overtuigend bewezen hetgeen in zaak A onder 1 primair aan verdachte is ten laste gelegd omdat niet van opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel is gebleken. Het hof zal verdachte hiervan derhalve vrijspreken.

Het hof acht evenmin bewezen hetgeen in zaak B aan verdachte is ten laste gelegd nu diverse getuigenverklaringen lijken uit te sluiten dat verdachte op 26 september 2004 omstreeks 03.00 uur in [plaats 2] heeft gereden. Het hof zal verdachte derhalve van dit feit vrijspreken.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

Zaak A

1. subsidiair

hij op 15 april 2004 in de gemeente [gemeente 1], opzettelijk mishandelend met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto tegen de fiets van [slachtoffer 1] is aangereden waarna die [slachtoffer 1] ten val kwam, waardoor deze pijn heeft ondervonden;

3.

hij op 15 april 2004 in de gemeente [gemeente 1] [slachtoffer 1] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend zich in een personenauto op zeer korte afstand achter die op een fiets rijdende [slachtoffer 1] begeven en die [slachtoffer 1] achtervolgd, waarbij verdachte meermalen het gaspedaal heeft ingedrukt, waardoor bij die [slachtoffer 1] de indruk ontstond dat verdachte die [slachtoffer 1] wilde aanrijden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld in zaak A onder 1 subsidiair en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

Zaak A

onder 1 subsidiair: mishandeling;

onder 3: bedreiging met zware mishandeling.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft vanwege een arbeidsconflict uit het verleden zijn toenmalige werkgever [slachtoffer 1] schrik aan willen jagen. Daartoe is verdachte met zijn auto op zeer korte afstand achter die [slachtoffer 1], die op een fiets zat, gaan aanrijden en "speelde" hij daarbij met zijn gaspedaal. Vervolgens is verdachte welbewust tegen de fiets aangereden waardoor die [slachtoffer 1] met de fiets is omgevallen en pijn heeft ondervonden. Verdachte heeft door op deze wijze te handelen op gevaarlijke en ontoelaatbare wijze zijn ongenoegen geuit en aldus een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer alsmede een voor deze bedreigende situatie doen ontstaan.

Het hof houdt rekening met een verdachte betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 8 maart 2010 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is een onvoorwaardelijke werkstraf een passende sanctie. Het hof zal deze straf echter matigen, nu de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens fors is overschreden.

Als uitgangspunt geldt dat het strafdossier binnen acht maanden na het instellen van het hoger beroep bij het gerechtshof moet zijn binnengekomen en dat de berechting van de zaak in hoger beroep behoort te zijn afgerond met een einduitspraak binnen twee jaren nadat het rechtsmiddel is ingesteld. Verdachte heeft op 24 oktober 2005 hoger beroep ingesteld en de onderhavige zaak behoorde derhalve op 25 juni 2006 bij het hof te zijn binnen gekomen. Het dossier is echter pas op 18 december 2009 bij het hof binnen gekomen en er is gerekend vanaf 25 juni 2006 sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van drie jaar en bijna zes maanden. Gelet hierop zal het hof de op te leggen werkstraf - conform de vordering van de advocaat-generaal - geheel voorwaardelijk opleggen.

Benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken dat de benadeelde partij zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat hij in zijn vordering in eerste aanleg niet-ontvankelijk is verklaard en dat hij zich in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van zijn in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

Het hof is van oordeel, dat de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard is, dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. Gelet op het bepaalde in artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, dient de benadeelde partij in zijn vordering niet ontvankelijk te worden verklaard, met bepaling, dat de benadeelde partij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Het hof veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

verklaart de verdachte niet ontvankelijk in zijn hoger beroep, voor zover dit is gericht tegen de vrijspraak ter zake van het in zaak A onder 2 ten laste gelegde;

vernietigt het vonnis, voor zover aan hoger beroep onderworpen, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte in zaak A onder 1 primair en in zaak B ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het verdachte in zaak A onder 1 subsidiair en 3 ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als hiervoor vermeld in zaak A onder 1 subsidiair en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van dertig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van vijftien dagen zal worden toegepast;

beveelt dat de werkstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de voormelde werkstraf geheel in mindering wordt gebracht, berekend naar de maatstaf van twee uren werkstraf per dag;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. W.P.M. ter Berg, voorzitter, mr. G.M. Meijer-Campfens en mr. G.J. Niezink, in tegenwoordigheid van mr. M. Koster als griffier, zijnde mr. G.J. Niezink buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.