Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BM2252

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
20-04-2010
Datum publicatie
18-06-2010
Zaaknummer
200.019.350/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Koop boot. Dwaling. Non-conformiteit. Klachtplicht ex. art. 7:23 BW. Onderzoeksplicht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 20 april 2010

Zaaknummer 200.019.350/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

1. [appellant] en

2. [appellante],

beiden wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

appellanten,

in eerste aanleg: gedaagden in conventie en eisers in reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten],

advocaat: mr. M.C.J. Freijters, kantoorhoudende te Koekange,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in reconventie,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. A.A. Vogelsang, kantoorhoudende te Meppel.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen, achtereenvolgens uitgesproken op 6 november 2007 en 20 mei 2008 door

de rechtbank Assen, sector kanton, locatie Assen, en op 20 augustus 2008,

19 november 2008 en 3 juni 2009 door de rechtbank Assen, sector civiel recht (hierna: de rechtbank).

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 18 november 2008 is door [appellanten] hoger beroep ingesteld van het vonnis d.d. 20 augustus 2008, voor zover in reconventie als eindvonnis gewezen, met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 2 december 2008.

Het petitum van het appelexploot luidt:

"(…) te vernietigen de onderdelen 8, 9 en 10 van het dictum van het vonnis door de rechtbank Assen op 20 augustus 2008 onder zaaknummer 67837 / HA ZA 08-385 tussen partijen gewezen en, opnieuw rechtdoende de vordering van appellanten als eisers in reconventie in eerste aanleg alsnog toe te wijzen, uitvoerbaar bij voorraad."

De conclusie van de memorie van grieven, tevens inhoudende een vermeerdering van eis (met vier producties) luidt:

"(…) te vernietigen het vonnis van 20 augustus 2008 dat de rechtbank te Assen onder zaaknummer 67837 HA ZA 08-385 tussen partijen heeft gewezen en, opnieuw rechtdoende [geïntimeerde] te veroordelen om aan [appellanten] te betalen een bedrag van € 26.023,99, uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut, en [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van beide instanties."

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:

"(…) dat het Hof zonodig onder verbetering en/of aanvulling der gronden zal bevestigen het vonnis hetwelk op 20 augustus 2008 door de Rechtbank te Assen onder rolnummer 67837/HA ZA 08-385 tussen partijen is gewezen, het vonnis waarvan beroep, dit met veroordeling van appellant in de kosten te dien aanzien, althans en in ieder geval in de kosten van het hoger beroep."

Voorts hebben [appellanten] een akte (met één productie) genomen, waarop [geïntimeerde] heeft gereageerd met een antwoordakte.

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellanten] hebben één grief opgeworpen.

De beoordeling

De feiten

1. Door [appellanten] zijn geen grieven gericht tegen de vaststelling door de rechtbank van de vaststaande feiten in overweging 2. (2.1 en 2.2) van het bestreden vonnis van 20 augustus 2008. Daarom zal ook in hoger beroep van die feiten worden uitgegaan.

Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

2. [geïntimeerde] heeft [appellanten] gedagvaard tot betaling van de restant-koopsom voor de door [geïntimeerde] aan [appellanten] verkochte motorkruiser Henry III (hierna: de boot). [appellanten] hebben betwist dat zij de koopsom niet volledig betaald hebben. Zij hebben vervolgens bij wijze van eis in reconventie gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van de kosten voor het in deugdelijke staat brengen van de boot, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, welke schade - na vermeerdering van eis - door [appellanten] is begroot op

€ 13.525,50. Voorts hebben zij gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten.

2.1 Na door [geïntimeerde] gevoerd verweer heeft de rechtbank bij in reconventie gewezen vonnis van 20 augustus 2008 [appellanten] in hun vordering tot verwijzing naar de schadestaatprocedure niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige de vorderingen afgewezen, met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten.

De vermeerdering van eis

3. [appellanten] hebben in hoger beroep hun vordering vermeerderd in die zin

dat zij vorderen [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van (€ 17.850,-- + € 8.173,99 =) € 26.023,99 alsmede tot betaling van de kosten van de beide instanties.

3.1 Nu deze wijziging tijdig is gedaan (HR 20 juni 2008, NJ 2009, 21), [geïntimeerde] zich daartegen niet heeft verzet en de eisen van de goede procesorde zich er ook anderszins niet tegen verzetten, zal het hof uitgaan van de gewijzigde vordering zoals thans in hoger beroep door [appellanten], als oorspronkelijk eisers in reconventie, geformuleerd.

Met betrekking tot de grief

4. [appellanten] hebben zich met één grief gekeerd tegen al hetgeen de rechtbank ter motivering van de afwijzing van de vordering van [appellanten] heeft

overwogen. Daarmee is het geschil in volle omvang aan het oordeel van het hof voorgelegd.

5. De vordering van [appellanten] valt, naar het hof de stellingen van

[appellanten] begrijpt, uiteen in twee onderdelen.

5.1 Het eerste onderdeel heeft betrekking op de posten schilderwerk, rvs-strip en huiddoorvoeren en betreft een bedrag van (€ 17.850,-- + € 2.677,50 +

€ 1.953,54 =) € 22.481,04. Ten aanzien van dit onderdeel beroepen

[appellanten] zich primair op dwaling, waarbij zij op grond van art. 6:230 BW aanspraak maken op opheffing van het nadeel door betaling van genoemd bedrag en subsidiair op een toerekenbare tekortkoming doordat [geïntimeerde] zijn conformiteitsverplichting geschonden heeft.

Lugtmeijer stellen dat zij niet goed zijn ingelicht door [geïntimeerde], althans dat [geïntimeerde] [appellanten] had behoren in te lichten over de wijze waarop het schip was geconserveerd. Voorts betogen zij dat, voor het geval geoordeeld zou moeten worden dat [geïntimeerde] ook onwetend was omtrent de slechte staat van conservering van de boot, er dan sprake is van wederzijdse dwaling.

5.2 Het andere onderdeel betreft een bedrag van € 3.542,95. De vordering ten

aanzien van dit onderdeel is gebaseerd op een toerekenbare tekortkoming van [geïntimeerde], daarin bestaande dat na de levering gebreken zijn ontstaan aan enkele onderdelen van het schip waardoor betreffende die onderdelen geen sprake is van conformiteit.

6. [geïntimeerde] betwist de vordering en stelt dat tijdens de bezichtiging is mee-gedeeld dat het onderhoud altijd in eigen beheer is uitgevoerd. Voorts heeft hij een beroep gedaan op het verzaken door [appellanten] van de klachtplicht ex art. 7:23 BW.

7. Het hof zal eerst het beroep op het verzaken van de klachtplicht behandelen, welk beroep betrekking heeft op het eerste onderdeel van de vordering.

Bij de beoordeling van dit beroep geldt als uitgangspunt dat de klachtplicht ex art. 7:23 BW ook geldt in het geval van dwaling wegens feiten - zoals in casu het ontbreken van eigenschappen van het gekochte - die op non-conformiteit neerkomen (vgl. Hoge Raad 29 juni 2007, NJ 2008, 606).

Daarbij heeft voorts te gelden dat op de koper i.v.m. het bepaalde in art. 7:23 BW de verplichting rust te stellen en zo nodig te bewijzen dat en op welke wijze hij tijdig en op voor de verkoper kenbare wijze heeft geklaagd over de tekortkoming (Hoge Raad 23 november 2007, NJ 2008, 552).

8. Met betrekking tot het schilderwerk: De door [appellanten] ingeschakelde deskundige J.G.J. Schoppert van De Kranenweerd Jachtmakelaardij B.V. heeft in zijn als productie 1 bij conclusie van antwoord in conventie/eis in reconventie overgelegde schrijven van 10 juni 2007 vermeld: "(…) Aan het interieur is duidelijk te zien dat het geen professioneel betimmerd schip is en dat geldt tevens voor het schilderwerk en het roestvast staal aan de buitenzijde (…)". Bonsink Yacht Painters, door [appellanten] om advies gevraagd, meldt in haar schrijven van 8 juni 2007 (productie 2 bij conclusie van antwoord in conventie/eis in reconventie): "(…) Geconstateerd is een slecht verfsysteem (…)".

8.1 Het hof gaat, gelet op deze bevindingen in onderlinge samenhang bezien, ervan uit dat de uiterlijke staat van het verfwerk ook reeds ten tijde van de aankoop in september 2006 voor [appellanten] kenbaar was, althans had moeten zijn. [appellanten] hebben echter eerst in juni 2007 hun klachten aangaande die staat van het verfwerk van de boot bij [geïntimeerde] gemeld en hem op herstel aangesproken.

8.2 Het hof is van oordeel dat de termijn tussen het moment waarop het gebrek aan het schilderwerk voor [appellanten] kenbaar was - september 2006 - en het klagen hierover bij [geïntimeerde] - juni 2007 - dermate lang is, immers in ieder geval meer dan acht maanden, dat niet gezegd kan worden dat [appellanten] binnen bekwame tijd hebben geklaagd in de zin van artikel 7: 23 BW.

9. Met betrekking tot de huiddoorvoeren: In het keuringsrapport van de verzekeringsexpert P. Dibbits d.d. 16 oktober 2006 wordt gemeld dat de huiddoorvoeren moeten worden voorzien van gelaste flenzen. Gesteld noch gebleken is dat [appellanten] hierover bij [geïntimeerde] hebben geklaagd. [geïntimeerde] is eerst met dit gebrek op de hoogte geraakt doordat het keurings-rapport door [appellanten] als productie 2 bij memorie van grieven in het geding is gebracht. Naar 's hofs oordeel hebben [appellanten] derhalve niet - tijdig - aan hun klachtplicht voldaan.

Het (de)monteren van de rvs-strip: Het hier door [appellanten] gestelde euvel is ontdekt in maart 2007 tijdens een inspectie door Jachthaven De Kranerweerd. Gesteld noch gebleken is dat [appellanten] hierover bij [geïntimeerde] hun beklag hebben gedaan.

Ook ten aanzien van deze twee posten luidt derhalve de conclusie dat het door [geïntimeerde] gedane beroep op het verzaken van de klachtplicht doel treft, zodat de vordering van [appellanten] in zoverre niet toewijsbaar is.

10. Met betrekking tot de accu's stellen [appellanten] dat zij hierover direkt bij [geïntimeerde] hebben geklaagd nadat het gebrek in maart 2007 was ontdekt.

Voorts stellen zij dat tijdens een vakantie in juli/augustus 2007 gebreken aan het licht zijn gekomen bij: de boegschroef, de koelkast, de waterpomp en de douche-afvoer. [appellanten] stellen dat van deze laatste vier gebreken direct melding is gedaan bij [geïntimeerde], die echter niets wilde weten van vergoeding of herstel. De reparaties duldden geen uitstel, zodat zij de gebreken daarom zelf hebben laten verhelpen, adus [appellanten]

10.1 Het valt op dat reparaties van de boegschroef en de douche-afvoer reeds zijn opgenomen in de prijsvoorstelling van De Kranerweerd d.d. 5 juni 2007 (productie 5 bij conclusie van antwoord/eis in reconventie). Aangenomen moet derhalve worden dat deze beide gebreken zich eerder dan tijdens de vakantie in juli/augustus 2007 hebben gemanifesteerd. Gesteld noch gebleken is dat [appellanten] direct na het ontdekken van die gebreken [geïntimeerde] daarvan op de hoogte hebben gebracht. Om die reden moet worden geconcludeerd dat [appellanten] in zoverre niet aan hun klachtplicht hebben voldaan. Gevolg is dat zij geen aanspraak kunnen maken op de kosten van herstel van de boegschroef en de douche-afvoer.

11. Wat betreft de posten accu's, koelkast en waterpomp zal het hof, doordat [appellanten] dienaangaande een vordering hebben ingesteld, veronder-stellenderwijs ervan uitgaan dat [appellanten] wel tijdig hebben geklaagd.

Met betrekking tot deze posten overweegt het hof als volgt.

11.1 Het gaat hier om kleinere reparaties en/of gebreken, waarmee bij de aankoop van een ongeveer tien jaar oude boot rekening moet worden gehouden. Indien [appellanten] de aanwezigheid van dergelijke gebreken hadden willen uitsluiten, hadden zij de nodige maatregelen moet treffen, zoals het doen keuren van de boot alvorens tot koop te besluiten, of een uitdrukkelijke garantie moeten bedingen.

11.2 Naar het oordeel van het hof hebben [appellanten] in de gegeven omstandig-heden, uitdrukkelijk daargelaten of hun klachten reëel zijn, hun onderzoeksplicht verzaakt door onvoldoende onderzoek te doen naar de feitelijke staat van de boot. [appellanten] hebben wel het gelijk aan hun zijde bij hun stelling dat er geen rechtsregel bestaat dat zij een deskundige hadden dienen in te schakelen teneinde aan hun onderzoeksplicht te voldoen. Anders dan [appellanten] kennelijk menen is de rechtbank in het beroepen vonnis overigens niet van het bestaan van een dergelijke rechtsregel uitgegaan. Dit alles laat echter onverlet dat het nalaten van enig onderzoek door [appellanten] voor hun risico dient te blijven.

11.3 Ook de op reparatie/vervanging van de accu's, koelkast en waterpomp gebaseerde vordering van [appellanten] dient derhalve te worden afgewezen.

Slotsom

12. De grief is tevergeefs voorgesteld, hetgeen betekent dat het vonnis waarvan beroep, voorzover in reconventie gewezen, dient te worden bekrachtigd. De vordering van [appellanten], zoals in hoger beroep vermeerderd, zal worden afgewezen.

Als de in het ongelijk te stellen partij zullen [appellanten] worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep (1½ procespunten, tarief III).

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis van 20 augustus 2008 waarvan beroep, voor zover in reconventie gewezen;

wijst de vordering van [appellanten] af;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde]en op € 409,-- aan verschotten en op € 1.737,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat.

Aldus gewezen door mrs. Mollema, voorzitter, Kuiper en De Hek, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 20 april 2010 in bijzijn van de griffier.