Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BM0729

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
09-02-2010
Datum publicatie
11-08-2010
Zaaknummer
WAHV 200.029.076
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Officiersappel. Termijnoverschrijding. Gelet op artikel 13 WAHV kan een kantonrechter een beslissing van de officier van justitie niet vernietigen en de zaak terugwijzen naar de officier van justitie voor het nemen van een nieuwe beslissing. Kantonrechter moet de zaak zelf afdoen.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 5
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 9
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 13
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2010, 64
Module Verkeer 2010/266
Jwr 2010/34
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.029.076

9 februari 2010

CJIB 114893859

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Zwolle-Lelystad

van 17 februari 2009

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Zwolle-Lelystad genomen beslissing gegrond verklaard, de beslissing van de officier van justitie vernietigd en de zaak voor een inhoudelijke behandeling teruggewezen naar de officier van justitie. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De officier van justitie heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de termijnoverschrijding van het tegen de inleidende beschikking ingediende beroepschrift verschoonbaar is en dat de officier van justitie ten onrechte dat beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard. Vervolgens heeft de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie vernietigd en de zaak teruggewezen om opnieuw een beslissing te nemen.

2. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de beslissing van de kantonrechter niet in stand kan blijven. Weliswaar is de officier van justitie van mening dat de kantonrechter terecht heeft geoordeeld dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, maar de beslissing van de kantonrechter om de zaak terug te wijzen vindt geen steun in het recht.

3. Blijkens het zich in het dossier bevindend zaakoverzicht van het CJIB is de inleidende beschikking op 5 februari 2008 verzonden. De eerste aanmaning is op 16 april 2008 voor de eerste maal aan de betrokkene toegezonden. Nadat deze aanmaning onbestelbaar retour was gekomen heeft het CJIB, na electronische GBA-verificatie, op 2 juni 2008 opnieuw de eerste aanmaning verzonden. Daarop heeft de betrokkene gereageerd bij brief d.d. 4 juni 2008, gericht aan de CVOM. Tevens heeft de betrokkene bij brief van 4 juni 2008 aan het CJIB bericht dat zij de inleidende beschikking nimmer heeft ontvangen, dat zij bezwaar maakt tegen de opgelegde verhoging en dat zij bereid is alsnog de opgelegde sanctie te voldoen. Bij brief van 10 juni 2008 heeft het CJIB aan de betrokkene meegedeeld dat is besloten de opgelegde verhoging ongedaan te maken en de beschikking met aangehechte acceptgiro opnieuw te verzenden. Het hof is met de officier van justitie van oordeel dat de kantonrechter in onderhavige zaak terecht heeft geoordeeld dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.

4. Hoewel de kantonrechter terecht heeft geoordeeld dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, kan de beslissing van de kantonrechter - gelet op het navolgende - niet worden bevestigd.

5. Op grond van artikel 9, eerste lid, WAHV is hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op onderhavige procedure, terwijl uit artikel 13 WAHV volgt dat de kantonrechter een beslissing van de officier van justitie niet kan vernietigen en terugwijzen met het oog op het nemen van een nieuwe beslissing door de officier van justitie (vgl. Hoge Raad 8 juni 1993, LJN ZC9385, NJ 1994, 157 m.nt. Corstens, en VR 1995, 1, m.nt. Vellinga).

6. Nu de kantonrechter - door de zaak terug te wijzen naar de officier van justitie -buiten het toepassingsgebied van artikel 13 WAHV is getreden, zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen en doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen.

7. Gelet op hetgeen hiervoor onder 3. is overwogen, moet de beslissing van de officier van justitie van 12 juli 2008 worden vernietigd. Het hof zal beoordelen of de inleidende beschikking in stand kan blijven.

8. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 153,- opgelegd ter zake van “overschrijding maximum snelheid op autosnelwegen, met 26 km/h (verkeersbord A1 + wegwerkzaamheden)”, welke gedraging zou zijn verricht op 28 januari 2008 om 11.40 uur op de Rijksweg A6 te Almere met het voertuig met het kenteken [00-AB-AB].

9. De betrokkene heeft aangevoerd dat zij zich niet kan voorstellen dat zij op 28 januari 2008 de ter plaatse toegestane maximum snelheid heeft overschreden. Door wegwerkzaamheden aan de Hollandsebrug was de toegestane maximum snelheid op de Rijksweg A6 ten tijde van de gedraging variërend tussen de 70 kilometer per uur en 100 kilometer per uur. Doordat haar niet geheel duidelijk is waar de gedraging precies is geconstateerd, is zij niet in staat de gedane snelheidsmeting op juistheid te controleren. Bovendien vraagt de betrokkene zich af of de minimumafstand tussen gebod en meetlocatie door de verbalisant wel in acht is genomen.

10. De ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB houdt onder meer - zakelijk weergegeven - in dat de bestuurder van een Opel Corsa met het kenteken [00-AB-AB] op 28 januari 2008 bij hectometerpaal 45,0 reed met een (gecorrigeerde) snelheid van 96 km per uur, terwijl de maximumsnelheid was vastgesteld op 70 km per uur. Deze verklaring stemt overeen met de bij de stukken van het geding aanwezige foto van de gedraging.

11. Voorts heeft de verbalisant blijkens het zaakoverzicht van het CJIB onder meer nog het volgende verklaard:

"De geldende limiet werd bepaald door borden A1. Deze borden werden voorafgaand aan en na afloop van de handhaving gecontroleerd en stonden: (…)

Bij HMP. (het hof leest: hectometerpaal) 43,1 bord J16 + A1 (70) links en rechts van de hoofdrijbaan.

Bij HMP. 43,2 bord A3 (70) boven de beschikbare rijstroken.

Bij HMP. 43,5 bord A3 (70) boven de beschikbare rijstroken.

Bij HMP. 43,6B bord J16 + A1 (70) rechts van de toerit.

Bij HMP. 44,1 bord A3 (70) boven alle beschikbare rijstroken met uitzondering van de eventueel beschikbare wisselstrook.

Bij HMP. 44,6 bord A3 (70) boven alle beschikbare rijstroken met uitzondering van de eventueel beschikbare wisselstrook.

Bij HMP. 45,2 bord A3 (70) boven de 3 rijstroken. (…).

De werkelijke snelheid stelde ik vast m.b.v. (het hof leest: met behulp van) een voor de meting geteste, geijkte en op de voorgeschreven wijze gebruikte radarsnelheidsmeter. (…)."

12. Het hof ziet in hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de ambtsedige verklaring van de verbalisant. De betrokkene heeft enkel gesteld dat zij de meting niet op juistheid heeft kunnen controleren, terwijl de verbalisant - blijkens de in het zaakoverzicht van het CJIB opgenomen verklaring - heeft verklaard dat de meting is verricht met een op de voorgeschreven wijze gebruikte radarsnelheidsmeter. De betrokkene heeft geen specifieke feiten en omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven te twijfelen aan de verklaringen van de verbalisant, terwijl evenmin uit het dossier blijkt van zulke feiten en omstandigheden. Nu overigens niet is gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan er reden is om aan te nemen dat de meting in deze zaak niet juist zou zijn verricht, is naar de overtuiging van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht.

13. Blijkens de ten tijde van de snelheidsmeting geldende 'Aanwijzing snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers' dient de afstand tussen de meetlocatie en het gebod bij een gebodsbord van 70 kilometer per uur minimaal 190 meter te bedragen. Uit de ambtsedige verklaring van de verbalisant blijkt dat de toegestane maximum snelheid reeds bij hectometerpaal 43,1 - door middel van bord A1 - was vastgesteld op 70 kilometer per uur. Nu de meting bij hectometerpaal 45,0 plaatsvond, kan niet gezegd worden dat de minimale afstand tussen het bord en de meetlocatie niet in acht is genomen. Nu de minimale afstand tot de meetlocatie ruimschoots in acht is genomen, heeft de betrokkene voldoende gelegenheid gehad haar snelheid vóór de meetlocatie aan te passen. In zoverre kan de inleidende beschikking in stand blijven en moet het daartegen ingestelde beroep ongegrond worden verklaard.

14. Het hof stelt evenwel vast dat - de mededeling van het CJIB in de brief van 10 juni 2008 ten spijt - de toegepaste eerste verhoging niet ongedaan is gemaakt.

15. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof beslissen als na te melden.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het bij de kantonrechter ingestelde beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 12 juli 2008;

verklaart het bij de officier van justitie ingestelde beroep ongegrond;

bepaalt dat de aan de betrokkene opgelegde eerste verhoging van de sanctie ad € 38,25 door de advocaat-generaal ongedaan wordt gemaakt.

Dit arrest is gewezen door mrs. Beswerda, Sekeris en Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Samplonius als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.