Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BM5634

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
21-05-2010
Datum publicatie
26-05-2010
Zaaknummer
BK 91/09 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of de navorderingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-1321
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

kenmerk: 09/00091

uitspraakdatum: 21 mei 2010

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de heer X, wonende te Z,

belanghebbende

tegen de uitspraak in de zaak met nummer AWB 08/571 van de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) van 11 juni 2009, in het geding tussen

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Assen,

de inspecteur

en

belanghebbende.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Met dagtekening 9 november 2007 heeft de inspecteur aan belanghebbende een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2005 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 43.216 (hierna: de navorderingsaanslag).

1.2. Het tegen de navorderingsaanslag ingediende bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak van 5 februari 2008 ongegrond verklaard.

1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft bij de bestreden uitspraak van 11 juni 2009, verzonden op dezelfde dag, het beroep ongegrond verklaard.

1.4. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld. Het beroepschrift (met bijlagen) is op 21 juli 2009 bij het hof ingekomen. Op 19 augustus 2009 heeft de inspecteur een verweerschrift ingediend.

1.5. Ter zitting van 23 maart 2010 heeft het hof het hoger beroep behandeld. Op de zitting zijn verschenen belanghebbende en namens de inspecteur de heer A. Ter zitting heeft belanghebbende de door hem voorgedragen pleitnota overgelegd. Tegen de overgelegde bijlagen heeft de inspecteur geen bezwaar gemaakt.

1.6. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Feiten

Voor de feiten gaat het hof uit van hetgeen onder 1.1 tot en met 1.9 (Hof: 1.8) staat vermeld in de uitspraak van de rechtbank. Het hof heeft deze feiten hieronder opgenomen als 2.1 tot en met 2.8. Over deze feiten bestaat tussen partijen geen geschil, zodat het hof daarvan zal uitgaan. In die uitspraak zijn de feiten als volgt weergegeven (waarbij het hof opmerkt dat de rechtbank belanghebbende 'eiser' noemt en de inspecteur 'verweerder').

"2.1. Eiser, geboren op .. oktober 19.., is gehuwd met mevrouw B. Eiser was tot 30 november 2005 werkzaam als ambtenaar bij de gemeente L. Met ingang van 1 december 2005 geniet eiser een pensioen van het ABP.

2.2. In het jaar 2005 heeft eiser naast zijn dienstbetrekking werkzaamheden verricht als belastingadviseur. De opbrengst van die werkzaamheden heeft hij in zijn aangiftebiljet aangegeven als resultaat uit overige werkzaamheden.

2.3. Eiser heeft in zijn aangifte bij het onderdeel "Resultaat uit overige werkzaamheden" zowel bij bruto resultaat als bij netto resultaat een bedrag van € 1.652 vermeld. Bij "kosten bij resultaat uit overige werkzaamheden" heeft hij € 0 vermeld. Ook bij de toelichting resultaat uit overige werkzaamheden heeft eiser als opbrengst het bedrag van € 1.652 en als kosten € 0 vermeld.

2.4. Met dagtekening 21 april 2007 heeft verweerder aan eiser de definitieve aanslag conform de aangifte opgelegd naar een inkomen van € 34.816.

2.5. Bij de aanslagregeling van eisers echtgenote (in september/oktober 2007) is verweerder gebleken dat aan haar een vergoeding voor werkzaamheden voor haar echtgenoot wordt toegerekend. Voorts is naar aanleiding van gevoerde correspondentie gebleken dat het door eiser aangegeven resultaat uit overige werkzaamheden ten bedrage van € 1.652 een netto bedrag is dat resteert na aftrek van de kosten.

2.6. Bij brief van 1 oktober 2007 heeft verweerder eiser op de hoogte gesteld van zijn voornemen om aan hem voor het jaar 2005 een navorderingsaanslag IB/PVV op te leggen naar een verzamelinkomen van € 43.216, nu verweerder bij controle van de aftrekposten heeft geconstateerd dat diverse kosten niet aftrekbaar waren, dan wel tot een te hoog bedrag waren opgevoerd.

2.7. Met dagtekening 9 november 2007 heeft verweerder de door hem aangekondigde navorderingsaanslag opgelegd. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt.

2.8. Bij uitspraak op bezwaar van 5 februari 2008 heeft verweerder de navorderingsaanslag gehandhaafd."

3. Geschil

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de navorderingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de inspecteur bevestigend.

3.2. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de aangifte IB/PVV voor het jaar 2005 correct is ingevuld en dat de aanslag met dagtekening 21 april 2007 de definitieve aanslag is. De inspecteur had, gelet op zijn werkopdracht voor het jaar 2005, de inkomsten uit overige werkzaamheden expliciet moeten controleren. Door dit niet te doen beschikt de inspecteur niet over een nieuw feit, zodat navorderen niet mogelijk is, aldus belanghebbende. Ten bewijze van zijn stelling verwijst belanghebbende naar de aanslagregeling van een cliënt van hem.

3.3. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

3.4. Voor een meer uitvoerige motivering van de standpunten van de partijen verwijst het hof naar de gedingstukken en hetgeen ter zitting van de rechtbank en het hof is aangevoerd.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. De rechtbank heeft in haar uitspraak geoordeeld dat belanghebbendes beroep ongegrond is. Daartoe heeft de rechtbank - kort samengevat - overwogen dat de aangifte van belanghebbende geen aanleiding gaf tot een nader onderzoek en dat de inspecteur beschikt over een nieuw feit dat navordering mogelijk maakt. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft de rechtbank verworpen omdat niet aannemelijk is geworden dat sprake is van gelijke gevallen, die een gelijke behandeling behoeven.

Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank en neemt de daartoe in de uitspraak van de rechtbank onder 3.1 tot en met 3.4 gebezigde gronden over en maakt die tot de zijne. Daaraan voegt het hof nog het volgende toe.

4.2. De omstandigheid dat het aangiftebiljet IB/PVV voor het jaar 2005 melding maakt van het feit dat de Belastingdienst bij de behandeling van de aangifte 2005 extra aandacht besteedt aan inkomsten uit overige werkzaamheden, noopt niet tot een ander oordeel. Aan een dergelijke mededeling kan belanghebbende niet het vertrouwen ontlenen dat iedere aangifte waarin dergelijke inkomsten zijn opgenomen, inhoudelijk beoordeeld zal worden. De door de rechtbank onder 3.2 geformuleerde regel, geldt onverkort voor onderdelen van de aangifte waaraan de Belastingdienst zegt extra aandacht te zullen besteden.

4.3. Wat betreft belanghebbendes stelling dat het aangiftebiljet onvoldoende ruimte bood om een correct financieel verslag te kunnen doen, merkt het hof op dat dit niet in de weg staat aan het opnemen in de aangifte van een totaal bedrag aan aftrekbare kosten en lasten. Door dit na te laten en het bruto resultaat op hetzelfde bedrag te stellen als het netto resultaat, heeft belanghebbende de aangifte onjuist ingevuld. Nu belanghebbende geen aftrekbare kosten en lasten in de aangifte heeft opgevoerd, was er voor de inspecteur geen reden om belanghebbendes aangifte - in het kader van de extra aandacht in 2005 voor inkomsten uit overige werkzaamheden - voor nader onderzoek te selecteren. De verwijzing in de aangifte naar de boekhouding 2005 en de door belanghebbende gehanteerde werkwijze bij de eigenwoningschuld, maken vorenstaande niet anders.

4.4. Hetgeen hiervoor is overwogen brengt met zich dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is. Het hof zal de uitspraak van de rechtbank bevestigen.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het gerechtshof

bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld door mr. G.M. van der Meer, voorzitter, mr. F.J.W. Drion en prof.dr. J.J.M. Jansen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2010.

Afschrift aangetekend aan partijen verzonden op 26 mei 2010

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.