Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BM0521

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
30-03-2010
Datum publicatie
09-04-2010
Zaaknummer
200.009.000/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding wegens non conformiteit woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 30 maart 2010

Zaaknummer 200.009.000/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

1. [appellant],

wonende te [woonplaats],

2. [appellante],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten],

advocaat: mr. P.R. van den Elst, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

1. [geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

2. [geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden],

advocaat: mr. drs. M.P.C. Breeuwer, kantoorhoudende te Assen.

De inhoud van het tussenarrest d.d. 6 oktober 2009 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Ingevolge het arrest van 6 oktober 2009 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Ter zitting hebben [appellanten] een akte (met een productie) genomen. [geïntimeerde] hebben het pleidooiverzoek ingetrokken. Ten slotte hebben partijen wederom de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

De verdere beoordeling

1. Bij arrest van 26 mei 2009 heeft het hof beslist, samengevat, dat de door [geïntimeerden] aan [appellanten] geleverde woning niet de eigenschappen bezit die [appellanten] op grond van de koopovereenkomst daarvan mogen verwachten, dat [geïntimeerden] op grond van toerekenbare tekortkoming aansprakelijk zijn voor de door [appellanten] dientengevolge geleden schade en dat de herstelkosten dienen te worden begroot op € 24.478,50 inclusief B.T.W. Voorts heeft het hof overwogen dat op basis van het tot dan toe gestelde de schade gelijk kan worden gesteld aan het bedrag van de herstelkosten en dat in dat geval verwijzing naar de schadestaatprocedure niet nodig zal zijn. Het hof heeft partijen echter in de gelegenheid gesteld zich daarover - dus over de vraag of de schade beperkt blijft tot het bedrag van de herstelkosten en een verwijzing naar de schadestaatprocedure niet nodig is - bij akte uit te laten.

2. [appellanten] hebben vervolgens bij akte aangegeven dat zij naast de herstelkosten in totaal voor een bedrag van € 8.570,57 aan overige kosten hebben gemaakt en dat een schadestaatprocedure kan worden voorkomen door bij het bepalen van de schade deze overige kosten "mee te nemen".

3. [geïntimeerden] hebben de hoogte van de herstelkosten betwist. Verder hebben zij aangevoerd dat de aanbouw wel voldeed aan de eisen van het Bouwbesluit. Ten slotte zijn zij ingegaan op het gestelde in de akte van [appellanten].

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

4. De overwegingen in het tussenarrest van 26 mei 2009 inzake het bouwen in strijd met het Bouwbesluit zijn bindende eindbeslissingen. Het hof ziet geen redenen daarop terug te komen. Overigens vormden deze overwegingen een tweede zelfstandige grond voor het oordeel van het hof inzake de schadeplichtigheid naast de daaraan voorafgaande overwegingen. Ook de overwegingen in genoemd tussenarrest inzake de vaststelling van de herstelkosten zijn bindende eindbeslissingen die het hof ten volle handhaaft.

5. Nu [appellanten] hebben aangegeven dat de schade thans kan worden begroot en een verwijzing naar de schadestaatprocedure niet nodig is, zal het hof tot begroting van de schade overgaan.

5.1. In het tussenarrest van 26 mei 2009 is reeds beslist dat de herstelkosten worden begroot op € 24.478,50 inclusief B.T.W.

5.2. [appellanten] hebben voorts aanspraak gemaakt op schadevergoeding wegens het moeten aanschaffen van nieuwe kasten ten bedrage van € 1.750,98. Ter comparitie hebben zij dit bedrag evenwel verlaagd tot € 300,- voor nieuwe rekken en hebben [geïntimeerden] met dit bedrag ingestemd. Derhalve is ook dat bedrag toewijsbaar.

5.3. [appellanten] hebben aanspraak gemaakt op vergoeding van de kosten van de door hen ingeschakelde deskundige Van Bethlehem van Grontmij ten bedrage van € 1.773, 31 en € 411,55. Het hof overweegt dat [appellanten] geen grief hebben aangevoerd tegen rechtsoverweging 2.3 en volgende van het vonnis van 30 mei 2007, die erop neerkomen dat de rapportage van Van Bethlehem onvoldoende antwoord geeft op de in geschil zijnde vraag en dat daarom een deskundige zal worden benoemd. Daaraan kan worden toegevoegd dat het hof in zijn tussenarrest van 26 mei 2009 zijn oordeel heeft gebaseerd op de conclusies van de door de rechtbank benoemde deskundige en niet op die van Van Bethlehem. Onder deze omstandigheden bestaat geen grond voor toewijzing van de kosten verbonden aan de inschakeling van Van Bethlehem.

5.4. Ten slotte hebben [appellanten] aanspraak gemaakt op vergoeding van de deskundigenkosten in eerste aanleg ad € 1.864,73 en € 373,-, alsmede de door hen aan [geïntimeerden] betaalde proceskostenveroordeling in eerste aanleg ter grootte van € 2.397,-. Deze posten zijn inhoudelijk niet door [geïntimeerden] bestreden. Het betreft hier evenwel bedragen die reeds separaat zijn gevorderd in de appeldagvaarding en die uit andere hoofde toewijsbaar zijn (onverschuldigde betaling) en daarom buiten de schadebegroting blijven. Overigens werd in de appeldagvaarding nog een bedrag van € 314,16 genoemd in plaats van het bedrag van € 373,-. Tegen deze geringe eisvermeerdering is geen bezwaar aangevoerd en het hof ziet hiervoor ook ambtshalve geen beletsel.

5.5. De schade zal derhalve worden vastgesteld op € 24.478,50 plus € 300:

€ 24.778,50. Dit bedrag zal worden toegewezen.

5.6. Daarnaast bestaat geen afzonderlijk belang bij de gevorderde verklaring voor recht, zodat de vordering in zoverre zal worden afgewezen. Voor toewijzing van het gevorderde voorschot bestaat evenmin aanleiding nu de volledig geleden schade als begroot is toegewezen.

De slotsom

6. [appellanten] zullen niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep van de tussenvonnissen van 13 december 2006, 21 februari 2007 en 30 mei 2007. Het eindvonnis van 9 april 2008 zal worden vernietigd, met toewijzing van de vordering van [appellanten] als na te melden en met veroordeling van [geïntimeerden] als in het ongelijk te stellen partij in de kosten van de procedure in eerste aanleg en hoger beroep (in eerste aanleg: 3 punten in tarief III, in hoger beroep: 3 punten in tarief III).

De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart [appellanten] niet-ontvankelijk in hun hoger beroep van de tussenvonnissen van 13 december 2006, 21 februari 2007 en 30 mei 2007;

vernietigt het vonnis van 9 april 2008 waarvan beroep en opnieuw recht doende:

veroordeelt [geïntimeerden] tot betaling aan [appellanten] van € 24.778,50 uit hoofde van schadevergoeding;

veroordeelt [geïntimeerden] tot betaling aan [appellanten] van € 2.397,- alsmede € 2.237,73 wegens onverschuldigde betaling van de proceskostenveroordeling in eerste aanleg en de kosten van de deskundige;

veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van het geding in beide instanties en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellanten] op

in eerste aanleg: € 744,87 aan verschotten en € 1.737,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat.

in hoger beroep: € 388,44 aan verschotten en € 3.474,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde

Aldus gewezen door mrs. Janse, voorzitter, Zandbergen en Wind, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 30 maart 2010 in bijzijn van de griffier.