Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BM2656

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
22-04-2010
Datum publicatie
28-04-2010
Zaaknummer
24-000934-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt wegens het onbruikbaar maken van een goed veroordeeld tot een geldboete van €300,- subsidiair zes dagen vervangende hechtenis. Het hof hecht geen geloof aan verdachtes ontkennende verklaringen, nu de verklaring van aangever in grote lijnen wordt ondersteund door de verklaringen van twee onafhankelijke getuigen. Toewijzing vordering BP met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000934-09

Parketnummer eerste aanleg: 18-654416-08

Arrest van 22 april 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 2 maart 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1958] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, heeft een maatregel opgelegd en een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een geldboete van € 300,- subsidiair 6 dagen vervangende hechtenis. Voorts heeft zij gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij geheel toe zal wijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

hij op of omstreeks 13 september 2008, te [plaats], in de gemeente [gemeente], opzettelijk en wederrechtelijk een deur van een perceel aan de [straat], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Bewijsoverweging

Verdachte heeft ter zitting van het hof en bij de politie (zie p. 11 e.v. van het proces-verbaal van politie) ontkend dat hij de deur heeft beschadigd. Volgens verdachte heeft niet hij, maar de aangever dat gedaan. Volgens verdachte ging hij slechts naar aangever toe om hem vertellen dat hij moest stoppen met zijn gedrag. Eenmaal ter plaatse aangekomen, heeft hij bij aangever thuis op de ruit getikt. Aangever werd heel erg boos toen hij verdachte zag en heeft de deur toen niet opengedaan. Aangever heeft vervolgens zelf een of twee van de ramen beschadigd die in de voordeur zaten door daar tegenaan te trappen. Pas door de beschadigde deur heen werd er gepraat, waarna aangever twee maal een blikje bier naar verdachte heeft gegooid. Verdachte heeft aanvankelijk verklaard geen schoppende bewegingen te hebben gemaakt, maar ter zitting van het hof desgevraagd verklaard zich niet te kunnen herinneren schoppende bewegingen te hebben gemaakt omdat hij dat een detail vond. Wel heeft hij verklaard ontwijkende bewegingen te hebben gemaakt om niet door een bierblikje te worden geraakt.

Volgens aangever (p. 3 van het proces-verbaal) bevond hij zich onder de douche toen verdachte bij hem voor de deur stond. Hij hoorde ineens glasgerinkel. Toen hij beneden kwam zag hij verdachte voor de deur staan. Tevens zag hij dat het bovenste deel van de deur (het hof begrijpt: het raam boven) kapot was. Vervolgens trapte verdachte het raam onder kapot. Aangever herkende de man als verdachte.

Volgens getuigen [getuige 1] en [getuige 2] (p. 5 resp. p. 9 e.v. in het proces-verbaal) hoorden zij ten tijde van het incident eerst glasgerinkel en geschreeuw. Vervolgens zagen zij voor de woning van aangever een zwarte man staan (naar het hof begrijpt: verdachte). Verdachte riep "Kom er uit, kom eruit. Ik ben de hele dag vrij. Het kan me niet schelen dat je de politie belt!". Ter zitting van het hof heeft verdachte verklaard dat de verklaringen van de getuigen over wat zij hem hebben horen zeggen juist zijn. Volgens de getuigen maakte verdachte vervolgens schoppende bewegingen naar de voordeur van de woning van aangever en hoorden zij daarbij weer het geluid van vallend glas. Beide getuigen zijn blijkbaar direct naar de woning van aangever gegaan. [getuige 1] heeft verklaard dat aangever haar vertelde dat hij onder de douche stond toen hij glasgerinkel hoorde, dat hij vervolgens naar de voordeur was gelopen en dat hij verdachte daar had gezien. Volgens [getuige 2] was aangever erg overstuur.

Het hof acht de door aangever beschreven gang van zaken de juiste, nu die verklaring in grote lijnen wordt ondersteund door twee onafhankelijke getuigen. Afgezien van het feit dat het hof het uiterst onwaarschijnlijk acht dat iemand die onder de douche vandaan komend twee ruiten van zijn eigen woning intrapt, wordt aangevers verklaring over het door verdachte maken van een trappende beweging die gevolgd werd door glasgerinkel van het raam in de voordeur, bevestigd door beide getuigen. Verdachte heeft ontkend trappende bewegingen te hebben gemaakt, althans zich dat niet te kunnen herinneren omdat hij dat blijkbaar een detail achtte. Getuigen hebben - anders dan verdachte - niet verklaard een of twee bierblikjes door het raam te hebben zien vliegen, hetgeen wel voor de hand had gelegen als dat inderdaad was gebeurd.

Het hof hecht aan verdachtes ontkennende verklaringen geen geloof en acht het hem ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat:

hij op 13 september 2008, te [plaats], in de gemeente [gemeente], opzettelijk en wederrechtelijk een deur van een perceel aan de [straat], toebehorende aan [benadeelde], onbruikbaar heeft gemaakt.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 13 september 2008 schuldig gemaakt aan het onbruikbaar maken van een deur door na een woordenwisseling de ruiten van die deur kapot te trappen. Hij heeft door zo te handelen inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de woningstichting, van wie aangever [aangever] het huis huurde.

Het hof heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat verdachte - blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 15 maart 2010 - eerder is veroordeeld tot geldboetes.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de - door de rechter in eerste aanleg en door de advocaat-generaal gevorderde - geldboete passend en geboden is.

Benadeelde partij [benadeelde]

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken, dat de benadeelde partij zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd en dat haar vordering in eerste aanleg geheel is toegewezen. Derhalve duurt de voeging ter zake van haar gehele vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

De vordering is van de zijde van verdachte wat de hoogte betreft niet weersproken. Derhalve kan deze worden toegewezen in voege als na te melden.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Aan verdachte zal daarnaast de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de Staat van het toegewezen bedrag ten behoeve van voornoemd slachtoffer.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24, 24c, 36f en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een geldboete van driehonderd euro;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van zes dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde], gevestigd te [vestigingsplaats], tot een bedrag van tweehonderdvijfenveertig euro en zesentachtig cent;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van tweehonderdvijfenveertig euro en zesentachtig cent ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde], gevestigd te [vestigingsplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van vier dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. G.M. Meijer-Campfens, voorzitter, mr. P. Koolschijn en mr. J. Hielkema, in tegenwoordigheid van mr. M. Zevenhuizen als griffier.