Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BM5199

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
06-05-2010
Datum publicatie
20-05-2010
Zaaknummer
200.031.544/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant overleden. Geen belang bij appel nu gegrondheid ervan er niet toe kan leiden dat eventueel teveel betaalde partneralimentatie kan worden teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 6 mei 2010

Zaaknummer 200.031.544

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. J.F. Rouwé-Danes, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. B. Delhaye, kantoorhoudende te Heerenveen,

Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Leeuwarden van 21 januari 2009 (hierna ook wel genoemd: de bestreden beschikking).

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen ter griffie van het hof op 21 april 2009, heeft de man het hof verzocht om die beschikking te vernietigen en alsnog zijn verzoek toe te wijzen.

Bij verweerschrift, binnengekomen ter griffie van het hof op 2 juni 2009, heeft de vrouw het verzoek van de man bestreden en geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de man in zijn verzoek dan wel afwijzing van het verzoek.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken waaronder de brief met bijlagen van mr. Rouwé-Danes van 22 oktober 2009.

De zaak is behandeld ter zitting van het hof van 29 oktober 2009. Partijen zijn daarbij verschenen bijgestaan door hun advocaat. Ter zitting is de zaak aangehouden wegens de bij partijen gebleken bereidheid om een schikking te beproeven.

Nagekomen stukken

Bij faxbericht van 17 november 2009 heeft de advocaat van de man mr. Rouwé-Danes het hof bericht dat de man is overleden.

Het hof heeft een verdere behandeling ter zitting achtwege gelaten, daarbij mede in aanmerking genomen het daartoe strekkende verzoek van mr. Rouwé-Danes.

De beoordeling

1. Het huwelijk van partijen, gesloten op [1962], is [1994] ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Leeuwarden van 2 december 1993 in de registers van de burgerlijke stand. Op

[1977] hebben partijen een dochter gekregen, [dochter]. Zij is derhalve inmiddels meerderjarig.

2. In aansluiting op de beschikking van 2 december 1993 heeft de rechtbank bij beschikking van 31 maart 1994 de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw vastgesteld, welke verplichting laatstelijk is gewijzigd bij beschikking van de rechtbank van 7 april 1999. De door de man aan de vrouw verschuldigde bijdrage in haar levensonderhoud is bij de laatstgenoemde beschikking met ingang van 1 maart 1999 vastgesteld op € 846,30 per maand (fl. 1.865,-).

3. Bij het inleidend verzoekschrift van 14 maart 2008 heeft de man de rechtbank verzocht om de partneralimentatie met ingang van 1 januari 2002, dan wel per datum indiening van het verzoekschrift, te wijzigen op de wijze als nader omschreven aan het eind van dat verzoekschrift.

4. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de man afgewezen onder de overweging dat de man, ondanks de door de rechtbank gegeven opdracht in de tussenbeschikking van 19 november 2008, niet de noodzakelijke gegevens aangaande zijn draagkracht heeft overgelegd.

De overwegingen van het hof

5. Bij het voormelde faxbericht van 17 november 2009 heeft de advocaat van de man bericht dat de man is overleden aan de gevolgen van de Mexicaanse griep.

6. Gelet daarop is naar het oordeel van het hof het procesbelang aan het door de man ingestelde hoger beroep komen te ontvallen, waarbij het hof in aanmerking neemt dat het inleidend verzoek om wijziging van de alimentatieverplichting door de rechtbank is afgewezen en een eventuele gegrondheid van het appel er niet toe kan leiden dat eventueel teveel betaalde partneralimentatie kan worden teruggevorderd van de vrouw. Het recht op een bijdrage in het levensonderhoud is immers een hoogst persoonlijk recht dat naar zijn aard niet te gelde kan worden gemaakt door eventuele erfopvolgers. Voorts plegen bijdragen in het levensonderhoud in de regel ook daarvoor te worden aangewend en is gesteld noch gebleken dat zulks in het onderhavige geval anders is of dat de door de man aan de vrouw betaalde bijdragen de behoefte van de vrouw overstijgen.

De slotsom

7. Het voorgaande betekent dat het hof de man niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn appel.

De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn appel tegen de beschikking van de rechtbank Leeuwarden van 21 januari 2009.

Aldus gegeven door mrs. Hermans, voorzitter, Makkinga en Münzebrock, raden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het hof van 6 mei 2010 in bijzijn van de griffier.