Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BM1310

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
14-04-2010
Datum publicatie
15-04-2010
Zaaknummer
24-000961-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uit openbare bronnen is het hof gebleken dat als definitie van een boksbeugel wordt gehanteerd: een handwapen bestaande uit een om de hand sluitende ring of om de vingers sluitende ringen, al dan niet voorzien van uitsteeksels. Uit de foto's die zich in het dossier bevinden, alsmede uit hetgeen door en namens verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, blijkt dat het bij het onder verdachte in beslag genomen voorwerp gaat om een tweetal aan elkaar bevestigde gouden ringen die verdachte om zijn wijs- en middelvinger droeg als sieraad. Naar het oordeel van het hof kan gelet op de uitvoering van dit voorwerp niet worden aangenomen dat het hier een handwapen, te weten een boksbeugel in de zin van de Wet wapens en munitie betreft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000961-08

Parketnummer eerste aanleg: 17-880368-07

Arrest van 14 april 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Leeuwarden van 31 maart 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1974] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. T.W. Delhaye, advocaat te Burgum.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf en een bijkomende straf, heeft op de vordering van de benadeelde partij beslist en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd en heeft een beslissing genomen omtrent het in beslag genomen voorwerp, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het onder

1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 110 uren, subsidiair 55 dagen vervangende hechtenis, waarvan 50 uren, subsidiair 25 dagen vervangende hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden. De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen en de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen en dat het hof het in beslag genomen voorwerp zal onttrekken aan het verkeer.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

1.

hij op of omstreeks 26 september 2007 te [plaats], opzettelijk mishandelend een ambtenaar, te weten [benadeelde] (hoofdagent bij de politie Friesland), gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, met kracht die [benadeelde] meermalen, althans eenmaal, bij de keel heeft vastgepakt en/of het hoofd van die [benadeelde] tegen het wegdek heeft geslagen en/of met gebalde vuisten tegen het hoofd van die [benadeelde] heeft geslagen en/of in een bovenarm van die [benadeelde] heeft gebeten, waardoor voornoemde ambtenaar letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

hij op of omstreeks 26 september 2007 te [plaats] opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [benadeelde]), met kracht meermalen, althans eenmaal, bij de keel heeft vastgepakt en/of het hoofd van die [benadeelde] tegen het wegdek heeft geslagen en/of met gebalde vuisten tegen het hoofd van die [benadeelde] heeft geslagen en/of in een bovenarm van die [benadeelde] heeft gebeten, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 26 september 2007 te [plaats], een of meer wapens van categorie I, onder 2 en/of 3, te weten een twee-snijdend opvouwbaar mes en/of een boksbeugel, voorhanden heeft gehad;

3.

hij op of omstreeks 26 september 2007 te [plaats], als bestuurder van een voertuig, (een personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,18 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging

De raadsman van verdachte heeft ten aanzien van feit 1 de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit, nu uit de videobeelden die van het incident zijn gemaakt - welke videobeelden ter terechtzitting van het hof zijn getoond - zou blijken dat hoofdagent [benadeelde] is begonnen met het gebruik van (onnodig) geweld jegens verdachte.

Het hof overweegt hieromtrent dat ook als uitgegaan zou worden van de juistheid van de stelling van de raadsman, dit niet leidt tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van verdachte. Het hof verwerpt dan ook het verweer.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 26 september 2007 te [plaats], opzettelijk mishandelend een ambtenaar, te weten

[benadeelde] (hoofdagent bij de politie Friesland), gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, met kracht bij de keel heeft vastgepakt en het hoofd van die [benadeelde] tegen het wegdek heeft geslagen en met gebalde vuisten tegen het hoofd van die [benadeelde] heeft geslagen en in een bovenarm van die [benadeelde] heeft gebeten, waardoor voornoemde ambtenaar letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op 26 september 2007 te [plaats], een wapen van categorie I, onder 2, te weten een tweesnijdend opvouwbaar mes, voorhanden heeft gehad;

3.

hij op 26 september 2007 te [plaats], als bestuurder van een voertuig, (een personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,18 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 primair, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Met name acht het hof niet bewezen dat verdachte een boksbeugel voorhanden heeft gehad zoals ten laste gelegd onder 2. Het begrip "boksbeugel", zoals opgenomen in artikel 2, eerste lid, categorie I, onder 3, van de Wet wapens en munitie, is niet nader in de Wet, noch in de Regeling wapens en munitie omschreven. Uit openbare bronnen, waaronder het Kennissysteem Wet wapens en munitie (KWWM) van de Politie-academie, is het hof gebleken dat als definitie van een boksbeugel wordt gehanteerd: een handwapen bestaande uit een om de hand sluitende ring of om de vingers sluitende ringen, al dan niet voorzien van uitsteeksels. Op afbeeldingen van dergelijke hand-wapens zijn handomsluitende, dan wel viervingerige boksbeugels te zien. Een tweevingerige boksbeugel, waarvan volgens het proces-verbaal van de politie in dit geval sprake zou zijn, komt in het geheel niet voor.

Uit de foto's die zich in het dossier bevinden, alsmede uit hetgeen door en namens verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, blijkt dat het bij het onder verdachte in beslag genomen voorwerp gaat om een tweetal aan elkaar bevestigde gouden ringen die verdachte om zijn wijs- en middelvinger droeg als sieraad. Naar het oordeel van het hof kan gelet op de uitvoering van dit voorwerp niet worden aangenomen dat het hier een handwapen, te weten een boksbeugel in de zin van de Wet wapens en munitie betreft.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

onder 1:

mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

onder 2:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

onder 3:

overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte is op 26 september 2007 onder invloed van alcohol als bestuurder van een motorrijtuig betrokken geraakt bij een aanrijding. Verdachte heeft vervolgens de hoofd-agent die op de melding van de aanrijding afkwam mishandeld door hem bij de keel te pakken, te slaan, te bijten en met het hoofd tegen het wegdek te slaan. Aldus heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de politie-ambtenaar en heeft hij deze belemmerd zijn taak uit te oefenen. Toen verdachte na zijn aanhouding werd gefouilleerd, bleek hij een mes in de zin van de Wet wapens en munitie bij zich te hebben.

Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 21 januari 2010, waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder is veroordeeld ter zake van strafbare feiten.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is een gedeeltelijk voorwaardelijke werkstraf van na te melden duur - zoals door de advocaat-generaal gevorderd - een passende en geboden bestraffing. Het voorwaardelijke deel van de straf dient tevens als stok achter de deur, teneinde te voorkomen dat verdachte zich nogmaals schuldig maakt aan (soortgelijke) strafbare feiten. Ter zake van het verkeersdelict zal conform de geldende oriëntatiepunten bovendien een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur met een proeftijd van 2 jaren worden opgelegd.

Benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde] zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd en dat zijn vordering geheel is toegewezen. Derhalve duurt de voeging ter zake van zijn gehele vordering tot schade-vergoeding in het geding in hoger beroep voort.

De benadeelde partij heeft € 350,- aan immateriële schadevergoeding gevorderd. De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat er bij een politieambtenaar minder snel sprake is van immateriële schade omdat enig duw- en trekwerk bij diens normale beroepsuitoefening hoort. Het hof is van oordeel dat uit de toelichting bij de vordering van de benadeelde partij genoegzaam blijkt dat als rechtstreeks gevolg van de onder 1 primair bewezen verklaarde mishandeling immateri?le schade is geleden. Het hof zal de vordering toewijzen tot het gevorderde bedrag van € 350,-.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoer-legging nog te maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Aangezien verdachte jegens voornoemd slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit onder 1 is toegebracht en het belang van het slachtoffer ermee is gediend, zal het hof het toegewezen bedrag tevens toewijzen in de vorm van een schadevergoedingsmaatregel.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 63, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 primair, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van honderdtien uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van vijfenvijftig dagen zal worden toegepast;

beveelt dat een gedeelte van de werkstraf groot vijftig uren, subsidiair vijfentwintig dagen vervangende hechtenis, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de voormelde werkstraf geheel in mindering wordt gebracht, berekend naar de maatstaf van twee uren werkstraf per dag;

ontzegt aan de veroordeelde ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde feit de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van zes maanden;

beveelt, dat de bijkomende straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

gelast de teruggave aan verdachte van:

- twee aan elkaar vastgemaakte ringen (op de lijst van in beslag genomen voorwerpen aangeduid als 'boksbeugel');

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van driehonderdvijftig euro;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt

- tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van driehonderdvijftig euro ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde], wonende te [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van zeven dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. P. Koolschijn, voorzitter, mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo en mr. A.J. Rietveld, in tegenwoordigheid van mr. E. Hoekstra als griffier.