Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BM4287

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
12-05-2010
Datum publicatie
12-05-2010
Zaaknummer
24-002145-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich in de periode van 5 april 2007 tot en met 27 november 2007 schuldig gemaakt aan het medeplegen van de handel in cocaïne en heroïne. Het hof is van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden passend en geboden is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002145-08

Parketnummer eerste aanleg: 19-810210-07

Arrest van 12 mei 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Assen van 19 augustus 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1974] te [geboorteplaats],

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

niet ter terechtzitting verschenen. Wel verschenen is de raadsman van verdachte

mr. H.J. Pellinkhof, advocaat te Assen.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Assen heeft de verdachte bij het vonnis wegens de onder 1 ten laste gelegde misdrijven veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De officier van justitie is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen. Hij heeft dit hoger beroep aan verdachte doen betekenen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Het hof heeft verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte.

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het ten laste gelegde onder 1 en 2 zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 27 november 2007 te [plaats], althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 27 november 2007 te [plaats], althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en/of vijfde lid van de Opiumwet, namelijk het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of aanwezig hebben van middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet.

Vrijspraak feit 2

Het hof is op grond van het onderzoek van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat sprake is geweest van een bepaalde rolverdeling tussen de verdachte en zijn medeverdachten bij de handel in harddrugs, waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen (overwegend) aansturende activiteiten enerzijds en (overwegend) uitvoerende activiteiten anderzijds. Deze rolverdeling was echter niet zodanig gestructureerd dat kan worden gesproken van deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 11a van de Opiumwet.

Het hof acht derhalve niet bewezen hetgeen onder 2 aan verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof overweegt met betrekking tot de pleegperiode dat deze dient te worden verkort tot de periode van 5 april 2007 tot en met 27 november 2007, omdat uit het dossier blijkt dat medeverdachte [medeverdachte] tot en met 4 april 2007 in vreemdelingenbewaring heeft gezeten, terwijl uit het onderzoek niet blijkt dat verdachte eerder is begonnen met de handel in harddrugs dan medeverdachte [medeverdachte].

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij op verschillende tijdstippen in de periode van 5 april 2007 tot en met 27 november 2007 te [plaats], telkens tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich in de periode van 5 april 2007 tot en met 27 november 2007

schuldig gemaakt aan het medeplegen van de handel in cocaïne en heroïne. Door het plegen van deze delicten heeft verdachte het gebruik van cocaïne en heroïne, stoffen die schadelijk zijn voor de volksgezondheid, bevorderd en de gezondheid van de gebruikers in gevaar gebracht.

Het hof houdt rekening met een verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 4 februari 2010, waaruit blijkt dat verdachte eerder veroordeeld is voor soortgelijke delicten. Aan hem is destijds een werkstraf van 180 uren opgelegd en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden.

Gelet op voornoemde omstandigheden en op de ernst en aard van de gepleegde delicten is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming meebrengt. Het hof is van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden passend en geboden is.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen golden ten tijde van de bewezen verklaarde feiten.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP bij verstek:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het verdachte onder 1 ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. P. Koolschijn, voorzitter, mr. H. Heins en mr. G.N. Roes, in tegenwoordigheid van S. van Krugten als griffier, zijnde mr. G.N. Roes buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.