Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BM3175

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
03-04-2010
Datum publicatie
03-05-2010
Zaaknummer
24-002653-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het openbaar ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard in het ingesteld hoger beroep, omdat een redelijk handelend openbaar ministerie niet tot het besluit had kunnen komen het (tijdig) ingestelde hoger beroep nu nog te handhaven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002653-07

Parketnummer eerste aanleg: 18-030369-03

Arrest van 29 april 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Groningen van 11 oktober 2007 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1963] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. M.S. de Groene, advocaat te Groningen.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Groningen heeft het openbaar ministerie bij het vonnis niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging.

Gebruik van het rechtsmiddel

De officier van justitie is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen. Hij heeft dit hoger beroep aan verdachte doen betekenen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in hoger beroep

Ter beoordeling ligt de vraag voor of het openbaar ministerie thans ontvankelijk is in het destijds door de officier van justitie tijdig ingestelde hoger beroep. Het hof hanteert hierbij het criterium of een redelijk handelend openbaar ministerie tot handhaving van het ingestelde hoger beroep had kunnen besluiten.

De advocaat-generaal heeft de bezwaren tegen het vonnis, zakelijk weergegeven, als volgt toegelicht.

De termijn waarbinnen de vervolging heeft plaatsgevonden is niet redelijk naar de maatstaf van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Op grond hiervan heeft de rechtbank bij vonnis van 11 oktober 2007 het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging verklaard.

Op 17 juni 2008 (LJN: BC 6913) is in een andere strafzaak door de Hoge Raad arrest gewezen, waarbij de Hoge Raad heeft geoordeeld dat overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen.

Gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad wil het openbaar ministerie "een signaal afgeven aan de rechtbank dat het afgelopen moet zijn met het niet-ontvankelijk verklaren van het openbaar ministerie wegens overschrijding van de redelijke termijn". Het onderhavige hoger beroep is voor het openbaar ministerie een middel om dit signaal aan de rechtbank af te geven. Indien het openbaar ministerie door het hof wel ontvankelijk wordt verklaard in de vervolging, dan zal door het openbaar ministerie - gelet op het tijdsverloop - schuldigverklaring zonder oplegging van straf worden gevorderd.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Het vonnis van de rechtbank dateert van vóór het hierboven genoemde arrest van de Hoge Raad. Na dit arrest is door dit hof al verschillende keren arrest gewezen waarbij het openbaar ministerie ontvankelijk is verklaard in de vervolging, terwijl de desbetreffende rechtbank tot een niet-ontvankelijkverklaring had geoordeeld wegens overschrijding van de redelijke termijn. Derhalve is het door het openbaar ministerie gewenste signaal aan de rechtbank in het ressort al meer dan eens afgegeven. Daarnaast gaat het hof er vanuit dat de rechtbank kennis heeft genomen van de na de datum van het vonnis waarvan beroep gepubliceerde jurisprudentie van de Hoge Raad en haar beslissingen aan de inhoud daarvan heeft aangepast.

Voor een redelijk handelend openbaar ministerie is het belang van het afgeven van een signaal aan de rechtbank op deze gronden onvoldoende om tot handhaving van het onderhavige ingestelde hoger beroep te kunnen besluiten.

Van een ander te respecteren belang is evenmin gebleken. Voorop staat dat het openbaar ministerie zelf ter zitting het standpunt heeft ingenomen dat bestraffing niet de inzet van dit hoger beroep is. Volstaan kan immers worden met een schuldigverklaring zonder straf, aldus het openbaar ministerie. Met andere woorden: strafoplegging is, in de visie van het openbaar ministerie zelf, niet het belang dat met het hoger beroep in deze zaak wordt gediend.

In het algemeen is beoordeling van de schuldvraag aan te merken als een met de voortzetting van de strafprocedure in hoger beroep te dienen belang. In het onderhavige geval is namens het openbaar ministerie ter zitting volstaan met de mededeling dat, indien het vonnis waarvan beroep wordt vernietigd, met schuldigverklaring zonder straf kan worden volstaan omdat het het openbaar ministerie niet gaat om de inhoud van de zaak, maar om het hiervoor al vermelde signaal aan de rechtbank. Aldus is weliswaar die schuldigverklaring door het openbaar ministerie formeel benoemd als een relevant belang, maar materieel voorzien van de kanttekening dat het hoger beroep zich in het geheel niet op dat belang richt. Daarbij komt dat de tenlastegelegde feiten dateren uit de periode 2000 tot en met 2003. Het betreft dus relatief oude feiten. Het gaat voorts om verdenking van het hebben van een hennepkwekerij van beperkte omvang en ten behoeve van die kwekerij gestolen elektriciteit. Dat zijn geen feiten die als zodanig schokkend moeten worden aangemerkt dat het oordeel over de schuldvraag ook na zeer lange tijd nog gewenst is. Uit het verhandelde ter zitting is daarnaast gebleken dat verdachte de benadeelde partij schadeloos heeft gesteld. De rechtsorde is in zoverre dus hersteld. Dat aspecten van de zaak die tot beantwoording van rechtsvragen nopen aan de orde zijn is gesteld noch gebleken. Ook het gestelde belang van de schuldigverklaring is in het licht van het voorgaande bezien dan ook onvoldoende om als redelijk belang voor handhaving van het ingestelde hoger beroep te kunnen gelden.

De belangen van verdachte zijn daarenboven gediend met een voortvarende afwikkeling van zijn zaak. Dat belang is geschonden omdat zowel in eerste aanleg als in hoger beroep de termijn waarbinnen zijn zaak had kunnen en moeten worden afgedaan nu reeds aanmerkelijk is overschreden. Indien de beslissing van de rechtbank zou worden vernietigd en de zaak door die rechtbank opnieuw zou moeten worden behandeld - hetgeen in dat geval te verwachten is omdat verdachte heeft doen weten niet in te stemmen met afdoening van de zaak door het hof - zou die overschrijding alleen maar forser worden. Bovendien moet verdachte dan nog langer in onzekerheid verkeren over de uiteindelijke afdoening van zijn zaak.

Op grond van al het voorgaande in onderling verband bezien heeft het openbaar ministerie in redelijkheid niet kunnen besluiten het hoger beroep in deze zaak thans nog te handhaven. Het wordt op die grond niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in het ingestelde hoger beroep.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. W.P.M. ter Berg, voorzitter, mr. H. Heins en mr. G.N. Roes, in tegenwoordigheid van mr. M. Nijhuis als griffier.