Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BL6366

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
02-03-2010
Datum publicatie
03-03-2010
Zaaknummer
24-002702-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van de - onder 1 - ten laste gelegde bijstandsfraude veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis. De tenlastelegging is - voor zover dat feit 2 betreft - onvoldoende feitelijk en derhalve nietig. De tenlastelegging bevat namelijk geen nadere omschrijving van het woord 'gebruikmaken'.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002702-07

Parketnummer eerste aanleg: 19-810140-05

Arrest van 2 maart 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Assen van 22 november 2006 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1969] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door haar raadsman mr. R. Bosma, advocaat te Assen.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Assen heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 240 uren, waarvan 60 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

1.

zij op een of meer tijdstippen, althans op enig tijdstip in of omstreeks de periode van 01 mei 2003 tot en met 28 februari 2005 te [plaats], gemeente [gemeente 1], in elk geval in Nederland, in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 65 van de Algemene Bijstandswet en/of artikel 17 lid 1 van de Wet Werk en Bijstand, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een Abw-uitkering en/of (vervolgens) een WWB-uitkering via de gemeente [gemeente 1], dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft zij, verdachte, opzettelijk in het geheel niet gemeld aan de afdeling Sociale Zaken van de gemeente [gemeente 1], dat zij in voormelde periode:

A) in dienstbetrekking werkzaam is geweest en/of als zelfstandige heeft gewerkt, althans werkzaamheden had verricht en/of inkomsten (loon en/of provisie) had genoten en/of

B) dat zij aandeel in een onderneming had, althans dat het vermogen was toegenomen en/of

C) dat zij een woning heeft gekocht en/of hypotheek is aangegaan en/of in hoofdzaak niet meer op het adres [adres] te [woonplaats] verbleef, althans dat de woonsituatie was gewijzigd,

zulks terwijl dat toen wel het geval was;

2.

zij op een of meer tijdstippen, althans op enig tijdstip in of omstreeks de periode van 01 juli 2004 tot en met 16 juli 2004, te [plaats], gemeente [gemeente 1] en/of in de gemeente [gemeente 2] en/of in de gemeente [gemeente 3], althans in Nederland, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals(e) of vervalst(e) Aanvraagformulier Hypotheek, waarin opgave werd gedaan van (persoonlijke en/of financiƫle en/of arbeidsbetrekkelijke) gegevens vanwege aanvraag en/of verstrekking van een hypotheek, zijnde genoemd Aanvraagformulier (en/of bijgevoegde loonafrekening) (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen als ware dat/die geschrift(en) echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat in dat Aanvraagformulier Hypotheek (en/of bijgevoegde loonafrekening) is verklaard, dat verdachte vanaf 01 mei 2003 een dienstbetrekking had voor onbepaalde tijd bij de onderneming [bedrijf] te [plaats 2], bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat verdachte in werkelijkheid geen dienstbetrekking en/of geen looninkomsten bij de onderneming [bedrijf] had gehad.

Geldigheid dagvaarding

Ter zake van het onder 2 ten laste gelegde overweegt het hof het volgende.

Het hof is van oordeel dat de tenlastelegging, voor zover dat feit 2 betreft, niet voldoet aan de in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering gestelde vereisten.

'Gebruik maken van een vervalst geschrift' - ex artikel 225 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht - veronderstelt dat de gebruiker dit aanwendt als middel tot misleiding van een derde, te weten degene jegens wie hij van het geschrift gebruik maakt en jegens wie hij zich dus gedraagt alsof dat geschrift echt en onvervalst is.

In de tenlastelegging echter is het 'gebruikmaken' louter uitgewerkt door het zinsdeel "bestaande dat gebruikmaken hierin dat in dat Aanvraagformulier Hypotheek (en/of bijgevoegde loonafrekening) is verklaard, dat verdachte vanaf 01 mei 2003 een dienstbetrekking had voor onbepaalde tijd bij de onderneming [bedrijf] te [plaats 2]". De tenlastelegging bevat aldus geen nadere omschrijving van het woord 'gebruikmaken', maar slechts een nadere feitelijke invulling van het bestanddeel 'valselijk opmaken'. De tenlastelegging is in zoverre onvoldoende feitelijk nu onder 'gebruikmaken' tal van feitelijke gedragingen van uiteenlopend karakter kunnen worden gebracht. Om die reden zal het hof de dagvaarding, voor zover die betrekking heeft op feit 2, nietig verklaren.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

1.

zij in de periode van 1 januari 2004 tot en met 28 februari 2005 te [plaats], gemeente [gemeente 1], in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 65 van de Algemene Bijstandswet en artikel 17 lid 1 van de Wet Werk en Bijstand, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf, terwijl verdachte wist, dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een Abw-uitkering en (vervolgens) een WWB-uitkering via de gemeente [gemeente 1], dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft zij, verdachte, opzettelijk in het geheel niet gemeld aan de afdeling Sociale Zaken van de gemeente [gemeente 1], dat zij in voormelde periode:

A) als zelfstandige heeft gewerkt, en

B) dat zij aandeel in een onderneming had, en

C) dat zij een woning heeft gekocht en hypotheek is aangegaan,

zulks terwijl dat toen wel het geval was.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

onder 1:

in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf, terwijl zij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van haar recht op een verstrekking of tegemoetkoming dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte ontving sinds oktober 1996 een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (sinds 1 januari 2004 de Wet werk en bijstand (Wwb)). In de periode van 1 januari 2004 tot en met 28 februari 2005 heeft verdachte nagelaten aan de afdeling Sociale Zaken van de gemeente [gemeente 1] mee te delen dat zij als zelfstandige heeft gewerkt, dat zij aandeel in een onderneming had en dat zij een woning heeft gekocht en een hypotheek heeft afgesloten.

Door aldus de gemeente relevante gegevens te onthouden, heeft verdachte de gemeente de mogelijkheid ontnomen om volledig inzicht te krijgen in de feiten en omstandigheden die van belang zijn voor de beoordeling van (de hoogte van) de aanspraak van verdachte op een uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet respectievelijk de Wet Werk en Bijstand. Verdachte heeft door haar handelen misbruik gemaakt van het sociale zekerheidsstelsel.

Uit het verdachte betreffende Uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 27 november 2009 blijkt, dat verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld.

Gelet op het voorgaande en rekening houdend met het lange tijdsverloop sedert het plegen van het feit, zal het hof een werkstraf opleggen voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c, 22d en 227b van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart de inleidende dagvaarding, voor zover die betrekking heeft op feit 2, nietig;

verklaart het verdachte onder 1 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van honderdtachtig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van negentig dagen zal worden toegepast.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H.M.E. Lam?ris-Tebbenhoff Rijnenberg, voorzitter, mr. J. Hielkema en mr. M. Lolkema, in tegenwoordigheid van A.L.H. Wilkens als griffier, zijnde mr. M. Lolkema buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.