Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BL9397

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
23-03-2010
Datum publicatie
29-03-2010
Zaaknummer
200.017.988/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gerechtelijke erkentenis. Geen geval van herroeping als bedoeld in art. 154 lid 2 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 23 maart 2010

Zaaknummer 200.017.988/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats], gemeente Lemsterland,

appellant, tevens eiser in het incident,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. T.G.M. Gersjes, kantoorhoudende te Eindhoven,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats] (Zwitserland),

geïntimeerde, tevens verweerster in het incident,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: voorheen mr. S.A. Roodhof, thans mr. W.H.C. Bulthuis, kantoorhoudende te Leeuwarden.

De inhoud van het op 10 maart 2009 tussen partijen gewezen arrest in het incident ex art. 162 lid 1 Rv wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Na genoemd tussenarrest van 10 maart 2009 heeft [geïntimeerde] een memorie van antwoord (per abuis aangeduid als: memorie van grieven) genomen. Bij deze memorie zijn twee producties overgelegd.

Vervolgens hebben partijen hun zaak schriftelijk doen bepleiten, waartoe partijen hun pleitnota's hebben ingezonden. Door [appellant] is daarbij nog een akte overlegging productie (deskundigenrapport) genomen.

Ten slotte hebben partijen de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft vijf grieven opgeworpen.

De beoordeling

vooraf

1. Het hof heeft geconstateerd dat in het door [appellant] overgelegde procesdossier de pleitnota's ontbreken. Het door [geïntimeerde] overgelegde procesdossier is wel compleet, in die zin dat zich daarin de pleitnota's bevinden. Het hof acht zich daarom vrij om ten behoeve van de beoordeling van de zaak uit te gaan van het procesdossier, zoals dat door [geïntimeerde] is overgelegd.

de feiten

2. Behoudens het gestelde in grief 1 zijn geen grieven opgeworpen tegen de weergave door de rechtbank van de feiten in overweging 2. (2.1, 2.2 en 2.3) van het vonnis van 20 augustus 2008 waarvan beroep, zodat ook het hof van die overige feiten zal uitgaan, zulks met inachtneming van hetgeen hierna met betrekking tot grief 1 zal worden overwogen.

het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3. [geïntimeerde] heeft [appellant] (jr.) en diens vader J.D. [appellant] (sr.) gedagvaard en gevorderd beiden, ter zake van terugbetaling van ter leen verstrekte gelden, hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 341.666,67, inclusief contractuele rente en buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met verdere contractuele rente en proceskosten, de beslagkosten daaronder begrepen.

3.1 [appellant] heeft zich tegen de vordering verweerd. J.D. [appellant] sr. is niet in rechte verschenen en tegen hem is verstek verleend.

3.2 Na een op 8 juli 2008 gehouden comparitie van partijen heeft de rechtbank, bij vonnis van 20 augustus 2008, aangevuld bij vonnis van 17 september 2008, de vordering van [geïntimeerde] toegewezen, met uitzondering van de vordering

ter zake van de buitengerechtelijke kosten, met veroordeling van [appellant] jr.

en sr. in de kosten van het geding.

met betrekking tot de grieven

4. Grief 1 is gericht tegen de overwegingen van de rechtbank dat [appellant] heeft erkend de geldleningsovereenkomst met [geïntimeerde] te zijn overeengekomen.

5. [appellant] betoogt met de grief dat hij, in weerwil van zijn in eerste aanleg ter comparitie afgelegde andersluidende verklaring, de onderhavige geldlenings-overeenkomst niet heeft ondertekend.

5.1 [appellant] heeft echter met zijn verklaring ter comparitie, zonder het maken van enig voorbehoud, de juistheid van de stelling dat hij de geldleningsovereenkomst heeft getekend, erkend.

5.2 Ingevolge art. 154 lid 2 Rv kan een gerechtelijke erkentenis slechts worden herroepen, indien aannemelijk is dat zij door een dwaling of niet in vrijheid is afgelegd. Nu gesteld noch gebleken is dat aan de voorwaarden van dit tweede lid is voldaan, kan [appellant] thans in hoger beroep niet op zijn erkentenis terugkomen.

5.3 De gerechtelijke erkentenis is overigens geen bewijsmiddel dat tegen andere bewijsmiddelen moet worden afgewogen, maar is een partijverklaring die bewijs van de stellingen waarop zij betrekking heeft overbodig maakt. De rechter moet de waarheid van deze stellingen als vaststaand beschouwen, zonder dat daarvan nader bewijs kan worden verlangd. Dat sluit uit dat de rechter de waarheid van de betrokken stellingen nader onderzoekt. Het hof zal alleen om die reden al voorbijgaan aan de inhoud van het door [appellant] overgelegde rapport van schriftkundig onderzoek.

5.4 Nu als vaststaand heeft te gelden dat [appellant] het schriftelijk contract inhoudende een overeenkomst van geldlening heeft ondertekend, moet worden geconcludeerd dat er een geldleningsovereenkomst tot stand is gekomen en dat [appellant] gehouden is zijn uit die overeenkomst voortvloeiende verplichtingen jegens [geïntimeerde] na te komen.

6. De grief faalt.

7. Grief 2 klaagt dat de rechtbank geen, althans onvoldoende, rekening heeft gehouden met het feit dat aan de zijde van [appellant] geen rechtshandeling is verricht omdat niet voldaan is aan het vereiste dat een op rechtsgevolg gerichte wil zich door een verklaring heeft geopenbaard.

8. Uit hetgeen hiervoor met betrekking tot grief 1 is overwogen, volgt dat in dit geding als vaststaand moet worden aangenomen dat [appellant] de overeenkomst van geldlening op 27 februari 2006 heeft ondertekend. Het ondertekenen van een overeenkomst is een wilsuiting, gericht op de totstandkoming of bevestiging van de totstandkoming van de daarin vervatte afspraken. Gesteld noch gebleken is dat ten tijde van de ondertekening de daarmee door [appellant] gegeven verklaring niet overeenstemde met zijn op dit rechtsgevolg gerichte wil.

8.1 Onweersproken staat vast dat [geïntimeerde], door het (al) op 23 februari 2006 storten van het geleende bedrag op de opgegeven bankrekening, haar verplichtingen uit de overeenkomst is nagekomen. Al in het algemeen, maar in het bijzonder onder deze omstandigheid stond het [appellant] niet (meer) vrij om zich eenzijdig aan zijn uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen te onttrekken. Reeds om die reden komt aan de inhoud van de brief van [appellant] aan [geïntimeerde] d.d. 2 maart 2006 en aan het emailbericht van [appellant] sr. aan [appellant] d.d. 16 maart 2006 geen betekenis toe, wat er van die brief en dat bericht ook zij.

Daarom zal het hof het op dit punt door [appellant] gedane bewijsaanbod als niet relevant passeren.

9. De grief treft dan ook geen doel.

10. In grief 3 stelt [appellant] dat de rechtbank met betrekking tot de brief van 2 maart 2006 ten onrechte de ontvangsttheorie als uitgangspunt heeft genomen.

11. In het licht van hetgeen het hof met betrekking tot de eerste twee grieven heeft overwogen, ontbeert de grief belang.

Immers, al aangenomen dat de bewuste brief is verzonden en deze [geïntimeerde] ook daadwerkelijk heeft bereikt, is daarmee nog niet het eenzijdig door [appellant] beoogde gevolg - te weten dat er geen overeenkomst van geldlening tussen hem en [geïntimeerde] tot stand is gekomen - bereikt. Daarvoor was - in ieder geval - ook de instemming van [geïntimeerde] noodzakelijk, maar dat zij ermee heeft ingestemd heeft dat [appellant] uit zijn verplichtingen uit de overeenkomst werd ontslagen, is gesteld noch gebleken.

12. De grief faalt.

13. De grieven 4 en 5 keren zich achtereenvolgens tegen de toewijzing van de vordering van [geïntimeerde] en tegen de veroordeling van [appellant] in de proceskosten. Deze grieven missen zelfstandige betekenis en behoeven gelet op het voorgaande geen behandeling.

De slotsom

14. De conclusie luidt dat het vonnis van de rechtbank van 20 augustus 2008, zoals aangevuld bij vonnis van 17 september 2008, voor zover gewezen tussen

[geïntimeerde] en [appellant], dient te worden bekrachtigd.

[appellant] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep, waaronder die van het incident ex

art.162 lid 1 Rv (2½ procespunten, tarief IV).

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het tussen [geïntimeerde] en [appellant] gewezen vonnis van

de rechtbank van 20 augustus 2008, zoals aangevuld bij vonnis van

17 september 2008;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot

die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] op € 1.130,-- aan verschotten en op € 4.077,50 aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

verklaart dit arrest voor wat betreft de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. Mollema, voorzitter, De Hek en Fikkers, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 23 maart 2010 in bijzijn van de griffier.