Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BL7449

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
16-03-2010
Datum publicatie
16-03-2010
Zaaknummer
200.037.573
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof gaat om. Draagkrachtverweer. Betrokkene verschijnt niet op zitting en onderbouwt zijn beroep op financieel onvermogen niet. Kantonrechter dient betrokkene ook in dat geval een nadere termijn te gunnen om zekerheid te stellen. Dat is i.c. niet gebeurd. Anders dan voorheen, vernietigt het hof de beslissing van de kantonrechter en wijst het de zaak terug.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 11
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 12
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2010, 39
JWR 2010/52
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.037.573

16 maart 2010

CJIB 109087215

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Roermond

van 30 maart 2009

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats],

voorheen verblijvende in de P.I. [adres PI].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Roermond genomen beslissing niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. In hoger beroep is niet bestreden dat de betrokkene niet binnen de in artikel 11, derde lid, WAHV gestelde termijn zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde administratieve sanctie en evenmin dat de betrokkene niet binnen een nader gestelde termijn dit verzuim heeft hersteld.

2. De betrokkene voert in hoger beroep aan dat hij vanwege zijn detentie, van 20 september 2005 tot 12 november 2009, financieel niet in staat is om zekerheid te stellen. Voorts voert de betrokkene aan dat hij graag op de zitting van de kantonrechter aanwezig was geweest, maar dat hij noch zijn advocaat van die zitting op de hoogte waren.

3. Ten aanzien van de stelling van de betrokkene dat hij financieel niet in staat is om zekerheid te stellen, overweegt het hof dat als uitgangspunt heeft te gelden dat een zekerheidstelling ingevolge de WAHV in het algemeen niet in de weg zal staan aan de toegang tot de rechter. Bij een zekerheidstelling van meer dan € 70,- dient op het voorgaande een uitzondering te worden gemaakt, indien de hoogte van het gevraagde bedrag aan zekerheid gelet op de financiële omstandigheden van de betrokkene een zodanige belemmering oplevert, dat toepassing van het stelsel van zekerheidstelling in het onderhavige geval zou neerkomen op een ontoelaatbare beperking van het in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gegarandeerde recht op toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie. In het onderhavige geval diende de betrokkene zekerheid te stellen tot een bedrag van € 75,-.

4. Uitgangspunt is dat, indien een betrokkene in de procedure bij de kantonrechter met redenen omkleed aanvoert dat hij niet (terstond) in staat is zekerheid te stellen tot het totale van hem verlangde bedrag, de kantonrechter, tenzij hij het daaromtrent aangevoerde reeds aanstonds aannemelijk acht, de betrokkene in de gelegenheid zal moeten stellen op een openbare zitting te worden gehoord omtrent zijn financiële draagkracht. Acht de kantonrechter het aangevoerde omtrent de financiële draagkracht gegrond, dan zal hij het bepaalde in artikel 11, derde lid, WAHV in zoverre buiten toepassing moeten laten als in overeenstemming is met de draagkracht van de betrokkene. Zonodig zal aan de betrokkene een nadere termijn moeten worden gegund waarbinnen hij alsnog de door de kantonrechter vastgestelde zekerheid kan stellen. Acht de kantonrechter het aangevoerde omtrent de financiële draagkracht ongegrond, dan dient de kantonrechter de betrokkene een nadere termijn te gunnen om alsnog het volledige bedrag van de zekerheidstelling te voldoen.

5.Uit de stukken van het geding is het volgende gebleken:

a. De betrokkene heeft in zijn beroepschrift aan de kantonrechter en in reactie op de zekerheidbrieven aangegeven dat hij is gedetineerd, dat zijn inkomen daardoor ongeveer € 9,- per week netto bedraagt en dat hij derhalve niet in staat is om zekerheid te stellen.

b. Bij schrijven van 29 augustus 2008 heeft de griffier van de rechtbank de betrokkene in de gelegenheid gesteld om zijn stelling dat hij niet in staat is zekerheid te stellen vóór 19 september 2008 nader te onderbouwen met de nodige bescheiden/stukken.

c. Zowel de betrokkene als zijn toenmalige gemachtigde mr. A.C.J. Lina zijn bij brieven van 29 oktober 2008 opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter van 11 december 2008.

d. In een fax-bericht van 11 december 2008 heeft mr. Lina aan de kantonrechter bericht dat de betrokkene niet in staat is ter zitting te verschijnen en verzocht, namens de betrokkene, om de behandeling van de zaak aan te houden.

e. Bij (tussen)beslissing van 24 december 2008 heeft de kantonrechter de behandeling van de zaak van de betrokkene aangehouden tot maandag 16 maart 2009 te 9.45 uur.

f. Bij fax-bericht van 12 maart 2009, heeft mr. Lina aan de kantonrechter bericht dat hij niet zal verschijnen op de zitting van 16 maart 2009, dat zijn cliënt is ontslagen uit detentie en dat hij hem heeft medegedeeld dat hij zelf een toelichting kan geven indien hij dat wenst.

g. Blijkens de beslissing waarvan beroep is de zaak van de betrokkene ter zitting van 16 maart 2009 behandeld en is de betrokkene niet ter zitting verschenen.

h. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet stellen van zekerheid. De kantonrechter heeft daartoe onder meer overwogen dat de betrokkene noch zijn gemachtigde ter zitting zijn verschenen voor het geven van een nadere toelichting dan wel het verstrekken van inlichtingen met betrekking tot de financiële positie van de betrokkene en/of de mogelijkheid tot het stellen van zekerheid, zodat niet is komen vast te staan dat de betrokkene niet in staat moet worden geacht de vereiste zekerheid te kunnen stellen.

6. Anders dan de betrokkene in hoger beroep betoogt, acht het hof het niet aannemelijk dat de betrokkene en zijn gemachtigde niet op de hoogte waren van de zitting van 16 maart 2009. Immers, uit de in rechtsoverweging 5 onder f genoemde fax van de gemachtigde van de betrokkene dient anders te worden afgeleid. Mocht de gemachtigde, ondanks de mededeling daarover in die brief, hebben nagelaten de betrokkene omtrent die zitting te informeren, is dat naar het oordeel van het hof een omstandigheid die voor rekening en risico van de betrokkene dient te blijven.

7. Het hof heeft tot heden, in de meerderheid van dergelijke gevallen, geoordeeld dat in een situatie als deze, waarin de betrokkene geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om zijn beroep op financieel onvermogen ter zitting te onderbouwen, moet worden aangenomen dat de betrokkene dit verweer tegen de zekerheidsstelling heeft prijsgegeven ofwel ten onrechte een beroep op financieel onvermogen heeft gedaan. Het hof komt thans terug op deze jurisprudentie. Bepalend daarvoor acht het hof, dat de stelling dat financiële draagkracht ontbreekt om zekerheid te kunnen stellen, moet worden beschouwd als een beroep op de kantonrechter om de verplichting tot zekerheidstelling op nihil dan wel op een lager bedrag te stellen. Het enkele feit dat dit beroep niet (nader) wordt onderbouwd, betekent niet dat dit beroep niet langer wordt gehandhaafd en dat de kantonrechter daarover niet meer hoeft te beslissen. In dit opzicht ziet het hof geen verschil met andere, in de beroepsprocedure bij de kantonrechter naar voren gebrachte, gronden van beroep.

Een en ander betekent, ook gezien hetgeen hierboven onder 4 is overwogen, dat de kantonrechter, die op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting van 16 maart 2009 tot het oordeel was gekomen dat niet is komen vast te staan dat de betrokkene niet in staat moet worden geacht de vereiste zekerheid te kunnen stellen, de betrokkene een nadere termijn had dienen te gunnen om alsnog het (ongewijzigde) bedrag aan zekerheid te kunnen voldoen.

8. Het hof zal daarom de bestreden beslissing vernietigen en ingevolge het bepaalde in artikel 20d , tweede lid, WAHV, de zaak terugwijzen naar de kantonrechter.

9. Niet gebleken is van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de bestreden beslissing en wijst de zaak terug naar de rechtbank Roermond ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Schuijlenburg, Beswerda en Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.