Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BL8855

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
16-03-2010
Datum publicatie
25-03-2010
Zaaknummer
200.024.950/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is koopovereenkomst tot stand gekomen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 16 maart 2010

Zaaknummer 200.024.950

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. R.W. de Casseres, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. H.E.J.M. van Stiphout, kantoorhoudende te Helmond.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 27 februari 2008, 12 maart 2008 en 5 november 2008 door de rechtbank Leeuwarden.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 3 februari 2009 is door [appellante] hoger beroep ingesteld van de genoemde vonnissen met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 3 maart 2009.

Het petitum van de appeldagvaarding luidt:

"dat het gerechtshof bij arrest uitvoerbaar bij voorraad de tussen partijen op 27 februari 2008, 12 maart 2008 en 5 november 2008 door de Rechtbank Leeuwarden gewezen vonnissen vernietigt en alsnog rechtdoend gerekwireerde in haar vorderingen niet-ontvankelijk verklaart althans deze vorderingen afwijst met veroordeling van gerekwireerde in de kosten van beide instanties."

Er is een memorie van grieven genomen.

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:

"Dat het Gerechtshof het ingestelde beroep van de hand zal wijzen onder bevestiging van het door de rechtbank te Leeuwarden op 27 februari 2008 gewezen vonnis, zoals gewijzigd bij vonnis van 12 maart 2008, met veroordeling van [appellante] in de kosten zowel in eerste instantie als in hoger beroep."

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellante] heeft drie grieven opgeworpen.

De beoordeling

1. Niet-ontvankelijkverklaring

Tegen het (herstel)vonnis van 12 maart 2008 zijn geen grieven geformuleerd zodat [appellante] in zoverre niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep.

2. De feiten

2.1. De rechtbank heeft in haar vonnis van 27 februari 2008 in r.o. 2.1. tot en met 2.9. de feiten vastgesteld die naar haar oordeel vaststaan. Van bezwaren tegen deze vaststelling is niet gebleken, zodat deze feiten in hoger beroep vaststaan. Het gaat daarbij om het volgende.

2.2. [geïntimeerde] (roepnaam [geïntimeerde]), die een onderneming exploiteert onder de naam [naam], was eigenaar van een grote partij zogenoemde ‘ambulante handel’, bestaande uit knuffelbeesten, beeldjes, speelgoed, poppen, aardewerk, puzzels (hierna te noemen: ‘de zaken’). De zaken waren door [geïntimeerde] opgeslagen in een loods/boerenschuur in de buurt van Helmond.

2.3. Tijdens een bijeenkomst van partijen, die een vriendschappelijke relatie hadden, op oudejaarsavond 2006, waren ook de heer [de partner van geïntimeerde] (de partner van [geïntimeerde]), [echtgenoot van appellante] ([echtgenoot van appellante], de echtgenoot van [appellante]) en [belangstellende] aanwezig. [belangstellende] heeft toen te kennen gegeven belangstelling te hebben voor het kopen van een aantal knuffelbeesten van [geïntimeerde].

2.4. In februari 2007 zijn [appellante] (roepnaam: [appellante]), haar echtgenoot en [belangstellende] naar Helmond gegaan, waar zij de zaken in de loods waar ze waren opgeslagen hebben bezichtigd. [belangstellende], die een handelsonderneming heeft, heeft toen een aantal zakken met knuffelbeesten van [geïntimeerde] gekocht.

2.5. Enkele dagen na het bezoek aan [geïntimeerde] hebben [appellante] en haar echtgenoot een aanvang gemaakt met het overbrengen van de zich in de loods bevindende zaken naar Holwerd. In een aantal keren hebben zij vrijwel de volledige partij zaken naar Holwerd verplaatst.

2.6. [geïntimeerde] heeft een door haar getekend en op 21 maart 2007 gedateerd koopcontract aan [appellante] en haar echtgenoot gezonden, waarvan de inhoud onder meer als volgt luidt:

'[naam], gevestigd te Helmond, Ten Culen 2, ten deze vertegenwoordigd door Mevrouw [geïntimeerde], hierna te noemen verkoper,

en

Mevrouw [koper], wonende te Holwerd, Medwerderweg 2-4, 9151 AG, hierna te noemen: koper

In aanmerking nemende:

Dat partijen een overeenkomst hebben gesloten m.b.t. de verkoop van de vlottende activa, voorraden, cliëntenkring, de handelsnaam en de handelsactiviteiten welke toebehoren aan verkoper c.q. door verkoper verricht worden en wel per 1 april 2007.

Komen als volgt overeen:

Verkoper verkoopt aan koper, die deze verkoop aanneemt, de onbezwaarde vlottende activa, welke toebehoren aan verkoper, tegen een overeengekomen koopsom van € 15.000, waarvan € 12.000,00 handelsgoederen en € 3.000,-- bedrijfsinventaris.

Op de koopsom zal geen BTW van toepassing zijn (margegoederen).

Verkoper verkoopt aan koper de voorraad handelsgoederen en bedrijfsinventaris, welke gezamenlijk geïnventariseerd en gewaardeerd worden tegen kostprijs, of de lagere overeengekomen inkoopwaarde welke door partijen getaxeerd is op tenminste € 15.000,-- totaal.

Verkoper en koper komen overeen dat bij ondertekening van deze overeenkomst het bedrag van in totaal € 15.000,00 zegge vijftienduizend euro terstond middels een bankopdracht via telebanking zal worden voldaan (…).'

2.7. [geïntimeerde] heeft aan [echtgenoot van appellante] een factuur met datum 21 maart 2007 gezonden, met als omschrijving:

'Factuur behorende bij de koopovereenkomst fa. [naam] te HELMOND, ter waarde van de door partijen overeengekomen totale koopsom van: € 15.000,--

(…)'

2.8. Tussen [geïntimeerde] (en [partner van geïntimeerde]) en [appellante] (en haar echtgenoot) is (e-mail) correspondentie op gang gekomen, die in hoofdlijnen weergegeven het volgende verloop kent.

2.9. Een e-mail van 25 maart 2007 van [appellante] aan [partner van geïntimeerde]:

(…)

‘Zou jij de restanten (kapot, uitstalmateriaal, enzovoort) die nog in de hal liggen voor ons naar de stort willen brengen? Ten eerste mogen wij niet naar de stort omdat we niet in de gemeente wonen en ten tweede is het wel heel veel uren rijden! (…).'

2.10. [partner van geïntimeerde] heeft daarop, mede namens [geïntimeerde], bij e-mail van dezelfde datum geantwoord:

(…)

‘De troep in de hal is nagenoeg weg.

(…)

Ik heb een factuur opgestuurd van € 15,000,- met een koopovereenkomst in tweevoud, waarvan ik graag één getekend retour ontvang voor het geval de belastingdienst daar prijs op gaat stellen …

Die formele taal ben jij wel gewend, [appellante], daar moet je dus geen conclusies aan verbinden hè? De tekst van de overeenkomst is een verkorte kopie van die welke wij destijds hebben ondertekend, zodoende.

(…).'

'Ik zou het fijn vinden als je de factuur per omgaande zou willen overmaken, zodat [geïntimeerde] het restant van haar lening ook kan aflossen.'

(…)

2.11. [appellante] heeft bij e-mail van 10 april 2007 van [partner van geïntimeerde] onder meer het volgende bericht:

‘Hoewel we (hebben) bijna heel de handel in de dozen hebben doorgekeken zijn we nog lang niet alle zaken die op de foto’s staan tegengekomen. Vooral de wat grotere en luxere stukken missen. Hierdoor resteert een partij die niet de waarde heeft die wij ervan mochten verwachten, uitgaande van jullie beschrijving en de foto’s. (…) Zo kunnen we niet tekenen voor een koopovereenkomst. Wat nu?'

2.12. Op deze e-mail heeft [partner van geïntimeerde] in een e-mail van 11 april 2007 onder meer geantwoord:

'Het doet me pijn dat jullie er direct van uit gaan dat ik na onze overeenkomst nog effe ben wezen "laden". (…)

'Ik vind dat we goede, eerlijke afspraken hebben gemaakt over één en ander. Tijdens de bezichtiging waren jullie toch óók allemaal enthousiast over de omvang van de voorraad, nietwaar? Over de € 25.000 waren we het ook snel eens, en het feit dat daarvan 10.000 euro verspreid voer 2007 kan worden betaald, (daarmee naar verwachting gelijk lopend met de verkopen) vind ik ook een mooi gebaar van ons, toch?Andersom waren wij uiteraard ook blij dat er een eind kwam aan de voor ons moeilijke situatie, gezien de opslagkosten.' (…)

'Concreet:

Ik vind dat de € 15.000 zoals afgesproken direct moet worden betaald. Wat ons "geschil" ook wordt, bij wat manco's en gebroken spullen gaat het nooit over € 10.000.' (…)

'Als de tekst van de koopovereenkomst aangepast moet worden, mail dan maar even een aangepaste versie naar mij. Moet deze helemaal de prullebak in; ook goed, het is niet méér dan een middel om boekhoudkundig de zaak "rond" te maken.'

2.13. [appellante] heeft bij e-mail van 13 april 2007 aan [geïntimeerde] en [partner van geïntimeerde] bericht:

'De verschillen van mening zijn dusdanig groot dat we daar niet uit zullen komen. Dat levert aan beide kanten frustratie en teleurstelling op maar oeverloze discussies die nergens toe leiden zitten wij ook niet op te wachten (welles/nietes gesprekken)' (…)

'Jullie halen de hele handel hier op of zoeken zelf een opkoper voor de partij die het hier ophaalt.'

2.14. Nadat [partner van geïntimeerde] bij e-mail van 13 april 2007 heeft aangemaand tot betaling van een bedrag van € 25.000,-- hebben [echtgenoot van appellante] en [belangstellende] bij brief van 14 april 2007, als bijlage bij een e-mail van 23 april 2007, het volgende aan [geïntimeerde] geschreven:

'De partij goederen die wij recentelijk ter inventarisatie bij u meenamen blijkt bij lange na niet te voldoen aan de door u en de heer [partner van geïntimeerde] voorgestelde samenstelling. Ook komt de partij niet, zoals door u toegezegd, overeen met het door u verstrekte foto-overzicht van de partijonderdelen. Er missen veel duurdere onderdelen. Wij gaan daarom niet over tot aankoop van de door u aangeboden partij.

Graag nog even uw attentie voor het volgende: U stuurde ons een koopovereenkomst voor [naam]! Er is nooit sprake geweest van overname van de handelsnaam, laat staan de handelsactiviteiten (…).’

2.15. In de periode van 9 februari 2007 tot en met 2 april 2007 zijn op de internetverkoopsite ‘Marktplaats.nl’ advertenties geplaatst door [appellante] en haar echtgenoot, waarbij beeldjes, bloempotten, poppen, harlekijntjes etc. te koop zijn aangeboden, waarbij als adverteerder staat aangegeven ‘[echtgenoot van appellante]’.

2.16. De advertentie van 18 maart 2007 kent als kop: ‘de leukste en goedkoopste kado’s MEGA SCHUUR VERKOOP’. De tekst van de advertentie luidt:

‘wij hebben van alles en nog wat te koop leuke kadootjes voor allerlei gelegenheden maar ook partijen leuk voor markten, winkels of rommelmarkt. Een kleine greep uit ons assortiment: aardewerk, vazen, bloempotten, glaswerk, spaarpotten, miniatuurtjes van zowel speelgoed, pluche beesten porceleinen poppen fotolijstjes, speeldozen etc. etc. kom geheel vrijblijvend snuffelen en er is voor ieder wat wils voor de prijzen hoeft u het niet te laten (…)’.

2.17. [geïntimeerde] heeft [appellante] doen sommeren tot betaling van een bedrag van € 25.000,--, aan welke sommatie deze niet heeft voldaan.De grieven

3. De grieven

3.1. De eerste twee grieven hebben allebei de strekking dat de door [geïntimeerde] gestelde koopovereenkomst ten onrechte door de rechtbank bewezen is verklaard en lenen zich daarom voor gezamelijke beoordeling. Omdat [appellante] in de derde grief afzonderlijk bezwaar maakt tegen de hoogte van de overeengekomen koopprijs zal het hof eerst alleen beoordelen of aan de vastgestelde feiten het vermoeden ontleend kan worden dat een koopovereenkomst met enige prijs in geld tot stand is gekomen.

3.2. Hoewel [appellante] het heeft over een wettelijk vermoeden, gaat het hof er, gezien de toelichting vanuit dat zij een rechterlijk vermoeden bedoeld heeft.

3.3. Het betoog van [appellante] komt er op neer dat zij de partij zaken onder zich heeft genomen als vriendendienst om deze ten behoeve van [geïntimeerde] te verkopen. Volgens [appellante] rechtvaardigen de correspondentie en het aan [appellante] afgeven van de omstreden zaken niet het vermoeden van koop. Het hof volgt [appellante] daarin niet.

3.4. Aan [appellante] zijn voor de handel bestemde zaken afgegeven, die door haar (echtgenoot) zelf op eigen kosten en met eigen middelen zijn afgevoerd naar een eigen opslagruimte alwaar [geïntimeerde] op eigen naam de verkoop van die zaken ter hand heeft genomen. Enige afspraak over doorbetaling van de verkoopopbrengsten aan [geïntimeerde] volgt niet uit de overgelegde e-mail, terwijl dit, als de lezing door [appellante] juist zou zijn, wel voor hand zou hebben gelegen.

3.5. Voorts is door [geïntimeerde] direct een schriftelijke koopovereenkomst aan [appellante] gezonden welke door de laatste niet onmiddellijk van de hand is gewezen. [appellante] heeft naar aanleiding van opmerkingen over de geleverde zaken zelfs opgemerkt: 'Zo kunnen we niet tekenen voor een koopovereenkomst'. Na enige tijd heeft [geïntimeerde] een factuur aan [appellante] gezonden die evenmin terstond is geweigerd.

3.6. Uit het verzoek aan [geïntimeerde] om hulp bij het opruimen en afvoeren van de restanten in de opslaghal volgt eveneens dat die werkzaamheden primair tot de taak van [appellante] werden gerekend, wat het beste past bij de situatie dat [appellante] eigenaar van deze zaken was. Ook uit de protesten door [appellante] over het incompleet zijn van de afgegeven zaken volgt dat [appellante] de zaken als aan haar geleverd beschouwde. Pas als er een discussie met een minder vriendschappelijke toonzetting op gang komt, deelt [appellante] mee dat [geïntimeerde] de zaken maar moet terughalen.

3.7. De rechtbank heeft, in het licht van het vorenstaande, terecht geoordeeld dat aan de vaststaande feiten het voor tegenbewijs vatbare vermoeden van koop door [appellante] ontleend kon worden.

3.8. Volgens [appellante] heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het door haar geleverde tegenbewijs onvoldoende is om dit vermoeden te ontzenuwen. Als middelen van tegenbewijs dienen de bij de rechtbank afgelegde verklaringen van [appellante], haar bij de overeenkomst betrokken echtgenoot en de eveneens van de zijde van [appellante] bij de zaak betrokken heer [belangstellende]. In hun verklaringen bevestigen de getuigen de vaststaande feiten, waarvoor zij een andersluidende verklaring geven, hetgeen hen tot de conclusie brengt dat niet van koop maar een vriendendienst sprake was.

3.9. Met de rechtbank en op grond van dezelfde overwegingen is het hof evenwel van oordeel dat het geheel aan feiten, zeker in onderlinge samenhang bezien, slechts tot de conclusie kan leiden dat wel degelijk sprake is van koop. De daarvan afwijkende waardering van die feiten door [appellante], ook na herhaling daarvan door de getuigen, is in dat licht onaannemelijk. Nader tegenbewijs tegen het hier bedoelde vermoeden is niet aangeboden.

3.10. De eerste twee grieven falen.

4. Grief III

4.1. In de derde grief richt [appellante] zich tegen het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een overeengekomen prijs van € 25.000,--. In de toelichting op deze grief wordt betoogd dat deze prijs slechts gebaseerd is op de weersproken en onbewezen stellingen van [geïntimeerde].

4.2. Het hof overweegt daarover het volgende. In de grief wordt miskend dat de overwegingen van de rechtbank betreffende de overeengekomen prijs van € 25.000,-- niet louter op de stellingen van [geïntimeerde] gebaseerd zijn. Zij zien tevens op de overgelegde e-mail. Ook nadat daarin zijdens [geïntimeerde] uitdrukkelijk gesproken is over een koopprijs van € 25.000,-- en [appellante] aangemaand werd tot betaling, is er van enig protest tegen dat bedrag geen sprake geweest, terwijl dit wel voor de hand zou hebben gelegen als [appellante] het gelijk aan haar zijde zou hebben. Daarmee in overeenstemming is dat de heer Van Adelberg tegenover de rechter-commissaris verklaard heeft dat tussen partijen gesproken is over een vergoeding van € 25.000,--. In lijn met de draai die [appellante] aan de feiten geeft, kenschetst hij die vergoeding echter als een afdracht na verkoop van de zaken. Nu het hof evenals de rechtbank tot het oordeel komt dat geen sprake is van een vriendendienst maar van koop, kan dit voor de partij zaken te betalen bedrag niet anders zijn dan de door [appellante] te betalen koopprijs.

4.3. De derde grief faalt.

5. De slotsom.

5.1. [appellante] is niet-ontvankelijk in haar hoger beroep voor zover dit gericht is tegen het vonnis van 12 maart 2008.

5.2. De overige vonnissen waarvan beroep dienen te worden bekrachtigd met veroordeling van [appellante] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep (1 punt, tarief II).

De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart [appellante] niet-onvankelijk in het hoger beroep voor zover gericht tegen het vonnis van 12 maart 2008

bekrachtigt de overige vonnissen waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van [geïntimeerde] tot aan deze uitspraak op € 422,-- aan verschotten en € 894,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat.

Aldus gewezen door mrs. Zandbergen, voorzitter, Wind en Van Rijssen, raden,

en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 16 maart 2010 in bijzijn van de griffier.