Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BL9694

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
31-03-2010
Datum publicatie
31-03-2010
Zaaknummer
24-002197-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij de beantwoording van de vraag of en bepaalde handeling kan worden aangemerkt als gevaarzettend in de zin van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 heeft als uitgangspunt te gelden dat het gaat om de handeling in concreto en in het licht van alle omstandigheden van het geval waardoor een reële mogelijkheid van schade voor goed of lijf wordt gecreëerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002197-07

Parketnummer eerste aanleg: 19-400179-07

Arrest van 31 maart 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter te Emmen van 6 september 2007 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1956] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

niet ter terechtzitting verschenen.

Het vonnis waarvan beroep

De kantonrechter te Emmen heeft de verdachte bij het vonnis vrijgesproken van het ten laste gelegde onder 1 en wegens een overtreding, ten laste gelegd onder 2, veroordeeld tot een straf en een bijkomende straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De officier van justitie en de verdachte zijn op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof bewezen zal verklaren hetgeen is ten laste gelegd onder 1 en 2 en verdachte ter zake van feit 1 zal veroordelen tot een geldboete van € 690,-- subsidiair 13 dagen vervangende hechtenis en ter zake van feit 2 tot een geldboete van € 500,-- subsidiair 10 dagen vervangende hechtenis en tot een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 4 maanden.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Na verbeterde lezing van de tenlastelegging is aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 17 februari 2007 te [plaats 1], en/of [plaats 2] (telkens) gemeente [gemeente 1], en/of [plaats 3] en/of [plaats 4] (telkens) gemeente [gemeente 2], als bestuurder van een motorvoertuig (bestelauto), heeft gereden,

op de weg, de [adres], gelegen binnen een als zodanig aangeduide bebouwde kom van [plaats 2], heeft gereden met een snelheid van ongeveer 100 kilometer per uur, althans met een (veel) te hoge snelheid gelet op de situatie ter plaatse, in elk geval heeft hij, verdachte, de aldaar toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur overschreden,

op de weg, de [straat 1], terwijl op/in die weg een snelheidsbeperkende maatregel, te weten een drempel, was aangebracht, deze maatregel met een dusdanige snelheid is gepasseerd, dat de (achter) deuren van het door hem bestuurde voertuig open sprongen/open gingen,

en/of (vervolgens) met het door hem bestuurde voertuig op de weg, de [straat 2] gelegen binnen de als zodanig aangeduide bebouwde kom van [plaats 2] met een snelheid van ongeveer 120 kilometer per uur, althans met een (veel) te hoge snelheid gelet op de situatie ter plaatse, in elk geval heeft hij, verdachte, de aldaar toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur overschreden,

gekomen ter hoogte van een in die weg gelegen bocht naar rechts, bij het naar rechts afslaan, zijn voertuig op een dusdanige wijze heeft bestuurd en/of beremd, althans een dusdanige snelheid heeft aangehouden, (mede) waardoor hij op de rijstrook bestemd voor het tegemoetkomende verkeer is terechtgekomen, althans die rijstrook is gaan berijden,

en/of (vervolgens) met het door hem bestuurde voertuig op de wegen, de [straat 3] en/of de [straat 4], gelegen binnen de als zodanig aangeduide bebouwde kom van [plaats 3] heeft gereden met een snelheid van ongeveer 120 kilometer per uur, althans met een te hoge snelheid gelet op de situatie ter plaatse, in elk geval heeft hij, verdachte, de aldaar toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur overschreden,

en/of (vervolgens) met het door hem bestuurde voertuig op de weg, de [straat 5], te of nabij [plaats 4], heeft gereden met een snelheid van ongeveer 130 kilometer per uur, althans met een te hoge snelheid gelet op de situatie ter plaatse, in elk geval heeft hij, verdachte, de aldaar toegestane maximumsnelheid van 80 kilometer per uur overschreden,

en/of (vervolgens) op de weg, het [straat 6], gelegen binnen de als zodanig aangeduide bebouwde kom van de gemeente [gemeente 3], heeft gereden met een snelheid van ongeveer 80 kilometer per uur, waarbij hij meerdere malen op het gedeelte van de rijbaan bestemd voor het tegemoetkomend verkeer heeft gereden, en/of waarbij hij meerdere malen de controle over het voertuig (kennelijk) dreigde te verliezen (mede) door zijn hoge snelheid,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

2.

hij op of omstreeks 17 februari 2007 te [plaats 1], gemeente [gemeente 1], als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto (bestelauto)), gekentekend [kenteken], daarmede heeft gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [straat 7], zonder dat er voor dit motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen was gesloten en in stand gehouden.

Bewijsoverweging ten aanzien van het ten laste gelegde onder 1

Bij de beantwoording van de vraag of een bepaalde gedraging kan worden aangemerkt als gevaarzettend in de zin van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 heeft als uitgangspunt te gelden dat het er om gaat dat de verweten gedraging - in het licht van alle omstandigheden van het geval - in concreto gevaar oplevert voor de veiligheid op de weg en wel in die zin dat er een reële mogelijkheid van schade voor personen en/of goederen wordt gecreëerd.

Verdachte heeft -terwijl hij werd achtervolgd door een surveillancevoertuig van de politie- op een zaterdagmiddag, omstreeks 16.25 uur, met hoge snelheid in zijn auto door de bebouwde kom gereden. Verdachte reed binnen de bebouwde kom tenminste twee keer zo snel als toegestaan. Hij is met onverminderde snelheid meerdere kruisingen opgereden. Verdachte reed zo hard dat de achterdeuren van zijn auto, alwaar allerlei gereedschappen in opgeslagen lagen, opensprongen toen hij over een drempel reed. Hij is daarbij tevens gedurende de afgelegde afstand van ruim dertig kilometer meermalen op de rijbaan voor het tegemoetkomende verkeer terechtgekomen.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat door het handelen van verdachte een reële mogelijkheid van schade voor personen en/of goederen is ontstaan. Het onder 1 ten laste gelegde acht het hof derhalve wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij op 17 februari 2007 te [plaats 1], en [plaats 2], telkens gemeente [gemeente 1], en [plaats 3] en [plaats 4], telkens gemeente [gemeente 2], als bestuurder van een motorvoertuig (bestelauto),

op de weg, de [adres], gelegen binnen een als zodanig aangeduide bebouwde kom van [plaats 2], heeft gereden met een snelheid van ongeveer 100 kilometer per uur,

op de weg, de [straat 1], terwijl op die weg een snelheidsbeperkende maatregel, te weten een drempel, was aangebracht, deze maatregel met een dusdanige snelheid is gepasseerd, dat de achterdeuren van het door hem bestuurde voertuig open sprongen/open gingen,

en vervolgens met het door hem bestuurde voertuig op de weg, de [straat 2] gelegen binnen de als zodanig aangeduide bebouwde kom van [plaats 2] met een snelheid van ongeveer 120 kilometer per uur, gekomen ter hoogte van een in die weg gelegen bocht naar rechts, bij het naar rechts afslaan, zijn voertuig op een dusdanige wijze heeft bestuurd en beremd, mede waardoor hij op de rijstrook bestemd voor het tegemoetkomende verkeer is terechtgekomen,

en vervolgens met het door hem bestuurde voertuig op de wegen, de [straat 3] en de [straat 4], gelegen binnen de als zodanig aangeduide bebouwde kom van [plaats 3] heeft gereden met een snelheid van ongeveer 120 kilometer per uur,

en vervolgens met het door hem bestuurde voertuig op de weg, de [straat 5], te of nabij [plaats 4], heeft gereden met een snelheid van ongeveer 130 kilometer per uur,

en vervolgens op de weg, het [straat 6], gelegen binnen de als zodanig aangeduide bebouwde kom van de gemeente [gemeente 3], heeft gereden met een snelheid van ongeveer 80 kilometer per uur, waarbij hij meerdere malen op het gedeelte van de rijbaan bestemd voor het tegemoetkomend verkeer heeft gereden, en waarbij hij meerdere malen de controle over het voertuig (kennelijk) dreigde te verliezen (mede) door zijn hoge snelheid,

door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg kon worden veroorzaakt, en het verkeer op die weg kon worden gehinderd;

2.

hij op 17 februari 2007 te [plaats 1], gemeente [gemeente 1], als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto (bestelauto)), gekentekend [kenteken], daarmede heeft gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [straat 7], zonder dat er voor dit motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen was gesloten en in stand gehouden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op de overtredingen:

feit 1: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;

feit 2: als bestuurder van een motorrijtuig daarmee op een weg rijden, zonder dat er voor dat motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen is gesloten en in stand gehouden.

Strafbaarheid

Verdachte is strafbaar. Strafuitsluitingsgronden zijn niet aanwezig.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 17 februari 2007 schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 door in een auto met hoge snelheid door de bebouwde kom te rijden en op de rijbaan van het tegemoetkomende verkeer te rijden. Door aldus te handelen heeft verdachte de verkeersveiligheid in gevaar gebracht en zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer veronachtzaamd. Daarnaast was de auto waarin verdachte reed niet verzekerd.

Uit een verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 25 januari 2010 blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld ter zake van strafbare feiten.

Gelet op het vorenstaande, in onderling verband en samenhang gezien, is het hof van oordeel dat oplegging van geldboetes alsmede een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen, zoals gevorderd door de advocaat-generaal, passend en geboden is.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24, 24c, 62 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 en artikel 30 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, zoals deze artikelen golden ten tijde van de bewezen verklaarde feiten.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte]:

ter zake van feit 1 tot een geldboete van zeshonderdnegentig euro;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van dertien dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

ter zake van feit 2 tot een geldboete van vijfhonderd euro;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van tien dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

ontzegt aan de veroordeelde ter zake van het onder onder 2 bewezen verklaarde feit de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van vier maanden;

beveelt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs ingevorderd en ingehouden is geweest, op de duur van de ontzegging geheel in mindering wordt gebracht.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. W. Foppen, voorzitter, mr. G. Dam en mr. L.T. Wemes, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Mulder als griffier.