Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BM4072

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
11-05-2010
Datum publicatie
11-05-2010
Zaaknummer
24-003182-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betreft voetbalrellen SC Cambuur van juni 2009.

Vrijspraak.

Uit het strafdossier is niet gebleken dat de verdachte zelf handelingen heeft verricht zoals ten laste gelegd. Waar de verdachte heeft verklaard wel te hebben gezien dat de ten laste gelegde openlijke geweldshandelingen zich voor zijn ogen hebben afgespeeld, rijst de vraag of de verdachte - door in de groep te blijven waarvan bedoeld openlijk geweld uitging - een wezenlijke of significante bijdrage heeft geleverd aan bedoeld openlijk geweld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2010/266
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 24-003182-09

parketnummer eerste aanleg: 17-820257-09

Arrest van 11 mei 2010 van het gerechtshof Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Leeuwarden van 13 november 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1982] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman, mr. T. van der Goot, advocaat te Leeuwarden.

Het vonnis waartegen het beroep is gericht

De politierechter in de rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het hierboven genoemde vonnis vrijgesproken ter zake van het onder 1en 2 ten laste gelegde en heeft beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals in dat vonnis is omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De officier van justitie is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen en heeft dit hoger beroep aan de verdachte doen betekenen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie in het hoger beroep

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van het hof te kennen gegeven dat het ingestelde hoger beroep zich niet richt tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraak van de verdachte ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de officier van justitie niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde hoger beroep voor zover het betreft het onder 2 ten laste gelegde.

Gelet hierop zal het hof de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep voor zover het betreft het onder 2 ten laste gelegde feit, wegens gebrek aan belang.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd dat het hof de verdachte zal vrijspreken ter zake van het onder 1 primair ten laste gelegde en hem ter zake van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met als bijzondere voorwaarde een stadionverbod gedurende de proeftijd, alsmede tot een taakstraf, in de vorm van een werkstraf, voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen vervangende hechtenis.

Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] zal toewijzen tot € 589,05 en daarbij de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen en de verdachte hoofdelijk zal veroordelen tot vergoeding van bedoelde schade, alsmede dat het hof de benadeelde partij [benadeelde 1] voor het overige niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering.

Ten slotte heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vorderingen tot schadevergoeding van de overige benadeelde partijen (ME-personeel) geheel zal toewijzen en daarbij de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen en de verdachte hoofdelijk zal veroordelen tot vergoeding van bedoelde schade.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis, voor zover dat aan hoger beroep is onderworpen, vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, voor zover hier van belang, ten laste gelegd, dat:

1.

verdachte op of omstreeks 3 juni 2009 en/of 4 juni 2009, te Leeuwarden, (althans) in de gemeente Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan (een) politiefunctionaris(sen) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een of meer ste(e)n(en) of gro(o)t(e) stuk(ken) steen, althans (een) hard(e) en/of stevig(e) voorwerp(en), tegen, naar of in de richting van die politiefunctionaris(sen) heeft gegooid en/of geworpen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

verdachte op of omstreeks 3 juni 2009 en/of 4 juni 2009, te Leeuwarden, (althans) in de gemeente Leeuwarden met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, te weten de Archipelweg en/of de Coopmansstraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen één of meer aldaar aanwezige politiefunctionarissen, welk geweld bestond uit het opzettelijk gooien of werpen van een of meer ste(e)n(en) of gro(o)t(e) stuk(ken) steen, althans (een) hard(e) en/of stevig(e) voorwerp(en), tegen, naar of in de richting van die politiefunctionaris(sen).

Vrijspraak ter zake van feit 1

Het hof acht - evenals de advocaat-generaal en de raadsman van de verdachte - niet bewezen hetgeen onder 1 primair aan de verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Het hof acht - anders dan de advocaat-generaal - niet bewezen hetgeen onder

1 subsidiair aan de verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan eveneens dient te worden vrijgesproken. Het hof grondt deze beslissing op het volgende.

De verdachte heeft ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan het ten laste gelegde. Meer in het bijzonder heeft de verdachte verklaard weliswaar aanwezig te zijn geweest buiten het stadion van SC Cambuur, in de Coopmansstraat, waar zich het ten laste gelegde openlijke geweld heeft voorgedaan, maar daaraan niet te hebben deelgenomen.

Voor een bewezenverklaring van het in vereniging openlijk geweld plegen als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht geldt de eis dat betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, hoewel die bijdrage niet zelf van gewelddadige aard hoeft te zijn. De betrokkene kan bijvoorbeeld ook met een bivakmuts hebben rondgelopen en anderen hebben aangemoedigd. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt, is echter niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die 'in vereniging' geweld pleegt.

Uit het strafdossier noch het verhandelde ter terechtzitting van het hof is gebleken dat de verdachte zelf handelingen heeft verricht zoals ten laste gelegd. Waar de verdachte heeft verklaard wel te hebben gezien dat de ten laste gelegde openlijke geweldshandelingen zich voor zijn ogen hebben afgespeeld, rijst de vraag of de verdachte - door in de groep te blijven waarvan bedoeld openlijk geweld uitging - een wezenlijke of significante bijdrage heeft geleverd aan bedoeld openlijk geweld.

Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend. Uit het strafdossier blijkt niet van éénduidige redengevende feiten of omstandigheden die een dergelijke kwalificatie van de handelingen van de verdachte kunnen dragen.

Meer in het bijzonder is niet gebleken dat de door de advocaat-generaal genoemde handelingen van de verdachte een wezenlijke of significante bijdrage hebben geleverd aan bedoeld openlijk geweld.

Die handelingen, te weten het zich bevinden in en "als een stuiterbal" meebewegen met een groep personen waarvan openlijk geweld uitging, alsmede het aanspreken van mensen van voornoemde groep en het telefoneren door de verdachte, hebben - anders dan de advocaat-generaal heeft gesteld - niet zonder meer het karakter van het organiseren van openlijk geweld, nu niet is vast komen te staan waartoe de verdachte genoemde gedragingen heeft verricht. Dat deze gedragingen dienden om het openlijk geweld te organiseren - zoals door de advocaat-generaal gesteld - kan er niet uit worden afgeleid.

Aldus is niet gebleken dat de bijdrage van de verdachte is uitgestegen boven het leveren van een getalsmatige versterking aan de groep waarvan openlijk geweld uitging.

Vorderingen van de benadeelde partijen

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken dat de benadeelde partijen

[benadeelde 3], [benadeelde 4], [benadeelde 5], [benadeelde 6], [benadeelde 2], [benadeelde 7], [benadeelde 8], [benadeelde 9], [benadeelde 10], [benadeelde 11], [benadeelde 12], [benadeelde 13], [benadeelde 14],[benadeelde 15], [benadeelde 16], [benadeelde 17], [benadeelde 18], [benadeelde 19], [benadeelde 20], [benadeelde 21], [benadeelde 22], [benadeelde 23], [benadeelde 24], [benadeelde 25], [benadeelde 26], [benadeelde 27], [benadeelde 28] en [benadeelde 29] zich in het geding in eerste aanleg hebben gevoegd en dat deze benadeelde partijen in eerste aanleg niet-ontvankelijk zijn verklaard in de vorderingen en dat deze benadeelde partijen zich binnen de grenzen van hun respectieve vorderingen in het geding in hoger beroep opnieuw hebben gevoegd.

Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vorderingen tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

Deze benadeelde partijen dienen in verband met de vrijspraak van de verdachte niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vorderingen.

Gelet op het vorenstaande dienen deze benadeelde partijen, als de in het ongelijk gestelde partijen, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 1] zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd en dat de politierechter - om het hof onbekende reden - geen beslissing heeft genomen op de vordering van deze benadeelde partij.

De [benadeelde 1] heeft zich in het geding in hoger beroep echter niet opnieuw gevoegd als benadeelde partij. Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep niet voort.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het ingestelde hoger beroep voor zover het betreft het onder 2 ten laste gelegde;

vernietigt het vonnis, waartegen het beroep is gericht, voor zover dat aan hoger beroep is onderworpen, en opnieuw recht doende:

verklaart het aan de verdachte onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart de benadeelde partijen [benadeelde 3], [benadeelde 4], [benadeelde 5], [benadeelde 6], [benadeelde 2], [benadeelde 7], [benadeelde 8], [benadeelde 9], [benadeelde 10], [benadeelde 11], [benadeelde 12], [benadeelde 13], [benadeelde 14],[benadeelde 15], [benadeelde 16], [benadeelde 17], [benadeelde 18], [benadeelde 19], [benadeelde 20], [benadeelde 21], [benadeelde 22], [benadeelde 23], [benadeelde 24], [benadeelde 25], [benadeelde 26], [benadeelde 27], [benadeelde 28] en [benadeelde 29] niet-ontvankelijk in hun vorderingen;

veroordeelt deze benadeelde partijen in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H.J. Deuring, voorzitter, mr. J. Hielkema en mr. J.A. Wiarda, in tegenwoordigheid van H. Kingma als griffier. Mr. Wiarda is buiten staat dit arrest te ondertekenen.