Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BM4060

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
11-05-2010
Datum publicatie
11-05-2010
Zaaknummer
24-001615-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betreft voetbalrellen SC Cambuur van juni 2009.

Oplegging van een werkstraf van 180 uren, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand, alsmede een geldboete van € 250,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 24-001615-09

parketnummer eerste aanleg: 17-820255-09

Arrest van 11 mei 2010 van het gerechtshof Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Leeuwarden van 12 juni 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1989] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman, mr. I.J. Woltman, advocaat te Leeuwarden.

Het vonnis waartegen het beroep is gericht

De politierechter in de rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het hierboven genoemde vonnis wegens een misdrijf en een overtreding veroordeeld tot straffen, heeft beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen en heeft maatregelen opgelegd, zoals in dat vonnis is omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 17 november 2009 en 27 april 2010, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte ter zake van het onder

1 primair ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met als bijzondere voorwaarde een stadionverbod gedurende de proeftijd, alsmede tot een taakstraf, in de vorm van een werkstraf, voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van voorarrest.

Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de verdachte ter zake van het onder 2 ten laste gelegde zal veroordelen tot een geldboete van € 250,-, subsidiair vijf dagen vervangende hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] zal toewijzen tot € 589,05 en daarbij de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen en de verdachte hoofdelijk zal veroordelen tot vergoeding van bedoelde schade, alsmede dat het hof de benadeelde partij [benadeelde 1] voor het overige niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering.

Ten slotte heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vorderingen tot schadevergoeding van de overige benadeelde partijen (ME-personeel) geheel zal toewijzen en daarbij de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen en de verdachte hoofdelijk zal veroordelen tot vergoeding van bedoelde schade.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

1.

verdachte op of omstreeks 3 juni 2009 en/of 4 juni 2009, te Leeuwarden, (althans) in de gemeente Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan (een) politiefunctionaris(sen) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een of meer ste(e)n(en) of gro(o)t(e) stuk(ken) steen, althans (een) hard(e) en/of stevig(e) voorwerp(en), tegen, naar of in de richting van die politiefunctionaris(sen) heeft gegooid en/of geworpen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

verdachte op of omstreeks 3 juni 2009 en/of 4 juni 2009, te Leeuwarden, (althans) in de gemeente Leeuwarden met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, te weten de Archipelweg en/of de Coopmansstraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen één of meer, aldaar aanwezige politiefunctionarissen, welk geweld bestond uit het opzettelijk gooien of werpen van een of meer ste(e)n(en) of gro(o)t(e) stuk(ken) steen, althans (een) hard(e) en/of stevig(e) voorwerp(en), tegen, naar of in de richting van die politiefunctionaris(sen);

2.

hij op of omstreeks 4 juni 2009, te Leeuwarden, in de gemeente Leeuwarden, een (stuk) (stoep)tegel en/of (een) straatklinker(s), in elk geval een (stuk) steen, zijnde een voorwerp als bedoeld in de categorie IV onder 7e van de Wet wapens en munitie, heeft gedragen.

Overweging met betrekking tot het bewijs van feit 1 primair en feit 2

De verdachte heeft ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan het onder 1 en 2 ten laste gelegde. Meer in het bijzonder heeft de verdachte verklaard weliswaar aanwezig te zijn geweest op een plaats buiten het stadion van SC Cambuur waar zich ongeregeldheden hebben voorgedaan, maar daarbij niet een steen of een stuk steen, maar uitsluitend een aansteker in de richting van politiefunctionarissen te hebben gegooid.

Uit het proces-verbaal van aanhouding van de verdachte blijkt dat de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], die deel uitmaakten van de in burger geklede aanhoudingseenheid, hebben waargenomen dat de verdachte zich bevond in een groep personen en dat verschillende personen uit die groep met stenen gooiden naar de linie van de mobiele eenheid. De verbalisanten hebben tevens waargenomen dat de verdachte toen een stuk van een straatklinker oppakte en dit stuk straatklinker met kracht en gericht in de richting van de ME gooide.

De verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] - ter terechtzitting van het hof gehoord als getuige - hebben verklaard dat zij de verdachte ten tijde van diens door hun beschreven gedraging en de daarop volgende aanhouding goed hebben kunnen waarnemen en niet uit het oog hebben verloren. Verbalisanten hebben uitgesloten dat daarbij sprake is geweest van een vergissing in hun waarneming, dan wel van een persoonsverwisseling.

De verdachte heeft tijdens zijn verhoor bij de politie erkend dat hij op de door de verbalisanten aangegeven locatie is aangehouden en dat hij, voorafgaande aan zijn aanhouding, heeft gezien dat er toen met stenen naar de ME werd gegooid door anderen.

Het hof heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de waarnemingen van bovengenoemde verbalisanten. Verbalisanten zijn als lid van een aanhoudingseenheid door opleiding en trainingen en bijscholing bovengemiddeld capabel op het gebied van waarneming, ook onder (enigszins) hectische omstandigheden.

De enkele stelling, dan wel veronderstelling - opgeworpen door de verdachte en diens raadsman - dat met de aanhouding van de verdachte sprake kan zijn geweest van een vergissing in de waarneming van de verbalisanten, dan wel van een persoonsverwisseling is geenszins aannemelijk geworden.

Het hof acht bewezen dat van de verdachte zelf een actieve gewelddadige handeling jegens politiefunctionarissen is uitgegaan, te weten het gooien of werpen van een stuk van een straatklinker tegen, naar of in de richting van politiefunctionarissen.

Uit het strafdossier blijkt voorts dat de verdachte zich op dat moment bevond in een groep personen die zich bezighield met die gewelddadige handelingen.

Uit die gedragingen en omstandigheden volgt dat het opzet van de verdachte gericht was op het - in nauwe en bewuste samenwerking met anderen - plegen van een poging tot zware mishandeling van politiefunctionarissen.

Gelet immers op het groepsgewijze optreden bij het plegen van het geweld en de daarbij aangewende middelen (het gooien van stenen en stukken steen naar personen) is de kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel in de situatie waarop de tenlastelegging betrekking heeft, aanmerkelijk geweest.

Het hof acht op grond van het bovenstaande wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 1 primair en 2 aan de verdachte is ten laste gelegd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1 primair -

hij op 3 juni 2009 te Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen aan politiefunctionarissen opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet stenen of grote stukken steen, tegen, naar of in de richting van die politiefunctionarissen heeft gegooid of geworpen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2 -

hij omstreeks 4 juni 2009 te Leeuwarden een stuk straatklinker, zijnde een voorwerp als bedoeld in de categorie IV onder 7e van de Wet wapens en munitie, heeft gedragen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte als voormeld onder 1 primair en

2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op:

het misdrijf:

1 primair -

medeplegen van poging tot zware mishandeling;

en de overtreding:

2 -

handelen in strijd met artikel 27, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid

Het hof acht de verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de in hoger beroep op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan en de persoon van de verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

In de nacht van 3 op 4 juni 2009 heeft zich na afloop van de voetbalwedstrijd van

SC Cambuur tegen Roda JC in Leeuwarden op grootschalige en ongekend heftige wijze voetbalgeweld voorgedaan, gedurende ruim anderhalf uur. Dit geweld ging uit van de supporters van SC Cambuur, alsmede anderen en richtte zich tegen de supporters van Roda JC en tegen stewards en politiefunctionarissen die in en/of buiten het stadion van SC Cambuur werden ingezet om het voetbalgeweld in te tomen en tegen te gaan.

Het buiten het stadion aangewende geweld bestond onder meer hierin dat massaal, dat wil zeggen door grote aantallen mensen, gegooid werd met stenen voorwerpen, dan wel delen daarvan in de richting van politiefunctionarissen.

De verdachte heeft zich in dit kader buiten het stadion schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot zware mishandeling, zoals hierboven bewezen verklaard. De verdachte en zijn mededaders hebben door hun gewelddadige optreden een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en voorts hebben zij gevoelens van onveiligheid opgewekt bij het publiek dat hier ongewild getuige van is geweest. Daarnaast is dergelijk openlijk gewelddadig optreden in het algemeen - en in vereniging in het bijzonder - zeer bedreigend en versterkt het de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. De verdachte heeft door zijn handelen hieraan bijgedragen. Ter zake van een dergelijk delict hanteert het hof een oriëntatiepunt voor straftoemeting dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf impliceert. Het hof heeft er echter rekening mee gehouden dat er geen aanwijzingen zijn aangetroffen die aanleiding geven om de verdachte te beschouwen als een zogenaamde harde kern supporter of hooligan.

Voorts bleek de verdachte een onder genoemde omstandigheden verboden wapen voorhanden te hebben. Een dergelijk bezit van een verboden wapen kan in zijn algemeenheid een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen en/of goederen met zich meebrengen en een gevoel van onveiligheid in de maatschappij veroorzaken. Door te handelen als hij heeft gedaan, heeft de verdachte daaraan bijgedragen.

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf voorts rekening gehouden met het de verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 2 maart 2010, waaruit ten gunste van de verdachte blijkt hij niet eerder is veroordeeld ter zake van enig strafbaar feit.

Het hof heeft voorts gelet op hetgeen de verdachte en zijn raadsman ter terechtzitting van het hof hebben aangevoerd met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en met hetgeen daaromtrent overigens uit het strafdossier is gebleken.

Naar het oordeel van het hof is met name het onder 1 primair bewezen verklaarde delict een ernstig strafbaar feit, waarop - uit het oogpunt van normhandhaving en tevens ter vergelding van het door de verdachte begane strafbare feit - een vrijheidsbenemende straf in beginsel een passende en noodzakelijke reactie is.

Gelet echter met name op het ontbreken van enige strafrechtelijke recidive kan in dit geval worden volstaan met de oplegging van een combinatie van een voorwaardelijke gevangenisstraf van hierna te melden duur, alsmede een onvoorwaardelijke werkstraf van hierna te noemen duur ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde, alsmede de oplegging van een voorwaardelijke geldboete van hierna te noemen hoogte ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde delict. Daarbij heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

In het feit dat de verdachte niet kan worden aangemerkt als harde kern supporter of hooligan, ziet het hof aanleiding aan de verdachte geen stadionverbod op te leggen.

Vorderingen van de benadeelde partijen

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken dat de benadeelde partijen [benadeelde 2], [benadeelde 3], [benadeelde 4], [benadeelde 5], [benadeelde 6], [benadeelde 7], [benadeelde 8], [benadeelde 9], [benadeelde 10], [benadeelde 11], [benadeelde 12], [benadeelde 13], [benadeelde 14] en [benadeelde 15] zich in het geding in eerste aanleg hebben gevoegd en dat de vorderingen geheel zijn toegewezen.

Derhalve duurt de voeging ter zake van de gehele vordering tot schadevergoeding van deze benadeelde partijen in het geding in hoger beroep voort. Deze benadeelde partijen hebben aangegeven immateriële schade te hebben geleden ten gevolge van het hierboven beschreven voetbalgeweld, waaraan deze benadeelde partijen gedurende ruim anderhalf uur waren blootgesteld. Deze benadeelde partijen werden gedurende die tijdspanne bekogeld met diverse voorwerpen, door diverse personen/groepen, op diverse plaatsen en tijdens diverse charges en linievorming.

Uit het strafdossier is echter niet éénduidig gebleken van een causaal verband tussen een schadeveroorzakende gedraging van de verdachte en enige daardoor veroorzaakte immateriële schade van deze benadeelde partijen.

Onduidelijk is immers of deze benadeelde partijen tevens werden ingezet op een tijdstip dat en op een locatie die - mede gelet op het tijdstip waarop de verdachte is aangehouden - met het door de verdachte en zijn mededaders gepleegde openlijke geweld in verband te brengen is.

Naar het oordeel van het hof zijn de vorderingen van deze benadeelde partijen op grond van het bovenstaande niet eenvoudig van aard. Deze benadeelde partijen dienen daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun vorderingen. De vorderingen kunnen slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Gelet op het vorenstaande dienen deze benadeelde partijen, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voorts gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 1] zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat de vordering van deze benadeelde partij in eerste aanleg deels is toegewezen en voor het overige niet-ontvankelijk is verklaard en dat deze benadeelde partij zich in het geding in hoger beroep niet opnieuw heeft gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort tot het bedrag dat in eerste aanleg is toegewezen.

Nu de verdachte niet is veroordeeld ter zake van een schadeveroorzakend delict waarop de vordering van deze benadeelde partij betrekking heeft, dient deze benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard, met veroordeling van de benadeelde partij in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24, 24c, 45, 47, 62 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 27 en 54 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waartegen het beroep is gericht, en opnieuw recht doende:

verklaart het aan de verdachte onder 1 primair en 2 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en de verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte [verdachte] ter zake van feit 1 primair tot:

een gevangenisstraf voor de duur van één maand;

beveelt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op de grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

alsmede tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van honderdtachtig uren, met het bevel dat, voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van negentig dagen zal worden toegepast;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht bij de uitvoering van de voormelde werkstraf geheel in mindering wordt gebracht, berekend naar de maatstaf van twee uren werkstraf per dag;

veroordeelt de verdachte ter zake van feit 2 tot een geldboete van tweehonderdvijftig euro;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van vijf dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling, noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

beveelt dat de geldboete niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op de grond dat veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

verklaart de benadeelde partijen [benadeelde 2], [benadeelde 3], [benadeelde 4], [benadeelde 5], [benadeelde 6], [benadeelde 7], [benadeelde 8], [benadeelde 9], [benadeelde 10], [benadeelde 11], [benadeelde 12], [benadeelde 13], [benadeelde 14], [benadeelde 15] en de [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in hun vorderingen;

bepaalt dat de benadeelde partijen de vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H.J. Deuring, voorzitter, mr. J. Hielkema en mr. J.A. Wiarda, in tegenwoordigheid van H. Kingma als griffier. Mr. Wiarda is buiten staat dit arrest te ondertekenen.