Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BL6294

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
02-03-2010
Datum publicatie
03-03-2010
Zaaknummer
24-002203-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Minderjarige verdachte heeft zich in een kort tijdsbestek meerdere keren schuldig gemaakt aan het onzedelijk betasten van erg jonge meisjes. Voor verdachte waren de jonge meisjes telkens willekeurige slachtoffers. Hij benaderde hen terwijl ze buiten aan het spelen waren.

Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan schennis van de eerbaarheid door zijn geslachtsdeel in het openbaar te tonen ten overstaan van twee jongen meisjes.

Verdachte is verminderd toerekeningsvatbaar.

Aan verdachte wordt de PIJ-maatregel opgelegd, omdat deze maatregel betere waarborgen biedt voor een ongestoorde, vermoedelijk langer durende behandeling dan behandeling in een civielrechtelijk kader. Daarbij is tevens acht geslagen op de huidige leeftijd van verdachte (thans 17 jaar).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002203-09

Parketnummer eerste aanleg: 17-682024-09

Arrest van 2 maart 2010 van het gerechtshof Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 25 augustus 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1993] te [geboorteplaats],

thans verblijvende in Justiti?le Jeugdinrichting De Hunnerberg te Nijmegen,

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. G.J.P.M. Grijmans, advocaat te Bolsward.

Het vonnis waartegen het beroep is gericht

De rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een maatregel, zoals in dat vonnis is omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

1.

hij op of omstreeks 12 april 2009 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 1] (geboren op [1998]) heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het betasten van de vagina van die [slachtoffer 1] en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit het plotseling en/of onverhoeds voelen aan/betasten van de vagina van die [slachtoffer 1] en/of het optillen en/of bij de arm(en) vastpakken en/of het tegen de muur drukken en/of het (neerwaarts) aan de broek trekken van die [slachtoffer 1] en/of het lichamelijk en/of psychisch overwicht van verdachte op die [slachtoffer 1];

subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

hij op of omstreeks 12 april 2009 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], met [slachtoffer 1] (geboren op [1998]), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het betasten van de vagina van die [slachtoffer 1];

2. a.

hij op of omstreeks 16 april 2009 te [plaats], door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 2] (geboren op [2000]) heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het betasten van de vagina van die [slachtoffer 2] en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit het plotseling en/of onverhoeds voelen aan/betasten van de vagina van die [slachtoffer 2] en/of het vastpakken en/of op de grond neerleggen van die [slachtoffer 2] en/of het (neerwaarts) aan de broek trekken van die [slachtoffer 2] en/of het lichamelijk en/of psychisch overwicht van verdachte op die [slachtoffer 2];

subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

hij op of omstreeks 16 april 2009 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 2] (geboren op [2000]) te dwingen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), die [slachtoffer 2] (neerwaarts) aan de broek heeft getrokken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

hij op of omstreeks 16 april 2009 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], met [slachtoffer 2] (geboren op [2000]), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het betasten van de vagina van die [slachtoffer 2];

2. b.

hij op of omstreeks 16 april 2009 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente] zich opzettelijk oneerbaar op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten de [straat], met ontbloot geslachtsdeel heeft bevonden;

3.

hij op of omstreeks 16 april 2009 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 3] (geboren op [1997]) en/of [slachtoffer 4] (geboren op [1998]) heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het betasten van de vagina van die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of het betasten van en/of wrijven over de borst van die [slachtoffer 3] en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit het plotseling en/of onverhoeds (onder de rok) betasten van/voelen aan de vagina van die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of het plotseling en/of onverhoeds betasten van/voelen aan/wrijven over de borst van die [slachtoffer 3] en/of het (bij de arm) vastpakken van en/of het vastpakken van, dan wel (neerwaarts) aan de rok trekken van die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of het lichamelijk en/of psychisch overwicht van verdachte op die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4];

subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

hij op of omstreeks 16 april 2009 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], met [slachtoffer 3] (geboren op [1997]) en/of [slachtoffer 4] (geboren op [1998]), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had(den) bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het betasten van de vagina en/of het vastpakken van, dan wel het (neerwaarts) trekken (van/) aan de rok van die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of het betasten van en/of wrijven over de borst van die [slachtoffer 3];

4.

hij op of omstreeks 17 april 2009 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 5] (geboren op [1998]) heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het betasten van de vagina van die [slachtoffer 5] en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit het vastpakken en/of op de grond neerleggen van die [slachtoffer 5] en/of het drukken van een hand op de mond van die [slachtoffer 5] en/of het lichamelijk en/of psychisch overwicht van verdachte op die [slachtoffer 5];

subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

hij op of omstreeks 17 april 2009 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 5] (geboren op [1998]) te dwingen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), die [slachtoffer 5] heeft vastgepakt en/of op de grond heeft neergelegd en/of zijn, verdachtes, hand op de mond van die [slachtoffer 5] heeft gedrukt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

hij op of omstreeks 17 april 2009 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], met [slachtoffer 5] (geboren op [1998]), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het betasten van de vagina van die [slachtoffer 5];

5.

hij op of omstreeks 28 maart 2009 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 6] (geboren op [2004]) heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het betasten en/of kussen van de (blote) vagina en/of billen en/of het kussen van de wang/het gezicht van die [slachtoffer 6] en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit het (met het geven en/of vinden van geld in het vooruitzicht) meelokken van die [slachtoffer 6] naar een afgezonderde plek en/of (aldaar) het naar beneden trekken van de broek en/of onderbroek van die [slachtoffer 6] en/of het lichamelijk en/of psychisch overwicht van verdachte op die [slachtoffer 6];

subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

hij op of omstreeks 28 maart 2009 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], met [slachtoffer 6] (geboren op [2004]), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het betasten en/of kussen van de (blote) vagina en/of billen van die [slachtoffer 6] en/of het kussen van de wang/het gezicht van die [slachtoffer 6].

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2a primair, 2b,

3 primair, 4 primair en 5 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1 primair

hij op 12 april 2009 te [plaats], door andere feitelijkheden dan geweld [slachtoffer 1] (geboren op [1998]) heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, bestaande uit het betasten van de vagina van die [slachtoffer 1] en bestaande die andere feitelijkheden uit het plotseling en onverhoeds betasten van de vagina van die [slachtoffer 1] en het optillen en bij de armen vastpakken en het neerwaarts aan de broek trekken van die [slachtoffer 1];

2a primair

hij op 16 april 2009 te [plaats], door andere feitelijkheden dan geweld [slachtoffer 2] (geboren op [2000]) heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, bestaande uit het betasten van de vagina van die [slachtoffer 2] en bestaande die andere feitelijkheden uit het plotseling en onverhoeds betasten van de vagina van die [slachtoffer 2] en het vastpakken en op de grond neerleggen van die [slachtoffer 2] en het neerwaarts aan de broek trekken van die [slachtoffer 2];

2b

hij op 16 april 2009 te [plaats], zich opzettelijk oneerbaar op een plaats voor het openbaar verkeer bestemd, te weten de [straat], met ontbloot geslachtsdeel heeft bevonden;

3 primair

hij op 16 april 2009 te [plaats], door andere feitelijkheden dan geweld [slachtoffer 4] (geboren op [1998]) heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, bestaande uit het betasten van de vagina van die [slachtoffer 4] en bestaande die andere feitelijkheden uit het plotseling en onverhoeds onder de rok betasten van de vagina van die [slachtoffer 4] en het neerwaarts aan de rok trekken van die [slachtoffer 4];

4 primair

hij op 17 april 2009 te [plaats], door andere feitelijkheden dan geweld [slachtoffer 5] (geboren op [1998]) heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, bestaande uit het betasten van de vagina van die [slachtoffer 5] en bestaande die andere feitelijkheden uit het vastpakken en op de grond neerleggen van die [slachtoffer 5] en het drukken van een hand op de mond van die [slachtoffer 5];

5 primair

hij op 28 maart 2009 te [plaats], in de gemeente [gemeente], door andere feitelijkheden dan geweld [slachtoffer 6] (geboren op [2004]) heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, bestaande uit het betasten van de blote vagina en billen van die [slachtoffer 6] en bestaande die andere feitelijkheden uit het, met het geven van geld in het vooruitzicht, meelokken van die [slachtoffer 6] naar een afgezonderde plek en aldaar het naar beneden trekken van de broek en onderbroek van die [slachtoffer 6].

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 primair,

2a primair, 2b, 3 primair, 4 primair en 5 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

1, 2a, 3, 4 en 5, telkens primair

telkens feitelijke aanranding van de eerbaarheid;

2b

schennis van de eerbaarheid op of aan een plaats voor het openbaar verkeer bestemd.

Strafbaarheid

Omtrent verdachte is door H.K. Meijer, GZ-psycholoog, op 23 juli 2009 een rapport uitgebracht. Dit rapport houdt als conclusie in dat bij verdachte ten tijde van het ten laste gelegde een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens bestond. Bij verdachte is volgens Meijer sprake van een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling in de zin van een licht verstandelijke beperking en een aanpassingsstoornis met gemengde stoornis van emotie en gedrag, ontstaan na het plotselinge overlijden van zijn vader.

Ten aanzien van de feiten en de omstandigheden waarin verdachte zich op het moment van het plegen van het ten laste gelegde bevond kan, aldus Meijer, verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd. Verdachte volgde star en rigide zijn impulsen die verklaarbaar zijn vanuit zijn gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis.

Daarnaast is door A.A.C.M. Lenssen, kinder- en jeugdpsychiater, op 26 juli 2009 omtrent verdachte een rapport uitgebracht. Dit rapport houdt als conclusie in, dat bij verdachte ten tijde van het ten laste gelegde sprake was van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. Bij verdachte is volgens Lenssen sprake van een gebrekkige ontwikkeling in de zin van een licht verstandelijke beperking. Tevens is sprake van een aanpassingsstoornis met gemengde stoornis van emoties en gedrag, chronisch, met angst. Er is voorts een achterstand in de sociaal-emotionele ontwikkeling van enkele jaren, welke gerelateerd lijkt te zijn aan een zwak stimulerend thuismilieu en verdachtes zwakke cognitieve vermogens.

Ten aanzien van de feiten en de omstandigheden waarin hij zich op het moment van het plegen van het ten laste gelegde bevond kan, aldus Lenssen, verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd.

Het hof verenigt zich met de voormelde conclusies en maakt die tot de zijne, in zoverre dat het hof vaststelt dat verdachte ten tijde van het plegen van de bewezen verklaarde feiten leed aan een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, waardoor de bewezenverklaarde feiten hem in verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Het hof acht verdachte overigens strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Motivering van de op te leggen maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen

Het hof heeft de in hoger beroep op te leggen maatregel bepaald op grond van de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich in een kort tijdbestek in [plaats] meerdere keren schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met verschillende (erg) jonge meisjes.

Voor verdachte waren de jonge meisjes telkens willekeurige slachtoffers. Hij benaderde hen terwijl ze buiten aan het spelen waren.

Verdachte heeft de belangen van de slachtoffers volledig veronachtzaamd en heeft door aldus te handelen een ernstige inbreuk gepleegd op hun lichamelijke integriteit, hetgeen in het algemeen als zeer ingrijpend wordt ervaren en nadelige psychische gevolgen van mogelijk lange duur met zich kan brengen. Daarnaast heeft verdachtes handelen tot onrust geleid in de omgeving / buurt waar de gebeurtenissen plaatsvonden.

Voorts heeft verdachte op 16 april 2009 in seksueel opzicht grensoverschrijdend gedrag vertoond door zijn geslachtsdeel in het openbaar te tonen ten overstaan van twee jonge meisjes. Door het plegen van dit feit heeft verdachte niet alleen de eerbaarheid geschonden, maar heeft hij ook onder de gegeven omstandigheden voor die meisjes een voor het normaal ontwikkeld schaamtegevoel kwetsende handeling verricht.

Het gedrag van verdachte tot uitdrukking komend in de bewezen verklaarde feiten onder 1 tot en met 4, is zorgwekkend. Die zorgwekkendheid neemt toe bezien in het licht van het bewezen verklaarde feit 5. Het meelokken van een klein meisje naar een afgelegen / stille plaats door haar geld toe te zeggen en haar vervolgens deels te ontkleden en te betasten, is daarnaast erg verontrustend.

Uit het onderzoek ter zitting van het hof is verder gebleken dat verdachte zich nog aan een ander strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Dit ad informandum gevoegde strafbare feit, dat ter terechtzitting van het hof door de verdachte is erkend als door hem te zijn begaan, zal het hof betrekken in de afdoening van deze zaak.

Het hof heeft gelet op het verdachte betreffende uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 30 november 2009, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.

Door de rechtbank is in eerste aanleg aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel) opgelegd. In hoger beroep heeft de advocaat-generaal eveneens oplegging van deze maatregel gevorderd.

De raadsman heeft zich in zijn pleidooi verzet tegen de oplegging van de PIJ-maatregel, nu de PIJ-maatregel als ultimum remedium dient te gelden en verdachte ook - als zijnde een minder vergaande maatregel - in het kader van een bijzondere voorwaarde behandeld kan worden in een gesloten / besloten inrichting en eventueel ook in het kader van een civielrechtelijk traject behandeling kan ondergaan.

Het hof overweegt hieromtrent het navolgende.

In de hiervoor aangehaalde rapportage van H.K. Meijer, GZ-psycholoog, wordt onder meer nog het navolgende gesteld - zakelijk weergegeven -:

[verdachte] verhoogde impulsiviteit en beperkte zelfcontrole, zijn beperkte invoeling en sociaal begrijpen, deels gerelateerd aan een grote achterstand in sociaal emotioneel opzicht, vergroot de kans op recidive wanneer geen behandeling zal plaatsvinden.

Gezien het dwangmatig karakter van de handelingen kan gesproken worden van een herhalend dwangmatig stereotype aandoend patroon bij [verdachte]. Hij reageerde zoals het in zijn hoofd opkwam, impulsief, zelfgericht, ook al zei een stem in zijn hoofd dat hij niet aan meisjes mag komen.

In dit licht bezien is het nodig dat [verdachte] een verplichte behandeling gaat volgen in een residentieel kader. Naast het leren onder controle houden van dergelijke seksueel afwijkende gedragingen, zal [verdachte] adequatere copingskills kunnen leren ontwikkelen met betrekking tot het voorkomen van recidive. Hij moet leren greep te krijgen op zijn onaangepaste gedragingen. Ook het delictscenario vormt dan het uitgangspunt.

De overkoepelende stichting 's Heerenloo heeft behandelsettings die ingesteld zijn op Licht Verstandelijk Gehandicapten en zedenproblematiek, zoals in Groot Emaus. Er wordt geadviseerd [verdachte] een ('besloten') behandeling op te leggen binnen deze genoemde setting als bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijke straf.

In de hiervoor reeds aangehaalde rapportage van A.A.C.M. Lenssen, kinder- en jeugdpsychiater, wordt onder meer nog het navolgende gesteld

- zakelijk weergegeven -:

Betrokkenes impulsiviteit en zijn gebrek aan invoelend vermogen zijn van belang voor de kans op recidive. Tevens is van belang zijn achterstand van enkele jaren in de sociaal-emotionele ontwikkeling, met belangrijke onderhoudende factor het niet goed verwerkt hebben van het overlijden van vader en de hechtingsproblematiek. Het thuismilieu is zwak.

Betrokkene is eerder tot grensoverschrijdend seksueel gedrag bij een jaren jonger buurmeisje van zijn zus gekomen. Hij is hierop aangesproken door zijn moeder, echter dit heeft hem niet weerhouden om tot het huidige ten laste gelegde te komen. Dit is een belangrijke factor met betrekking tot het recidiverisico.

Verschillende al langer durende gezinssystemische, pedagogische en individuele interventies lijken niet te beklijven en hebben niet kunnen voorkomen, dat betrokkene tot het huidige hem ten laste gelegde is gekomen.

Het lijkt thans wenselijk om betrokkene vanuit een andere setting dan de thuissituatie een behandeling aan te bieden.

Betrokkene zou met zijn problematiek passen in een besloten groep voor jeugdigen met een Licht Verstandelijke Beperking, bij wie tevens zedenproblematiek speelt, in een instelling als Groot Emaus. Hier zou, aangepast op zijn cognitieve niveau, gewerkt kunnen worden aan meerdere facetten van zijn problematiek. Binnen de bescherming van de beslotenheid zou gerichte aandacht kunnen worden besteed aan zijn seksualiteit.

Daarnaast vormen aandachtspunten zijn gewetensontwikkeling, zijn impulsiviteit, alsook zijn sterke band met moeder en de autonomieverwerving.

Qua strafrechtelijke afdoening wordt gedacht aan een voorwaardelijke detentiestraf met als bijzondere voorwaarde dat betrokkene zich houdt aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering, ook indien dit een behandeling als bovengenoemd inhoudt.

Naast de rapportages van Meijer en Lenssen, heeft de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 5 september ( het hof leest: "augustus") 2009 een rapport uitgebracht, opgesteld door raadsonderzoeker M. Boonstra. De Raad concludeert in zijn rapport - zakelijk weergegeven -:

[verdachte] heeft een licht verstandelijke beperking. Daarnaast heeft hij een achterstand van enkele jaren in de sociaal-emotionele ontwikkeling, welke gerelateerd lijkt te zijn aan zijn cognitieve beperking en een zwak stimulerend thuismilieu. Er is bij [verdachte] sprake van een vroege affectieve verwaarlozing en een aanpassingsstoornis met gemengde stoornis van emoties en gedrag, chronisch, met angst.

De kans op recidive wordt hoog ingeschat als [verdachte] niet wordt behandeld. Impulsiviteit en zijn gebrek aan invoelend vermogen zijn bij [verdachte] van belang voor de kans op recidive. Tevens is er bij [verdachte] sprake van een achterstand van enkele jaren in de sociaal-emotionele ontwikkeling, met belangrijke onderhoudende factor, het niet verwerkt hebben van het overlijden van vader en de hechtingsproblematiek. Het thuismilieu is zwak.

Het is duidelijk dat [verdachte] meer gebaat is bij hulpverlening dan bij straf. Intensieve residenti?le orthopedagogische behandeling is noodzakelijk om het dwangmatig patroon dat in de seksuele ontwikkeling van [verdachte] is ontstaan, te doorbreken en om recidive te voorkomen. De Raad is van mening dat langdurige behandeling in een gesloten setting, afgestemd op de doelgroep van Licht Verstandelijk Gehandicapten, geïndiceerd is.

De Raad vraagt zich af of - zoals door Meijer en Lenssen geadviseerd - hulpverlening moet plaatsvinden in het kader van een voorwaardelijke jeugddetentie, met als bijzondere voorwaarde de maatregel Hulp en Steun. De Raad vraagt zich af of dit kader toereikend is gezien de verwachte behandelduur, de noodzaak van gesloten (of besloten) behandeling en het grote recidiverisico. Weliswaar is de gewenste behandeling in het kader van gesloten jeugdzorg beschikbaar, maar het vergt veel van [verdachte] en zijn moeder om langdurig in te stemmen met het ge?ndiceerde traject. Deze druk en verantwoordelijkheid dienen niet bij moeder te worden neergelegd, ondanks dat moeder open staat voor hulpverlening. Daarnaast is de maatregel Hulp en Steun doorgaans bedoeld voor ambulante begeleiding en niet voor het indiceren en coördineren van langdurig gesloten trajecten. Het indicatiebesluit en de Machtiging Gesloten Jeugdzorg moeten bovendien nog worden aangevraagd, waarmee er onzekerheid bestaat over de haalbaarheid van dit traject. De Raad is derhalve van mening dat een PIJ-maatregel opgelegd moet worden.

Ter zitting van het hof heeft een medewerker van de Raad voor de Kinderbescherming, GZ-psycholoog H.L. Meijer, een nadere toelichting gegeven op het advies van de Raad tot oplegging van een PIJ-maatregel. Zij heeft ter zitting meegedeeld - zakelijk weergegeven -:

De Raad is van mening dat behandeling in een gesloten / besloten setting in het kader van een bijzondere voorwaarde aan [verdachte] niet de garanties en continuïteit biedt die een langdurige behandeling in het kader van de PIJ-maatregel wèl kan bieden.

Gelet op de problematiek die bij [verdachte] speelt, alsmede gelet op het recidiverisico en zijn thuissituatie, is de Raad op dit moment van mening dat het voor de ontwikkeling van [verdachte] nodig is dat een PIJ-maatregel opgelegd wordt. Ook bezien in het licht van de leeftijd van [verdachte] is behandeling in het kader van een bijzondere voorwaarde niet gewenst. Wanneer hij achttien jaar wordt kan de behandeling alleen nog maar voortgang vinden op vrijwillige basis. De Raad schat in dat het voor moeder moeilijk zal zijn om op dat moment langdurig in te stemmen met het geïndiceerde traject. Hoewel moeder openstaat voor behandeling, is de Raad van mening dat dit niet van haar verwacht mag worden.

De behandeling die [verdachte] zou moeten ondergaan in het kader van zijn specifieke problematiek wordt niet (meer) aangeboden in de Hunnerberg te Nijmegen, waar [verdachte] op dit moment verblijft. [verdachte] zal voor behandeling - ongeacht in welk kader de behandeling opgelegd wordt - moeten worden overgeplaatst. Op dit moment is er plaats in Rentray, locatie Rekken. Rekken is een geschikte locatie voor [verdachte] vanwege de bestaande expertise op het gebied van zedenproblematiek en de aansluiting van de behandeling aldaar bij zijn verstandelijke niveau.

Ter zitting van het hof heeft de moeder van verdachte aangegeven dat haar zoon behandeling nodig heeft. Moeder maakt echter bezwaar tegen de oplegging van een PIJ-maatregel.

Het hof stelt vast dat zowel psycholoog Meijer, psychiater Lenssen, De Raad voor de Kinderbescherming, de raadsman van verdachte, de moeder van verdachte als verdachte zelf, van mening zijn dat verdachte behandeld dient te worden. Er bestaat alleen verdeeldheid over de vraag in welk kader de behandeling zou moeten plaatsvinden.

Gelet op de aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten, de door de deskundigen vastgestelde ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, het gevaar voor herhaling en het belang van de continu?teit van behandeling in relatie tot de leeftijd van [verdachte] en de te verwachten behandelduur, zal het hof aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen opleggen.

Het hof is zich terdege bewust van het feit dat oplegging van een dergelijke maatregel zeer ingrijpend is voor zowel verdachte als zijn moeder / familie.

Alvorens tot deze beslissing te komen heeft het hof dan ook een zorgvuldige afweging gemaakt tussen beide voorliggende opties: behandeling in een gesloten / besloten setting in het kader van een aan een voorwaardelijke straf te verbinden bijzondere voorwaarde of behandeling in het kader van een PIJ-maatregel.

Overeenkomstig hetgeen door de advocaat-generaal alsmede door de Raad voor de Kinderbescherming naar voren is gebracht, is het hof van oordeel dat de PIJ-maatregel betere waarborgen biedt voor de continu?teit en het welslagen van een voor verdachte door alle deskundigen noodzakelijk geachte behandeling. Het hof heeft daarbij gelet op de vermoedelijk langere duur van de behandeling, alsmede op het feit dat behandeling op basis van een bijzondere voorwaarde bij het bereiken van de leeftijd van achttien jaar door verdachte, een zekere samenwerking met de moeder vergt. Hoewel het hof heeft kunnen vaststellen dat de moeder van verdachte sterk betrokken is bij het welzijn van haar kind, is het hof met de Raad voor de Kinderbescherming van oordeel, dat van moeder niet gevergd kan worden om langdurig in te stemmen met een voor alle betrokkenen ingrijpend behandeltraject. Mede in aanmerking genomen de ernst van de problematiek van verdachte en het recidiverisico, is het hof van oordeel dat oplegging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte, terwijl de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van die maatregel eist.

Door de raadsman van verdachte is aangevoerd dat aan verdachte geen PIJ-maatregel opgelegd kan worden nu de adviezen van de gedragsdeskundigen Meijer en Lenssen niet strekken tot oplegging van deze maatregel. Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Artikel 77s, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht, stelt voor de oplegging van een PIJ-maatregel onder meer als voorwaarde dat omtrent de verdachte door minimaal twee deskundigen van verschillende disciplines gerapporteerd moet zijn. Voor de oplegging van een PIJ-maatregel is echter niet vereist dat het advies van de gedragsdeskundigen ook tot oplegging van deze maatregel moet strekken. Het verweer vindt derhalve geen steun in het recht en wordt mitsdien verworpen.

Het hof komt, gelet op het vorenoverwogene, tot het oordeel dat aan de in artikel 77s van het Wetboek van Strafrecht gestelde criteria voor oplegging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is voldaan, nu het om misdrijven gaat, waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen de oplegging van de maatregel eist en de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van de verdachte.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 77a, 77g, 77s, 77gg, 239 en 246 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1 primair, 2a primair, 2b, 3 primair, 4 primair en 5 primair ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 primair, 2a primair, 2b, 3 primair, 4 primair en 5 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

legt aan verdachte [verdachte] op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, voor de duur van twee jaren.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H.J. Deuring, voorzitter, mr. W.M. van Schuijlenburg en mr. H. Heins, in tegenwoordigheid van mr. L.W. van Campen als griffier. Mr. Deuring en mr. Heins zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.