Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BM3398

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
03-05-2010
Datum publicatie
04-05-2010
Zaaknummer
24-001606-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Openlijke geweldpleging tegen goederen in de nacht van Oud en Nieuw. Aandeel van verdachte door de verdediging zodanig gering geacht dat vrijspraak dient te volgen. Het hof oordeelt dat die bijdrage voldoende significant is geweest. Veroordeling tot een werkstraf van 30 uur, subsidiair 15 dagen vervangende jeugddetentie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-001606-08

Parketnummer eerste aanleg: 18-640243-08

Arrest van 3 mei 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Groningen van 16 juni 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1993] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman, mr. F. Gosselaar, advocaat te Winschoten.

Het vonnis waarvan beroep

De kinderrechter in de rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf en een beslissing genomen op de vordering van de benadeelde partij, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte voor het primair ten laste gelegde zal veroordelen tot een werkstraf van 30 uren, subsidiair 15 uren vervangende jeugddetentie.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

hij in of omstreeks de periode van 31 december 2007 tot en met 1 januari 2008 te [plaats], gemeente [gemeente], met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de [adres] en/of de [adres], in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen goederen, te weten

- de woning gelegen aan de [adres] en

- het interieur in die woning en

- een conifeer,

welk geweld bestond uit

- het ingooien van de ramen van die woning en

- het intrappen van de voordeur van die woning

- het gooien met en/of vernielen van het interieur in die woning

- het besprenkelen met benzine van die conifeer en

- het in brand steken van die conifeer;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 31 december 2007 tot en met 1 januari 2008 te [plaats], gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk

- een of meerdere ramen van een woning gelegen aan de [adres] en

- het interieur in de woning gelegen aan de [adres],

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Enkele overwegingen omtrent het bewijs van het primair ten laste gelegde

Ten laste is gelegd dat verdachte zich, tezamen met anderen, schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen goederen tijdens Oud en Nieuw 2007/2008. Door en namens verdachte is naar voren gebracht dat het aandeel van verdachte zodanig gering is geweest dat er niet gesproken kan worden van mededaderschap in de zin van artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht. De raadsman stelt zich primair op het standpunt dat verdachte vrijgesproken moet worden van het hem ten laste gelegde. Subsidiair verzoekt de raadsman hem een geheel voorwaardelijke straf op te leggen.

Het hof overweegt hierover het navolgende.

Het ten laste gelegde incident ziet op een reeks in groepsverband gepleegde vernielingen. Verdachte maakte deel uit van de betreffende groep. Het hof dient de vraag te beantwoorden of de bijdrage van verdachte aan het ten laste gelegde van dien aard is geweest dat een bewezenverklaring van openlijke geweldpleging, zoals omschreven in artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht dient te volgen. Verdachte heeft erkend dat hij "uit baldadigheid" een - door een ander met benzine besprenkelde - conifeer met behulp van vuurwerk opzettelijk in brand heeft gestoken. Voorts acht het hof - ondanks verdachtes ontkenning op dit punt - op grond van meerdere getuigenverklaringen bewezen dat hij een steen door de ruit van de woning aan de [adres] te [woonplaats] heeft gegooid.

Het hof is van oordeel dat verdachte daarmee een significante bijdrage heeft geleverd aan het door de groep gepleegde openlijke geweld jegens bedoelde woning. Ten overvloede zij daarbij opgemerkt dat het feit dat het hof de vernieling van de ruit aan verdachte toerekent niet doorslaggevend is voor de bewezenverklaring. Uit de wetsgeschiedenis alsmede uit de relevante jurisprudentie blijkt dat voor een bewezenverklaring voldoende is dat verdachte deel heeft uitgemaakt van de groep, die het openlijk geweld heeft gepleegd en daadwerkelijk een bijdrage aan dat geweld heeft geleverd. Die bijdrage kan bestaan uit het verrichten van een gewelddadige handeling. Dat hoeft echter niet. Strafbaar is in beginsel ook degene die op enigerlei wijze een ondersteunende rol speelt door - bijvoorbeeld - de groep getalsmatig te versterken, anderen aan te moedigen of deelnemers aan de openlijke geweldpleging te werven. Het door het betreffende wetsartikel beschermde belang is in de eerste plaats dat van de openbare orde en voorts dat van - onder meer - individuele rechtsgoederen, zoals eigendommen van anderen.

Het hof zal de aan het interieur van de eerdergenoemde woning gepleegde vernielingen schrappen uit de bewezenverklaring, nu deze vernielingen niet kunnen worden aangemerkt als openlijk geweld.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

hij in de periode van 31 december 2007 tot en met 1 januari 2008 te [plaats], met anderen, aan de openbare weg, de [adres], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen goederen, te weten

- de woning gelegen aan de [adres] en

- een conifeer,

welk geweld bestond uit

- het ingooien van de ramen van die woning en

- het besprenkelen met benzine van die conifeer en

- het in brand steken van die conifeer.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

het openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.

Verdachte heeft zich, tezamen met anderen, schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen goederen tijdens de nieuwjaarsnacht 2007/2008. Dergelijk optreden van groepen jongeren tijdens Oud en Nieuw is gedurende de laatste jaren lokaal tot een welhaast onbeheersbaar openbare ordeprobleem geworden. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij daaraan door zijn gedragingen in de betreffende nacht een bijdrage heeft geleverd.

Het hof heeft voorts gelet op het de verdachte betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 1 maart 2010, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor enig strafbaar feit. Ook overigens is er geen sprake van reden tot zorg over de ontwikkeling van verdachte, hetgeen door de ter terechtzitting aanwezige ouders van verdachte is bevestigd.

Het hof acht de in eerste aanleg opgelegde werkstraf van 40 uren in beginsel een passende reactie op het bewezen verklaarde feit. Nu echter inmiddels circa twee-en-een-half jaar is verstreken acht het hof - overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal - een beperking van het aantal op te leggen uren in de rede liggend. Het hof heeft daarbij tevens gelet op het feit dat verdachte op 22 september 2009 vergeefs naar het hof is gekomen. De behandeling van zijn zaak kon op die dag geen doorgang vinden, aangezien de overige zaken te zeer waren uitgelopen.

Alles afwegende acht het hof een werkstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 77a, 77m, 77n en 141 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte primair ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van dertig uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door vijftien dagen jeugddetentie.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, voorzitter, mr. H.J. Deuring en mr. B.F. Keulen, in tegenwoordigheid van J.B. Schwerzel als griffier, zijnde mr. B.F. Keulen buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.