Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BM0731

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
15-02-2010
Datum publicatie
18-08-2010
Zaaknummer
WAHV 200.035.693
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Officiersappel. Uit de stukken blijkt niet dat de beslissing van de officier van justitie aan de gemachtigde is gezonden (6:17 Awb). Aanvang beroepstermijn niet vast te stellen. Geen termijnoverschrijding. Anders dan de kantonrechter stelt het hof vast dat de gedraging wel is verricht, maar dat ten onrechte een sanctie is opgelegd voor het gebruik van de vluchtstrook.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:41
Algemene wet bestuursrecht 6:7
Algemene wet bestuursrecht 6:8
Algemene wet bestuursrecht 6:17
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 5
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 9
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 9
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 14
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2012/26
JWR 2010/36
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.035.693

15 februari 2010

CJIB 119340579

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Haarlem

van 14 mei 2009

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), gevestigd te [vestigingsplaats],

voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde], wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Haarlem genomen beslissing gegrond verklaard en de beslissing van de officier van justitie alsmede de inleidende beschikking vernietigd. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De officier van justitie heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De gemachtigde van de betrokkene is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 240,- opgelegd ter zake van “op autosnelweg buiten noodzaak gebruik maken van vluchtstrook of vluchthaven”, welke gedraging zou zijn verricht op 29 mei 2008 om 15.51 uur op de Rijksweg A4 te Nieuw-Vennep met het voertuig met het kenteken [00-AB-AB].

2. De gemachtigde van de betrokkene, die ten tijde van de gedraging bestuurder van voornoemd voertuig was, heeft tegen de inleidende beschikking beroep ingesteld bij de officier van justitie en aangevoerd dat de gedraging is verricht onder omstandigheden die het opleggen van een sanctie niet billijken.

3. Bij beslissing van 30 juni 2008 heeft de officier van justitie het beroep ongegrond verklaard. Bij brief van 4 maart 2009 heeft de gemachtigde tegen deze beslissing beroep ingesteld bij de kantonrechter. De gemachtigde schrijft onder meer dat zij nog nimmer een reactie heeft ontvangen op haar bij de officier van justitie ingestelde beroep.

4. Op 14 mei 2009 heeft de kantonrechter geoordeeld dat - gelet op de stukken van het geding en de ter zitting afgelegde verklaringen - niet is komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Derhalve heeft de kantonrechter het beroep gegrond verklaard en de beslissing van de officier van justitie alsmede de inleidende beschikking vernietigd.

5. De officier van justitie heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. De officier van justitie stelt zich primair op het standpunt dat de kantonrechter ten onrechte in de rechtsmiddelenclausule heeft vermeld, dat geen hoger beroep mogelijk is. Voorts stelt de officier van justitie dat de kantonrechter het door de gemachtigde ingestelde beroep niet-ontvankelijk had dienen te verklaren. Naar de mening van de officier van justitie heeft de gemachtigde op geen enkele wijze aangetoond dat zij niet eerder in staat zou zijn geweest om te reageren op de beslissing van de officier van justitie. De enkele ontkenning dat de beslissing van de officier van justitie is ontvangen, brengt niet mee dat van de juistheid van hetgeen de gemachtigde stelt moeten worden uitgegaan. Daarbij merkt de officier van justitie op dat de beslissing van de officier van justitie ook naar de kentekenhouder is verzonden. Met verwijzing naar een arrest van dit hof van 11 juli 2008, (LJN BG 1444, gepubliceerd op rechtspraak.nl), stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat het in dit geval op de weg van kentekenhouder ligt om de gemachtigde tijdig op de hoogte te stellen van de beslissing van de officier van justitie.

6. De beroepsgrond betreffende de rechtsmiddelenclausule treft geen doel. Voor zover het de mogelijkheid van hoger beroep van de betrokkene betreft is de clausule juist. Voor zover het de mogelijkheid van hoger beroep van de officier van justitie betreft is de clausule weliswaar niet juist, maar nu deze clausule geen onderdeel is van de bestreden beslissing, kan deze onjuiste vermelding geen grond vormen voor de vernietiging daarvan.

7. Ingevolge het bepaalde in artikel 9, eerste lid, WAHV in verbinding met de artikelen 6:7 en 6:8 Algemene wet bestuursrecht (Awb), dient het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop een afschrift van de beslissing van de officier van justitie aan de betrokkene is toegezonden.

8. Het bepaalde in artikel 3:41, eerste lid, Awb brengt mee dat eerst van bekendmaking op de voorgeschreven wijze sprake is, indien de mededeling naar het juiste adres - waarbij het door de betrokkene opgegeven adres leidend is - is verzonden.

9. Indien een gemachtigde namens de betrokkene in een procedure als de onderhavige optreedt, dienen de stukken op grond van het bepaalde in artikel 6:17 Awb in ieder geval naar de gemachtigde van de betrokkene te worden gezonden.

10. Het hof stelt vast dat [gemachtigde] in de gehele procedure optreedt als gemachtigde van de betrokkene. Bij de stukken van het geding bevindt zich een kopie van een brief van de CVOM d.d. 25 juli 2008, waarin aan de gemachtigde de beslissing van de officier van justitie wordt medegedeeld. Niet blijkt of en wanneer die brief is verzonden. Voorts kan uit het zaakoverzicht van het CJIB niet worden afgeleid dat de beslissing van de officier van justitie door het CJIB aan de gemachtigde is verzonden. Mede in aanmerking genomen dat de gemachtigde de ontvangst van de beslissing van de officier van justitie ontkent en gelet op de omstandigheid dat uit de stukken blijkt dat de gemachtigde uit eigen beweging contact heeft gezocht met de CVOM met betrekking tot het tegen de inleidende beschikking ingestelde beroep en naar aanleiding daarvan beroep tegen de beslissing van de officier van justitie heeft ingesteld, is er bij het hof zodanige twijfel ontstaan omtrent de verzending van die beslissing dat het hof het ervoor houdt dat de beslissing niet aan de gemachtigde is verzonden.

11. Nu uit de stukken niet blijkt dat de beslissing van de officier van justitie aan de gemachtigde is toegezonden, is de beslissing van de officier van justitie niet op de voorgeschreven wijze bekend gemaakt. Het voorgaande leidt er toe dat niet kan worden vastgesteld dat en wanneer de onder 7. bedoelde termijn is aangevangen. Nu niet precies bekend is wanneer de gemachtigde op de hoogte is geraakt van de beslissing van de officier van justitie, houdt het hof het ervoor dat tijdig bij de kantonrechter beroep is ingesteld. De omstandigheid dat de beslissing van de officier van justitie in ieder geval naar de betrokkene zou zijn gezonden, leidt niet tot een ander oordeel. Anders dan in het door de officier van justitie aangehaalde arrest van dit hof, was ten tijde van het toezenden van de bestreden beslissing in onderhavige zaak bekend dat er een gemachtigde namens de betrokkene optrad. Artikel 6:17 Awb staat er dan aan in de weg dat de stukken enkel aan de betrokkene worden toegezonden. Derhalve kan in onderhavige zaak niet gezegd worden dat het op de weg van de kentekenhouder ligt om de gemachtigde tijdig op de hoogte te stellen van de beslissing van de officier van justitie. De kantonrechter heeft het beroep dan ook terecht inhoudelijk beoordeeld.

12. Met betrekking tot dat oordeel stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de kantonrechter het beroep ongegrond had dienen te verklaren. De gemachtigde heeft niet dan wel onvoldoende gemotiveerd op grond waarvan het gebruik van de vluchtstrook wel zou zijn toegestaan. Van een dergelijke noodzaak is, mede gelet op de specifieke ambtsedige verklaring van de verbalisant, naar de mening van de officier van justitie niet gebleken.

13. De gemachtigde ontkent niet dat zij ten tijde van de gedraging over de vluchtstrook is gereden. Zij voert echter aan dat dit niet buiten noodzaak was. Ten tijde van de gedraging was er een ongeval gebeurd. Een geschaarde vrachtwagen was door de middenberm gereden met als gevolg dat de A4 richting Den Haag volledig geblokkeerd was geraakt, hetgeen de betrokkene met digitale nieuwsberichten heeft onderbouwd. Toen de betrokkene met haar collega de afslag richting Nieuw-Vennep wilde oprijden was deze vanwege wegwerkzaamheden gedeeltelijk afgezet. Om haar weg richting Nieuw-Vennep te vervolgen is zij, net als de automobilisten die voor en achter haar reden, over de vluchtstrook gegaan. Derhalve stelt de gemachtigde zich op het standpunt dat de sanctie ten onrechte aan haar is opgelegd.

14. De ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB houdt onder meer het volgende in:

“Voertuig reed over de vluchtstrook. Tp (het hof leest: ter plaatse) stond een file ivm (het hof leest: in verband met) een ongeval. Voertuig haalde file op vluchtstrook in > 300 mtr (het hof leest meter) > 1100 mtr tot 1e afrit (…).”

15. De onderhavige gedraging is een overtreding van artikel 43, derde lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Deze bepaling luidt als volgt:

“Behoudens in noodgevallen is het de weggebruikers verboden op een autosnelweg of autoweg gebruik te maken van de vluchtstrook, de vluchthaven of de berm.”

Uit het gebruik van het woord “noodgevallen” en uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het de weggebruiker slechts in incidentele gevallen van urgente aard vrijstaat gebruik te maken van de vluchtstrook. De Nota van toelichting op het RVV 1990 (hoofdstuk X) houdt in dit verband onder meer in dat de vluchtstrook primair bestemd is voor pechgevallen. Het hof leidt hieruit af dat met name moet worden gedacht aan objectief waarneembare noodsituaties.

Daarvan is in het onderhavige geval niet gebleken. Derhalve stelt het hof - anders dan de kantonrechter - vast dat de onder 1. vermelde gedraging is verricht.

16. Het hof dient vervolgens te beoordelen of de door de betrokkene aangevoerde omstandigheden waaronder de gedraging is verricht van dien aard zijn dat deze het opleggen van een administratieve sanctie niet billijken, dan wel aanleiding geven de sanctie te matigen.

17. Uit de door de gemachtigde overgelegde digitale berichtgeving blijkt dat de A4 richting Den Haag in de middag van 29 mei 2008 volledig geblokkeerd is geraakt door een geschaarde vrachtwagen. Rond 18.15 uur was in beide richtingen weer één rijstrook beschikbaar. Voorts blijkt uit die stukken dat er in de periode van 26 mei 2008 tot 7 juni 2008 ter plaatse wegwerkzaamheden waren in verband met de verbreding van de A4. Gedurende acht nachten was de toerit N207 (welke toerit door de gemachtigde is bereden) afgesloten. Het hof acht aannemelijk dat de afslag richting Nieuw-Vennep (toerit N207) gedeeltelijk was afgezet. Gelet op het door de gemachtigde aangevoerde, hetgeen blijkens het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter is bevestigd door de ten tijde van de gedraging aanwezige passagier in het voertuig, acht het hof voorts aannemelijk dat de gemachtigde pas bij de afslag Nieuw-Vennep gebruik heeft gemaakt van de vluchtstrook. Gelet op het voorgaande en de verkeersituatie in aanmerking genomen, is het hof van oordeel dat de betrokkene ten onrechte een sanctie opgelegd heeft gekregen.

18. Het voorgaande brengt mee dat het hof de beslissing van de kantonrechter - zij het met verbetering van gronden - zal bevestigen.

Beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Beswerda, en Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Samplonius als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.