Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BM4607

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
18-05-2010
Datum publicatie
18-05-2010
Zaaknummer
24-002393-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van het medeplegen van overtredingen van de Flora- en faunawet veroordeeld tot een geldboete van € 500,-, subsidiair 10 dagen en tot een geldboete van

€ 250,-, subsidiair 5 dagen hechtenis.

Wetsverwijzingen
Wet op de economische delicten
Flora- en faunawet 9
Flora- en faunawet 79
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002393-08

Parketnummer eerste aanleg: 17-992237-07

Arrest van 18 mei 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, economische kamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Leeuwarden van 22 september 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1946] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

niet ter terechtzitting verschenen. Wel verschenen is de raadsman van verdachte, mr. D. Teeuwsen advocaat te Zutphen.

Het vonnis waarvan beroep

De economische politierechter in de rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf en een overtreding veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

De raadsman van verdachte heeft verklaard uitdrukkelijk te zijn gemachtigd verdachte ter terechtzitting te verdedigen.

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het aan verdachte onder 1. en 2. ten laste gelegde bewezen zal verklaren en hem ter zake zal veroordelen tot een geldboete van € 750,00, subsidiair 15 dagen hechtenis, waarvan € 500,00, subsidiair 10 dagen hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd voor de duur van 2 jaren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

1.

hij op of omstreeks 27 februari 2007, te of bij [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk, één of meer dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten vijf, althans meerdere kolganzen (Anser albifrons), heeft gedood en/of verwond en/of gevangen en/of bemachtigd of met het oog daarop heeft opgespoord;

2.

hij op of omstreeks 27 februari 2007, te of bij [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, heeft gehandeld in strijd met de bij een door Provinciale Staten van Fryslân, op 28 september 2005, aan de grondgebruiker en/of jachtaktehouder verleende vrijstelling/ontheffing ex artikel 65 Flora- en faunawet (Verordening schadebestrijding dieren Fryslân 2005) en de daarin gestelde voorschriften en/of beperkingen, zoals genoemd in artikel 1 en 3 van die Verordening, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) toen aldaar (een) lokmiddel(en) gebruikt, te weten een cassettedeck/recorder met luidspreker met in dat deck/die recorder een bandje met onder andere het geluid van ganzen en welk bandje toen aldaar werd afgedraaid en/of het in een zo natuurlijk mogelijke houding neerleggen van (een) dode kolgans(zen).

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

1.

hij op 27 februari 2007 te [plaats], in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk, dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten vijf kolganzen (Anser albifrons), heeft gedood;

2.

hij op 27 februari 2007 te [plaats], in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander, heeft gehandeld in strijd met de bij een door Provinciale Staten van Fryslân, op 28 september 2005, aan de grondgebruiker verleende vrijstelling/ontheffing ex artikel 65 Flora- en faunawet (Verordening schadebestrijding dieren Fryslân 2005) en de daarin gestelde voorschriften en/of beperkingen, zoals genoemd in artikel 1 en 3 van die Verordening, immers heeft hij verdachte en zijn mededader toen aldaar lokmiddelen gebruikt, te weten een cassettedeck/recorder met luidspreker met in dat deck/die recorder een bandje met onder andere het geluid van ganzen en welk bandje toen aldaar werd afgedraaid en het in een zo natuurlijk mogelijke houding neerleggen van dode kolganzen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1. en 2. meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op het misdrijf:

medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 9 van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan.

en de overtreding:

medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 79, tweede lid, van de Flora- en faunawet.

Strafbaarheid

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat verdachte niet strafbaar is, nu verdachte in het bezit was van een vrijstelling ex artikel 65 van de Flora- en faunawet. Door deze vrijstelling was het voor verdachte toegestaan om in dat betreffende jachtgebied kolganzen te doden. Volgens de raadsman blijkt niet uit de Flora- en faunawet dat de verbodsbepaling van art. 9 van de Flora- en faunawet weer gaat herleven indien men zich niet houdt aan de bij de vrijstelling gestelde voorschriften.

Het hof oordeelt als volgt. Uit artikel 9 van de Flora- en faunawet blijkt dat het - kort gezegd - verboden is om dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort te doden. Deze verbodsbepaling geldt inderdaad niet indien er een vrijstelling ex artikel 65 van de Flora- en faunawet is verleend. Nu ten aanzien van verdachte bewezen is verklaard dat hij bij de jacht op kolganzen lokmiddelen heeft gebruikt, kan verdachte zich niet beroepen op deze vrijstelling. De verleende vrijstelling had namelijk geen betrekking op het doden van lokganzen middels lokmiddelen. Nu verdachte voor het doden van de kolganzen middels lokmiddelen geen vrijstelling had is verdachte strafbaar op grond van artikel 9 van de Flora- en faunawet.

Strafuitsluitingsgronden worden ook overigens niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een tweetal overtredingen van de Flora- en faunawet door kolganzen die tot een beschermde inheemse diersoort behoren, te doden en door lokmiddelen bij de jacht op deze kolganzen te gebruiken. De hier in het geding zijnde voorschriften strekken tot de bescherming van inheemse diersoorten.

Het hof neemt het verdachte kwalijk dat hij zich als jager niet aan de betreffende regelgeving heeft gehouden. Van mensen die in het bezit zijn van een jachtakte mag worden verwacht dat ze zorgvuldig omgaan met de aan hun, op basis van die akte, verstrekte bevoegdheden en dat ze de regelgeving betreffende de jacht in acht nemen.

Het hof houdt bij de strafoplegging voorts rekening met een verdachte betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 9 februari 2010, waaruit is gebleken dat verdachte niet eerder wegens een strafbaar feit is veroordeeld.

Gezien de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, is het hof van oordeel dat hier niet kan worden volstaan met de in eerste aanleg opgelegde - en door de advocaat-generaal gevorderde - straf. Het hof zal aan verdachte, nu voor het misdrijf en de overtreding afzonderlijke straffen behoren te worden opgelegd, voor ieder feit afzonderlijk derhalve een geldboete van na te noemen hoogte opleggen.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24, 24c en 62 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 9 en 79 van de Flora- en faunawet en de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1. en 2. ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1. en 2. meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] terzake van het onder 1. bewezen verklaarde misdrijf tot een geldboete van vijfhonderd euro;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van tien dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

veroordeelt verdachte voornoemd ter zake van de onder 2. bewezen verklaarde overtreding tot een geldboete van tweehonderdvijftig euro;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van vijf dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. S. Zwerwer, voorzitter, mr. K. Lahuis en mr. J.A. Wiarda, in tegenwoordigheid van H. Pool als griffier, zijnde mr. Lahuis en mr. Wiarda beiden voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.