Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BM5902

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
26-05-2010
Datum publicatie
27-05-2010
Zaaknummer
24-001171-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstige vorm van geweldpleging in het uitgaansleven. Hij heeft aangever met een grote paal hard op zijn hoofd geslagen. Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van verdachte, is er bij verdachte sprake van van opzet op de dood van het slachtoffer.

Het beroep op noodweer(-exces) wordt verworpen.

Er is sprake van overschrijding van de redelijke termijn.

Verdachte wordt terzake poging tot doodslag veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-001171-08

Parketnummer eerste aanleg: 19-606512-07

Arrest van 26 mei 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Assen van 15 april 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1985] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. J.W. Brouwer, advocaat te Assen.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Assen heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf en heeft de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De officier van justitie is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen. Hij heeft dit hoger beroep aan verdachte doen betekenen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof :

- verdachte ter zake het primair ten laste gelegde zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, en een onvoorwaardelijke werkstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis;

- de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering, aangezien de vordering niet van eenvoudige aard is.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

hij op of omstreeks 03 juni 2007 te [plaats], gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer], meermalen, met kracht, met een paal/lat, althans met een hard langwerpig voorwerp op zijn hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, terzake dat

hij op een of meer tijdstippen op of omstreeks 03 juni 2007 te [plaats], gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], (telkens) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen

- in het gezicht en/of tegen het lichaam heeft gestompt/geslagen en/of

- terwijl deze op de grond lag, in het gezicht en/of tegen het lichaam heeft getrapt en/of

- met een stok/paal, althans met een hard langwerpig voorwerp, in het gezicht en/of tegen/op het hoofd en/of tegen het lichaam heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft ter zitting aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat verdachte weliswaar aangever [slachtoffer] met een paal heeft geslagen, maar dat verdachte daarbij niet het opzet heeft gehad om [slachtoffer] van het leven te beroven.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen stelt het hof vast dat verdachte aangever [slachtoffer] met een houten paal (met een lengte van 1,3 meter en een dikte van ongeveer 6,5 bij 6,5 centimeter) hard op het hoofd heeft geslagen, nadat verdachte deze paal van [slachtoffer] had afgepakt.

Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat een verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

De gedragingen van de verdachte zijn, gezien de aard van het gebruikte voorwerp, de plaats waar hij aangever heeft geraakt en de kracht waarmee hij heeft geslagen, zozeer gericht op het mogelijke gevolg (de dood van het slachtoffer) dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Van contra-indicaties is het hof in deze zaak niet gebleken.

Het hof acht het voorts een feit van algemene bekendheid dat het hard op het hoofd slaan met een houten paal van genoemde afmetingen dodelijk letsel kan veroorzaken.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

hij op 03 juni 2007 te [plaats], gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] met kracht met een paal op zijn hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

poging tot doodslag.

Strafbaarheid

De raadsman heeft ter zitting aangevoerd dat er sprake was van een noodweersituatie als bedoeld in artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht, dat verdachte zich derhalve mocht verdedigen tegen de aanval van [slachtoffer] en dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Subsidiair heeft de raadsman een beroep gedaan op noodweerexces.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Voor een geslaagd beroep op noodweer(-exces) dient sprake te zijn (geweest) van een noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding.

Uit het dossier en het verhandelde ter zitting van de rechtbank en het hof is niet aannemelijk geworden dat verdachte zich in een dergelijke situatie heeft bevonden. Weliswaar blijkt uit de bewijsmiddelen dat [slachtoffer] schreeuwend en zwaaiend met een paal in zijn handen in de richting van de groep liep waartoe ook verdachte behoorde, maar verdachte heeft deze paal van [slachtoffer] afgepakt en zodoende een mogelijke aanval afgewend. Een situatie waarin verdedigend handelen noodzakelijk geweest zou kunnen zijn, is door verdachte aldus voorkomen.

Het hof verwerpt het beroep op noodweer(-exces).

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstige vorm van geweldpleging in het uitgaansleven. Weliswaar benaderde aangever de groep waartoe verdachte behoorde op agressieve wijze met een grote paal in zijn handen, maar verdachte heeft aangever deze paal afhandig gemaakt en aangever daarmee hard op zijn hoofd geslagen. Aangever is vervolgens bewusteloos op de grond gevallen. Het hof rekent het verdachte aan dat hij volstrekt onnodig heeft gereageerd op de agressieve gedragingen van aangever. Het handelen van verdachte had tot de dood van aangever kunnen leiden.

Verdachte is, blijkens een hem betreffende uittreksel uit het algemeen justitieel documentatieregister d.d. 23 februari 2010, niet eerder veroordeeld voor strafbare feiten.

Op 1 april 2008 is door de Reclassering Nederland een voorlichtingsrapport opgemaakt omtrent de persoon van de verdachte. Uit dit rapport en uit hetgeen door de verdachte en zijn raadsman ter zitting naar voren is gebracht, blijkt dat verdachte een hbo-studie volgt, bij zijn ouders woont, geen schulden heeft, veel sport en niet meer vaak uit gaat.

Het hof stelt vast dat in de hoger beroepsfase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 ERVM is overschreden nu niet binnen twee jaren na het instellen van het rechtsmiddel een eindarrest is gewezen.

Gelet op de ernst van het feit is het hof van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in principe een passende sanctie is. Echter gelet op de overschrijding van de redelijke termijn, op het feit dat verdachte niet eerder is veroordeeld en de provocerende, agressieve rol van aangever, zal het hof thans geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, maar een voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een werkstraf van na te melden duur. De voorwaardelijk op te leggen gevangenisstraf heeft mede ten doel verdachte ervan te weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan strafbare feiten.

Benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken, dat de benadeelde partij [slachtoffer] zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat hij in eerste aanleg niet-ontvankelijk is verklaard in zijn vordering en dat hij zich binnen de grenzen van zijn eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van haar in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

Het hof is van oordeel, dat de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard is, dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. Gelet op het bepaalde in artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, dient de benadeelde partij in zijn vordering niet ontvankelijk te worden verklaard, met bepaling, dat de benadeelde partij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Gelet op het vorenstaande dient de benadeelde partij, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte primair ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van zes maanden;

beveelt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

veroordeelt verdachte tevens tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van tweehonderdveertig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van honderdtwintig dagen zal worden toegepast;

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. J.H. Bosch, voorzitter, mr. H.M.E. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg en mr. H. Heins, in tegenwoordigheid van mr. M. Nijhuis als griffier.