Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BL7878

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
16-03-2010
Datum publicatie
17-03-2010
Zaaknummer
200.007.989/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Handelen voor een derde of zichzelf? Handelen voor zichzelf; geen opdracht tot verkoop tegen provisie en daarop gebaseerde in consignatie geven, maar koopovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 16 maart 2010

Zaaknummer 200.017.989/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellant],

toevoeging,

advocaat: mr. E.H. de Vries, kantoorhoudende te Wolvega,

tegen

[geïntimeerde], h.o.d.n. [x] Tweewielers,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. S. Radovic, kantoorhoudende te Leeuwarden.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 13 december 2007 en 20 augustus 2008 door de rechtbank Leeuwarden, sector kanton, locatie Heerenveen, hierna te noemen de kantonrechter.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 6 november 2008 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van de genoemde vonnissen met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van

18 november 2008.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"EIS

1. Te vernietigen de vonnissen waarvan beroep, te weten de vonnissen van

13 december 2007 en 20 augustus 2008, door de rechtbank Leeuwarden, sector kanton, locatie Heerenveen onder zaak-/rolnummer 226757 CV EXPL 07-1814 gewezen tussen [appellant] als gedaagde en [geïntim[geïntimeerde] als eiser;

2. Alsnog [geïntimeerde] in diens vorderingen niet ontvankelijk te verklaren, althans hem deze te ontzeggen en om [geïntimeerde] te veroordelen om al hetgeen [geïntimeerde] ter uitvoering van de bestreden vonnissen aan [geïntimeerde] heeft voldaan aan [appellant] terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling;

3. [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met de nakosten ten belope van € 131,- een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

4. Eén en ander, voorzover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad."

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:

"bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de vonnissen van de Rechtbank Leeuwarden, sector Kanton, locatie Heerenveen d.d. 13 december 2007 en 20 augustus 2008 (zaak-/rolnummer 226757 CV EXPL 07-1814), tussen partijen gewezen, zonodig onder verbetering van gronden, te bekrachtigen, met veroordeling van appellant in de kosten de procedure in beide instanties."

Voorts heeft [appellant] een akte genomen, waarop [geïntimeerde] bij antwoordakte heeft gereageerd. Vervolgens heeft [appellant] nog een akte uitlating producties genomen.

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft vier grieven opgeworpen.

De beoordeling

De vaststaande feiten

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan niet voldoende betwist staat tussen partijen in hoger beroep vast dat [geïntimeerde] een bedrijf exploiteert in nieuwe en gebruikte fietsen.

De vordering

2. [geïntimeerde] doet zijn vordering als oorspronkelijk eiser tot betaling van een bedrag van € 4.236,45 aan hoofdsom, wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten steunen op de stelling, zoals hij die stelling in hoger beroep bij antwoordakte (onder nr. 6) heeft verduidelijkt, dat hij aan [appellant] heeft verkocht en afgeleverd de fietsen, zoals omschreven en niet-doorgestreept in de bij antwoordakte overgelegde producties 1 en 2. Uit de bedoelde producties, naar welke [appellant] voor zijn verduidelijkte stelling mede verwijst, is af te leiden dat met de gestelde verkoop en aflevering een koopprijs van in totaal € 3.300,-- is gemoeid.

3. [appellant] heeft zich in eerste aanleg op het standpunt gesteld, welk standpunt hij in hoger beroep heeft gehandhaafd, dat het bij de litigieuze transactie met [geïntimeerde] gaat om een consignatie van de litigieuze fietsen teneinde deze ten behoeve van [geïntimeerde] aan derden te verkopen, voor welke werkzaamheden [geïntimeerde] provisie verschuldigd zou zijn. In hoger beroep heeft [appellant] bij memorie van grieven dit standpunt in die zin aangevuld dat hij thans stelt dat hij bij het aangaan van de litigieuze transactie niet voor zich in privé, maar namens zijn zoon [A] heeft gehandeld. Bij de akte houdende uitlating producties heeft hij zijn hiervoor omschreven, aangevulde standpunt gehandhaafd. [geïntimeerde] heeft deze aanvulling gemotiveerd betwist. Dat het bij de litigieuze transactie om bedoelde fietsen gaat, is door [appellant] erkend, althans niet voldoende gemotiveerd betwist, zodat het hof daarvan ook zal uitgaan.

Met betrekking tot de grieven

4. De grieven leggen het geschil in volle omvang ter beoordeling aan het hof voor. Zij zullen daarom gezamenlijk worden behandeld.

5. In hoger beroep spitst het geschil tussen partijen zich in eerste plaats toe op de vraag of [appellant] bij het aangaan van de litigieuze transactie namens zijn zoon [A] heeft gehandeld.

6. Voorop gesteld moet worden dat een natuurlijk persoon naar het oordeel van het hof in beginsel geacht moet worden een rechtshandeling voor zichzelf te verrichten. Dat is anders, indien hij de wederpartij kenbaar maakt namens een derde te handelen dan wel de wederpartij op grond van de omstandigheden begrijpt of moet begrijpen dat hij namens een derde handelt.

7. Het hof is van oordeel dat [appellant] zijn standpunt dat hij bij het aangaan van de litigieuze transactie niet voor zich in privé, maar namens zijn zoon [A] heeft gehandeld, onvoldoende heeft onderbouwd. De enkele omstandigheid dat [A] aan de litigieuze transacties voorafgaande, vergelijkbare transacties - naar uit de gedingstukken valt af te leiden - met [geïntimeerde] is aangegaan, acht het hof onvoldoende voor de naar het oordeel van het hof in het standpunt van [appellant] besloten liggende stelling dat [geïntimeerde] op grond van de omstandigheden heeft begrepen of heeft moeten begrijpen dat [appellant] namens zijn zoon [A] handelde, toen de litigieuze transactie werd aangegaan. [appellant] heeft overigens niet gesteld dat hij [geïntimeerde] kenbaar heeft gemaakt ter gelegenheid van het aangaan van de litigieuze transactie namens zijn zoon [A] te handelen. Gelet op het vorenstaande, moet het hof aan het bewijsaanbod van [appellant] voorbijgaan.

8. Aan het vorenstaande kan niet afdoen dat, zoals [geïntimeerde] heeft verklaard, [A] een achttal fietsen heeft opgehaald bij [appellant].

9. Het hof acht het verweer van [appellant] dat het bij de litigieuze transactie niet om een koopovereenkomst en een daarop gebaseerde levering gaat, maar om een opdracht tot verkoop tegen provisie ten behoeve van [geïntimeerde] en een daarop gebaseerde in consignatie geven, eveneens onvoldoende onderbouwd. In dit verband wordt erop gewezen dat [appellant] bijvoorbeeld niets heeft gesteld omtrent de hoogte van de provisie, die volgens hem zou zijn afgesproken. Het hof is daarom van oordeel dat ervan moet worden uitgegaan dat het bij de litigieuze transactie om een koopovereenkomst handelt, te meer daar, gelet op de frequentie van de koopovereenkomst in het handelsverkeer, deze aard van de litigieuze transactie meer voor de hand ligt dan de door [appellant] gestelde.

10. [appellant] heeft betoogd dat de kantonrechter de stellingen van [geïntimeerde] met betrekking tot de levering en de facturering ten onrechte voor waar heeft aangenomen. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] echter de hoogte van de vordering niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, nu hij volstaat met de opmerking dat hij nimmer een factuur heeft ontvangen.

11. De grieven falen derhalve.

De slotsom.

12. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd met veroordeling van [appellant] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep (1 procespunt, tarief I).

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van [geïntimeerde] tot aan deze uitspraak op € 254,- aan verschotten en € 632,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

verklaart deze kostenveroordeling tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. Verschuur, voorzitter, Streppel en Breemhaar, raden,

en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 16 maart 2010 in bijzijn van de griffier.