Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BL6101

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
05-01-2010
Datum publicatie
02-03-2010
Zaaknummer
200.024.844
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betrokkene verzoekt om toezending van stukken. Taak van de officier van justitie (OvJ) in WAHV-zaken. Reactie Ovj afhankelijk van de door de betrokkene aangevoerde argumenten voor het verkrijgen van nadere informatie. Beslissing OvJ doorstaat in dit geval de toets van 6:22 Awb. Sanctie ter zake van snelheidsoverschrijding terecht opgelegd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:22, geldigheid: 2010-01-05
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 5, geldigheid: 2010-01-05
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 200.024.844

5 januari 2010

CJIB 09116361132

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam

van 9 december 2008

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), gevestigd te [vestigingsplaats],

voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde], wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam genomen beslissing ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 153,- opgelegd ter zake van “overschrijding maximum snelheid binnen bebouwde kom, met 28 km/h”, welke gedraging zou zijn verricht op 29 februari 2008 om 08.42 uur op de Spaklerweg te Duivendrecht met het voertuig met het kenteken [00-AB-AB].

2. De gemachtigde van de betrokkene, kennelijk de bestuurder van het voertuig ten tijde van de gedraging, ontkent in hoger beroep niet dat de gedraging is verricht. Hij voert aan dat de officier van justitie hem in strijd met een wettelijke regeling of jurisprudentie niet binnen een termijn van zes weken het gevraagde ijkrapport, de eventuele foto en andere relevante informatie heeft toegezonden. Hij heeft pas na het verstrijken van de termijn de gevraagde informatie ontvangen.

3. Uit de gedingstukken blijkt het volgende.

Bij brief van 12 mei 2008 heeft de gemachtigde van de betrokkene beroep ingesteld tegen de inleidende beschikking. Hij voert in die brief aan zich niet te kunnen herinneren op de in de beschikking vermelde locatie de snelheidslimiet zo ver te hebben overschreden. Hij rijdt al veertig jaar auto en een dergelijke snelheidsoverschrijding is hem niet eerder overkomen. Mogelijk verkeerde hij in de veronderstelling daar 70 km per uur te mogen rijden. Behalve het voetbalstadion ontbreekt elke bebouwing langs die weg.

Bij brief van 2 juni 2008 heeft de gemachtigde van de betrokkene verzocht om toezending van "het ijkrapport, de eventuele foto en alle informatie over de meetapparatuur en overtreding."

De officier van justitie heeft bij beslissing met verzenddatum 18 juni 2008 het beroep ongegrond verklaard.

Bij brief van 25 juli 2008 heeft de gemachtigde van de betrokkene beroep ingesteld tegen voormelde beslissing van de officier van justitie.

Bij brief van 20 oktober 2008 heeft de officier van justitie een kopie van het zaakoverzicht en de foto van de gedraging toegezonden aan de gemachtigde van de betrokkene.

4. Uitgangspunt in WAHV-zaken is dat de inleidende beschikking ten aanzien van het kenteken van het voertuig, de aard, plaats en tijd van de gedraging voldoende gegevens bevat om de gedraging waarop de beschikking betrekking heeft te individualiseren (vergelijk onder meer Hof Leeuwarden 26 januari 2005, LJN AS8373, gepubliceerd op rechtspraak.nl). Dat brengt mee dat van (de gemachtigde van) een betrokkene mag worden verwacht dat deze op basis van de inleidende beschikking in staat is de bezwaren tegen die beschikking te formuleren. Indien deze niettemin nadere informatie verlangt om de gronden van het reeds ingestelde beroep te kunnen formuleren, kan hij zich, zo is bij de inleidende beschikking aangegeven, met een verzoek om informatie wenden tot het politie-onderdeel dat de sanctie heeft opgelegd.

5. Dat neemt niet weg dat de officier van justitie op een verzoek om toezending van informatie dient te reageren (vergelijk Hof Leeuwarden 26 maart 2003, WAHV 02/01144, LJN AF7658, gepubliceerd op rechtspraak.nl). Dit hangt samen met de taak die de officier van justitie in procedures als deze heeft, namelijk het beslissen op het ingestelde administratieve beroep en het daarmee samenhangend ambtshalve beoordelen van de aangevochten beslissing. Deze taak brengt mee dat de officier van justitie de indiener van het beroepschrift adequaat informeert, indien nodig de gelegenheid biedt om met nadere informatie zijn standpunt te onderbouwen en voorts beschikt over de nodige informatie om de ingebrachte bezwaren te kunnen beoordelen.

6. Reageren kan, in verband hiermee, op verschillende manieren gebeuren, afhankelijk van de door de (gemachtigde van de) betrokkene aangevoerde argumenten voor het verkrijgen van nadere informatie.

7. Indien de naar voren gebrachte argumenten voor het verkrijgen van nadere informatie niet meebrengen dat redelijkerwijs twijfel kan bestaan aan de juistheid van de inleidende beschikking kan de officier van justitie, ter informatie aan de (gemachtigde van de) betrokkene volstaan met verwijzing naar de in de inleidende beschikking opgenomen mogelijkheid tot het verkrijgen van (nadere) informatie. Deze verwijzing behoeft niet te worden gedaan voorafgaand aan het nemen van de beslissing op het beroep maar kan ook (uiterlijk) in die beslissing worden opgenomen, zodat de (gemachtigde van de) betrokkene in de gelegenheid is dit te betrekken bij de vraag of hij beroep bij de kantonrechter wenst in te stellen.

8. Indien de naar voren gebrachte argumenten voor het verkrijgen van nadere informatie meebrengen dat redelijkerwijs twijfel zou kunnen bestaan over de juistheid van de inleidende beschikking mag de officier van justitie niet op het beroep beslissen zonder dat aan de (gemachtigde van de) betrokkene de mogelijkheid is geboden om zijn argumenten met de door deze op te vragen nadere informatie te onderbouwen. In zodanig geval dient de officier van justitie de (gemachtigde van de) betrokkene voor het verkrijgen van de nadere informatie te verwijzen naar het verwerend orgaan en de (gemachtigde van de) betrokkene een (redelijke) termijn te geven om zijn standpunten met die nader te verkrijgen informatie te onderbouwen. Na ontvangst van de reactie van de (gemachtigde van de) betrokkene dan wel na het verstrijken van deze termijn kan de officier van justitie op het beroep beslissen.

9. Indien de naar voren gebrachte argumenten voor het verkrijgen van informatie meebrengen dat redelijkerwijs twijfel bestaat over de juistheid van de inleidende beschikking, dient de officier van justitie zelf deze nadere informatie op te vragen en deze aan de (gemachtigde van de) betrokkene te verstrekken en deze vervolgens de gelegenheid te geven zijn standpunten binnen een redelijke termijn nader te onderbouwen. Na ontvangst van de reactie van de (gemachtigde van de) betrokkene dan wel na het verstrijken van deze termijn kan de officier van justitie vervolgens op het beroep beslissen.

10. In de onderhavige procedure moet worden vastgesteld dat het verzoek om informatie van 2 juni 2008, ook als dat wordt bezien in samenhang met het beroepschrift, geen argumenten bevat die meebrengen dat redelijkerwijs twijfel kan bestaan aan de juistheid van de inleidende beschikking.

11. Anders dan de gemachtigde van de betrokkene stelt is er geen wettelijke bepaling of rechterlijke uitspraak op grond waarvan de officier van justitie binnen zes weken op de brief van 2 juni 2008 had moeten reageren dan wel zulks had moeten doen voorafgaand aan het nemen van de beslissing op het beroep.

12. Het hof moet echter wel vaststellen dat de officier van justitie in de beslissing op het beroep geen overwegingen heeft gewijd aan het verzoek van de gemachtigde van 2 juni 2008. In zoverre kleeft op het punt van de informatievoorziening een gebrek aan de beslissing van de officier van justitie.

13. Ingevolge artikel 6:22 Awb kan een besluit waartegen beroep is ingesteld, ondanks schending van een vormvoorschrift door het orgaan dat op het beroep beslist, in stand worden gelaten indien blijkt dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

14. Het hof stelt vast dat het ontbreken van een overweging naar aanleiding van het verzoek van de gemachtigde van 2 juni 2008 bij de gemachtigde niet heeft geleid tot misverstand. Voorts heeft de officier van justitie -nadat de gemachtigde bij brief van 25 juli 2008 beroep had ingesteld bij de kantonrechter- bij brief van 20 oktober 2008 aan de gemachtigde van de betrokkene een kopie van het zaakoverzicht en de foto van de gedraging toegezonden aan de gemachtigde. Blijkens het hoger beroepschrift gaat het hier om de gevraagde informatie. Het hof leidt hieruit af dat de gemachtigde van de betrokkene geen andere informatie verlangt en van mening is dat deze informatie toereikend is.

15. Naar het oordeel van het hof blijkt daaruit dat de gemachtigde van betrokkene door het verzuim van de officier van justitie niet is geschaad in zijn belangen. In dit geval doet zich derhalve de uitzondering van artikel 6:22 Awb voor. Er bestaat daarom geen aanleiding de beslissing van de officier van justitie te vernietigen.

16. Nu het hoger beroep zich kennelijk niet richt tegen het oordeel van de kantonrechter dat de onder 1. omschreven gedraging is verricht met het voertuig van de betrokkene, en niet is gebleken van omstandigheden die tot vernietiging dan wel matiging van de administratieve sanctie zouden moeten leiden, zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

Beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Schuijlenburg, Poelman en Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Van der Heide als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.