Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BM6019

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
21-05-2010
Datum publicatie
28-05-2010
Zaaknummer
24-002170-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ter zake van het opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken wordt verdachte veroordeeld tot een werkstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis, waarvan 40 uren, subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren (met aftrek).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002170-09

Parketnummer eerste aanleg: 18-630084-08

Arrest van 21 mei 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 26 augustus 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1979] te[geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. A. Allersma, advocaat te Groningen.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde feit zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis, waarvan 40 uren, subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2004 tot en met 22 juli 2008 te [plaats], gemeente [gemeente], in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van de woning [adres] (in [plaats]) en/of de in die woning aanwezige voorzieningen, te weten gas, water en/of licht, en/of/althans opzettelijk eet- en/of drinkwaren heeft genuttigd, wetende dat de huur van die woning en/of de kosten van die voorziening(en) en/of eet- en/of drinkwaren geheel of gedeeltelijk werd(en) betaald van een uitkering krachtens de Wet Werk en Bijstand, welke door [medeverdachte] - met wie verdachte op bovengenoemd adres samenwoonde - door valsheid in geschrifte of door oplichting of door verduistering, in elk geval door enig misdrijf was verkregen, hebbende verdachte aldus (telkens) opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel getrokken;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2004 tot en met 22 juli 2008 te [plaats], gemeente [gemeente], in elk geval in Nederland, (telkens) gebruik heeft gemaakt van de woning [adres] (in [plaats]) en/of de in die woning aanwezige voorzieningen, te weten gas, water en/of licht, en/of/althans opzettelijk eet- en/of drinkwaren heeft genuttigd, terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat de huur van die woning en/of de kosten van die voorziening(en) en/of eet- en/of drinkwaren geheel of gedeeltelijk werd(en) betaald van een uitkering krachtens de Wet Werk en Bijstand, welke door [medeverdachte] - met wie verdachte op bovengenoemd adres samenwoonde - door valsheid in geschrifte of door oplichting of door verduistering, in elk geval door enig misdrijf was verkregen, hebbende verdachte aldus (telkens) uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel getrokken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 1 mei 2004 tot en met 22 juli 2008 te [plaats], gemeente [gemeente], (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van de woning [adres] in [plaats] en de in die woning aanwezige voorzieningen, te weten gas, water en licht, en opzettelijk eet- en drinkwaren heeft genuttigd, wetende dat de huur van die woning en de kosten van die voorzieningen en eet- en drinkwaren geheel of gedeeltelijk werden betaald van een uitkering krachtens de Wet Werk en Bijstand, welke door [medeverdachte] - met wie verdachte op bovengenoemd adres samenwoonde - door valsheid in geschrifte was verkregen, hebbende verdachte aldus (telkens) opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel getrokken;

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

primair

opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft gedurende een periode van ruim vier jaar zijn hoofdverblijf gehad in de woning van zijn vriendin [medeverdachte], terwijl zij samen drie kinderen hebben. Dat er - volgens verdachte - sprake was van een knipperlichtrelatie doet hieraan niets af. In die periode ontving [medeverdachte] een bijstandsuitkering naar de norm van alleenstaande ouder. [medeverdachte] heeft op de daarvoor bedoelde formulieren valselijk opgegeven dat zij alleen met haar kinderen in haar woning verbleef en zij heeft voorts nagelaten bij de sociale dienst te melden dat verdachte met grote regelmaat bij haar in woonde. Verdachte was van het voorgaande op de hoogte en was zich ervan bewust dat dit niet door de beugel kon. De huur van de woning van [medeverdachte] werd (deels) betaald van de uitkering en ook de nutsvoorzieningen en de eet- en drinkwaren werden (deels) bekostigd door middel van de uitkering. Verdachte heeft door zo te handelen geprofiteerd van misbruik van het sociale zekerheidsstelsel, waardoor hij (en zijn gezin) financieel voordeel genoot. Hij heeft zichzelf aldus bevoordeeld ten koste van de gemeenschap.

Het hof houdt rekening met een verdachte betreffend uittreksel uit het Justitiële Documentatieregister d.d. 19 februari 2010, waaruit blijkt dat verdachte eenmaal eerder voor een strafbaar feit - te weten: een verkeersovertreding - is veroordeeld tot een geldboete.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat aan verdachte een (deels voorwaardelijke) werkstraf dient te worden opgelegd. Het hof ziet geen aanknopingspunten af te wijken van de in eerste aanleg opgelegde en in hoger beroep door de advocaat-generaal opnieuw gevorderde werkstraf van na te melden duur.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte primair ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van honderdtwintig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van zestig dagen zal worden toegepast;

beveelt dat een gedeelte van de werkstraf groot veertig uren, subsidiair twintig dagen vervangende hechtenis, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de voormelde werkstraf geheel in mindering wordt gebracht, berekend naar de maatstaf van twee uren werkstraf per dag.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. G.M. Meijer-Campfens, voorzitter, mr. O. Anjewierden en mr. J.A. Wiarda, in tegenwoordigheid van mr. J. Brink als griffier, zijnde mr. J.A. Wiarda buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.