Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BM4099

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
07-05-2010
Datum publicatie
11-05-2010
Zaaknummer
24-002645-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van een destijds tienjarige jongen.

Tevens heeft zij zich schuldig gemaakt aan wederspannigheid en aan belediging van een politieambtenaar.

Verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf van honderd uren waarvan veertig uren voorwaardelijk.

Toewijzing vordering benadeelde partij tot een bedrag van € 100,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Afwijzing vordering TUL.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002645-09

Parketnummer eerste aanleg: 17-037445-09 en 17-758020-07 (TUL)

Arrest van 7 mei 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Leeuwarden van 14 oktober 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1962] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door haar raadsman mr. W.A. Veenstra, advocaat te Joure.

Het vonnis waartegen het beroep is gericht

De politierechter in de rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd en voorts beslist op een vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding en op een vordering tot tenuitvoerlegging, zoals in dat vonnis is omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis, waarvan 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen tot een bedrag van € 100,00 subsidiair 2 dagen hechtenis met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de proeftijd met een jaar zal verlengen.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

1.

zij op of omstreeks 7 april 2009, te [plaats], in de gemeente [gemeente], toen de aldaar dienstdoende [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2], beiden hoofdagent van politie en/of [verbalisant 3] en/of [verbalisant 4], beiden aspirant van politie, verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 300 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, in elk geval op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, had aangehouden en vastgegrepen, althans vast had teneinde haar ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en haar daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten een politiebureau, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtena(a)r(en), werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner/hunner bediening, door opzettelijk gewelddadig te rukken en/of te trekken en/of te duwen in een richting tegengesteld aan die, waarin die ambtena(a)r(en) verdachte trachtte(n) te geleiden;

2.

zij op of omstreeks 7 april 2009, te [plaats], in de gemeente [gemeente], opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [verbalisant 3], aspirant van politie, gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, door (een) feitelijkhe(i)d(en) heeft aangedaan, te weten in het gezicht spugen, althans (een) da(a)d(en) van gelijke beledigende aard en/of strekking;

3.

zij op of omstreeks 25 februari 2009, te [plaats], in de gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [benadeelde]), (met kracht) bij de kleding, ter hoogte van de keel van die [benadeelde], heeft (vast)gepakt en/of (vervolgens) de keel van die [benadeelde] heeft dichtgedrukt, tengevolge waarvan, althans mede tengevolge waarvan die [benadeelde] moeilijk kon ademhalen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

zij op 7 april 2009, te [plaats], toen de aldaar dienstdoende [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden hoofdagent van politie en [verbalisant 3] en [verbalisant 4], beiden aspirant van politie, verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 300 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, hadden aangehouden en vastgegrepen, teneinde haar ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en haar daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten een politiebureau, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening hunner bediening, door opzettelijk gewelddadig te trekken en te duwen in een richting tegengesteld aan die, waarin die ambtenaren verdachte trachtten te geleiden;

2.

zij op 7 april 2009, te [plaats], opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [verbalisant 3], aspirant van politie, gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, een feitelijkheid heeft aangedaan, te weten in het gezicht spugen;

3.

zij op 25 februari 2009, te [plaats], opzettelijk mishandelend een persoon te weten [benadeelde], met kracht bij de kleding, ter hoogte van de keel van die [benadeelde], heeft vastgepakt, tengevolge waarvan die [benadeelde] moeilijk kon ademhalen, waardoor deze pijn heeft ondervonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

1.

wederspannigheid;

2.

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

3.

mishandeling.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van de verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Op 25 februari 2009 heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling van de destijds 10-jarige [benadeelde] door hem met kracht bij de kraag van zijn jas, ter hoogte van zijn keel, vast te grijpen. Een en ander vond plaats naar aanleiding van een ruzie die op het schoolplein was ontstaan tussen verdachtes dochtertje [naam] en [benadeelde].

Uit de verklaring van [benadeelde] d.d. 25 februari 2009 blijkt dat het incident diepe indruk op hem heeft gemaakt.

Ter terechtzitting van het hof heeft verdachte aangegeven thans in te zien dat zij voor een andere oplossing had moeten kiezen.

De verdachte heeft zich daarnaast op 7 april 2009 - toen zij door verbalisanten buiten heterdaad werd aangehouden ter zake van bovengenoemd strafbaar feit - schuldig gemaakt aan wederspannigheid en aan belediging van een politieambtenaar. De verdachte heeft door haar handelen blijk gegeven van een gebrek aan respect jegens de politiefunctionarissen, heeft het gezag van de politie ondermijnd en de politieambtenaar in zijn eer en goede naam aangetast.

Bij de strafoplegging houdt het hof rekening met het verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 22 februari 2010, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld ter zake van mishandeling.

Het hof houdt bij de strafoplegging tevens rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze door verdachte en haar raadsman ter terechtzitting van het hof naar voren zijn gebracht.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de in eerste aanleg opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde werkstraf van honderd uren waarvan veertig uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, in deze zaak als passende bestraffing is aan te merken.

Benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat de benadeelde partij [benadeelde] zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat de vordering van [benadeelde] in eerste aanleg deels is toegewezen en dat hij voor het overige niet-ontvankelijk is verklaard in zijn vordering en dat [benadeelde] zich binnen de grenzen van zijn eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van zijn in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

Naar het oordeel van het hof kan de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk worden toegewezen tot een bedrag van € 100,00, vermeerderd met de wettelijke rente, nu dit deel van de immateriële schade als rechtstreeks gevolg van het onder 3 bewezen verklaarde feit kan worden aangemerkt.

Het hof zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

Gelet hierop dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de hierboven genoemde benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeven van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade van € 100,00, vermeerderd met de wettelijke rente, die door het onder 3 bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en het belang van het slachtoffer ermee is gediend, zal aan de verdachte de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dit schadebedrag ten behoeve van het slachtoffer.

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Leeuwarden van 14 november 2007 is veroordeelde veroordeeld tot een geldboete van ? 220,00 subsidiair 4 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Voormeld vonnis is op 14 november 2007 onherroepelijk geworden. De proeftijd is ingegaan op 29 november 2007. De officier van justitie heeft op 17 augustus 2009 gevorderd dat last zal worden gegeven tot tenuitvoerlegging van voormelde geldboete, ten aanzien waarvan bij voormeld vonnis bevel was gegeven, dat deze voorwaardelijk niet zou worden tenuitvoergelegd, om reden, dat veroordeelde zich voor het einde van voormelde proeftijd heeft schuldig gemaakt aan het ten laste gelegde feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van het hof gevorderd dat het hof de proeftijd met een jaar zal verlengen. Het hof merkt op dat de proeftijd reeds is verlopen en dat verlenging van de proeftijd derhalve thans niet meer mogelijk is. Het hof acht in dit geval geen termen aanwezig de tenuitvoerlegging van de geldboete te bevelen en zal de vordering derhalve afwijzen.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 180, 266, 267 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van honderd uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van vijftig dagen zal worden toegepast;

beveelt dat een gedeelte van de werkstraf groot veertig uren, subsidiair twintig dagen vervangende hechtenis, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij [benadeelde], wonende te [woonplaats] tot een bedrag van honderd euro, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 februari 2009 tot aan de dag van algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van honderd euro, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 februari 2009 tot aan de dag van algehele voldoening, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde], wonende te [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van twee dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;

wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Leeuwarden van 14 november 2007.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. A.J. Rietveld, voorzitter, mr. S.H. Wachter en mr. M.F.H.M. van Haastert, in tegenwoordigheid van mr. L.W. van Campen als griffier. Mr. van Haastert is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.