Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BM2670

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
22-04-2010
Datum publicatie
28-04-2010
Zaaknummer
24-002319-09
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BR3033, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BR3033
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overtreding Leerplichtwet 1969. 1. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Het hof verwerpt het verweer dat de moeder van de jongere, als degene die met het ouderlijk gezag over de jongere is belast, primair aansprakelijk dient te worden gesteld. Het hof overweegt in dat verband dat de Aanwijzing strafrechtelijke aanpak schoolverzuim inhoudt dat in geval vervolging van de ouder/verzorger ter zake van signaalverzuim het uitgangspunt geldt dat één ouder/verzorger wordt vervolgd, te weten degene die is gehoord, dan wel de ouder/feitelijk verzorger die in het bevolkingsregister als gezinshoofd wordt aangemerkt. In de onderhavige zaak is de verdachte door de leerplichtambtenaar gehoord. 2. Bewijs. Nog daargelaten dat reeds uit de verklaring van de verdachte ter zitting volgt dat hij (mede) feitelijk verzorger van de jongere is, blijkt uit het dossier niet anders dan dat de verdachte zich ook verantwoordelijk achtte voor de jongere en in dat verband ook feitelijk beslissingen heeft genomen ten aanzien van het schoolverzuim en dat verzuim daadwerkelijk heeft gesteund.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002319-09

Parketnummer eerste aanleg: 19-450271-09

Arrest van 22 april 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Assen van 2 september 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1965] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. M.T. van Daatselaar, advocaat te Hoogeveen.

Het vonnis waarvan beroep

De kantonrechter heeft de verdachte bij het vonnis wegens een overtreding veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de kantonrechter zal vernietigen, het ten laste gelegde zal bewezen verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een geldboete van zevenhonderdvijftig euro, bij niet betaling of verhaal te vervangen door vijftien dagen hechtenis, waarvan vijfhonderd euro voorwaardelijk, subsidiair tien dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

hij in of omstreeks de periode van 18 september 2008 tot en met 7 januari 2009 te [plaats], meermalen, althans eenmaal, terwijl hij (telkens) als degene die het gezag uitoefende over de jongere [betrokkene], geboren op [1992], althans terwijl hij zich (telkens) met de feitelijke verzorging van die jongere had belast, (telkens) niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere, die als leerling van een school, te weten het [school], was ingeschreven, die school na inschrijving geregeld bezocht.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte ten onrechte wordt vervolgd voor het schoolverzuim van de jongere. De moeder van de jongere dient, als degene die met het ouderlijk gezag over de jongere is belast, primair aansprakelijk te worden gesteld.

Het hof verstaat het verweer van de raadsman aldus dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte.

Het openbaar ministerie hanteert ten behoeve van de strafrechtelijke aanpak van schoolverzuim beleidsregels. De ten tijde van het onderhavige feit geldende Aanwijzing strafrechtelijke aanpak schoolverzuim (registratienummer 2007A006) schrijft voor dat in geval van zogenaamd signaalverzuim zowel de ouders als de jongere vervolgd kunnen worden. In geval van vervolging van de ouder/verzorger is het uitgangspunt dat één ouder/verzorger wordt vervolgd, te weten degene die is gehoord, dan wel de ouder/feitelijk verzorger die in het bevolkingsregister als gezinshoofd wordt aangemerkt. In de onderhavige zaak is de verdachte, die blijkens de Gemeentelijke Basisadministratie van de gemeente [gemeente] op hetzelfde adres woont als de jongere, door de leerplichtambtenaar gehoord. De verdachte en de jongere zijn strafrechtelijk vervolgd.

Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de officier van justitie niet in redelijkheid tot vervolging van de verdachte had kunnen overgaan. Het hof verwerpt daarom dit verweer.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

De raadsman van de verdachte heeft blijkens zijn appelschriftuur d.d. 30 september 2009 en het verhandelde ter zitting niet bestreden dat de verdachte met de feitelijke verzorging van de jongere is belast. Door en namens de verdachte is echter betoogd dat de verdachte niet verantwoordelijk kan worden gesteld voor het verzuim van de jongere omdat hij pas sinds 2000/2001 in het gezin woont en zich in de opvoeding van de kinderen steeds terughoudend heeft opgesteld. In financieel opzicht wordt een gezamenlijke huishouding gevoerd en de verdachte neemt ook wel ten dele de verantwoordelijkheid voor de opvoeding van de kinderen op zich, maar in bepaalde zaken houdt de verdachte zich afzijdig.

Het ambtsedig proces-verbaal d.d. 13 maart 2009 van de leerplichtambtenaar van de gemeente [gemeente] houdt in dat de verdachte op 31 oktober 2008 contact heeft opgenomen met de school en dat de verdachte met de jongere op 5 november 2008 een gesprek heeft gehad met de school over de richting van de opleiding van de jongere.

De verdachte is op 19 februari 2009 gehoord door de leerplichtambtenaar. De verdachte heeft onder meer verklaard: "Ik had er niet zoveel problemen mee dat hij thuis liep, want hij heeft zoveel problemen gehad. Ik vond dat hij goed moest nadenken voor de keuze die hij moest maken. We hebben de indruk dat hij nu een goede keuze maakt. Zou hij de opleiding voor vrachtwagenchauffeur blijven volgen, blijft hij psychisch in de problemen. Hij heeft de afgelopen maanden o.a. zijn zuster geholpen in haar bedrijf."

Het proces-verbaal houdt voorts in dat de verdachte niet toestond dat de jongere door de leerplichtambtenaar werd gehoord.

Nog daargelaten dat reeds uit de verklaring van de verdachte ter zitting volgt dat hij (mede) feitelijk verzorger van de jongere is, blijkt uit het dossier niet anders dan dat de verdachte zich ook verantwoordelijk achtte voor de jongere en in dat verband ook feitelijk beslissingen heeft genomen ten aanzien van het schoolverzuim en dat verzuim daadwerkelijk heeft gesteund. Het hof verwerpt daarom het verweer.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

de verdachte in de periode van 18 september 2008 tot en met 7 januari 2009 te [plaats], terwijl hij zich met de feitelijke verzorging van de jongere [betrokkene], geboren op [1992], had belast, niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere, die als leerling van een school, te weten het [school], was ingeschreven, die school na inschrijving geregeld bezocht.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op de overtreding:

niet nakoming van de verplichting opgelegd bij artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder in aanmerking genomen dat de verdachte het verzuim van de jongere op actieve wijze heeft gesteund en gefaciliteerd. Hoewel er begrip voor kan worden opgebracht dat de verdachte de jongere [betrokkene] tijd en rust heeft willen geven om over zijn schoolkeuze na te denken, had het ook op zijn weg gelegen [betrokkene] actief te stimuleren contact te blijven houden met de school, en had hij daarin ook zelf stappen dienen te ondernemen. Verdachte heeft er echter voor gekozen om pogingen van de school tot contact hierover te negeren of op de lange baan te schuiven, hetgeen heeft geleid tot schoolverzuim over een langere periode.

In afwijking van de vordering van de advocaat-generaal acht het hof daarom een geheel onvoorwaardelijk op te leggen geldboete van na te melden omvang een passende sanctie.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 26 van de Leerplichtwet 1969 en de artikelen 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een geldboete van zevenhonderdvijftig euro;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van vijftien dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. P.W.J. Sekeris, voorzitter, mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo en mr. H.J. de Ruijter, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Zomer als griffier, zijnde mr. H.J. de Ruijter buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.