Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BL5429

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
24-02-2010
Datum publicatie
24-02-2010
Zaaknummer
21-001376-09
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGRO:2008:BC8837, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BU3282, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BU3282
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling ex-raadsheer wegens oplichting en poging tot afdreiging.

Vrijspraak van tenlastegelegde dwang als bedoeld in artikel 284 Wetboek van Strafrecht; geen strijd met maatschappelijke betamelijkheid.

Terugwijzing naar de rechtbank -op verzoek van verdachte- met betrekking tot tenlastegelegde ‘zonder daartoe gerechtigd te zijn de titel van advocaat voeren’.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2010, 141
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

NEVENZITTINGSPLAATS ARNHEM

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-001376-09

Uitspraak d.d.: 24 februari 2010

TEGENSPRAAK

Promis

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Groningen van 7 april 2008 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres].

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 10 juli 2009 en 10 februari 2010 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte ten aanzien van het onder 1, 2 en 4 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met een proeftijd van twee jaar, en een werkstraf voor de duur van 150 uur, subsidiair 75 dagen hechtenis, waarbij is overwogen dat de werkstraf deels kan bestaan uit het volgen van een cursus sociale vaardigheden. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat verdachte ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 500,- met een proeftijd van twee jaar.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr J.P. Plasman, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere beslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg en in hoger beroep- tenlastegelegd dat:

1.

hij, meermalen, althans eenmaal, op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 28 juni 2006 tot en met 20 juli 2006, te Groningen en/of te Loppersum en/of te Uithuizermeeden, gemeente Eemsmond, in ieder geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] (telkens) heeft/hebben bewogen tot de afgifte van geldbedragen van respectievelijk vijfduizend euro, tweeduizend euro en vijfduizend euro (en aldus in totaal 12.000 euro),

immers hebben verdachte en/of zijn mededader(s) toen daar (telkens) met

vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- zich tegenover die [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] voorgedaan als advocaten en/of verkeersspecialisten en/of

- die [betrokkene 1] (in een contract) laten weten dat hij verdachte en/of zijn mededader(s) (als advocaat) de belangen van die [betrokkene 1], die terzake van overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 was aangehouden, zou behartigen en/of

- die [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] laten weten dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) die [betrokkene 1] op een zitting (van de arrondissementsrechtbank te Groningen) zou bijstaan en/of

- die [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] (via email) laten weten dat er volgens de richtlijnen een geldboete van drieduizend achthonderd euro in de rede lag en/of

- die [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] (via email) laten weten dat [betrokkene 1] moest rekenen op een forse geldboete (van ongeveer vijfduizend euro) en/of

- die [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] (via email) laten weten dat er in de strafzaak tegen [betrokkene 1] de meeste kans op een schikking zou zijn wanneer er voor een bepaald tijdstip vijfduizend euro gestort zou worden op de bankrekening van verdachte('s maatschap) en/of

- dat wanneer het openbaar ministerie niet akkoord zou gaan met het schikkingsvoorstel (van vijfduizend euro) de (hiervoor genoemde) vijfduizend euro teruggegeven zou worden aan [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2],

waardoor die [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;

en/of

hij, in of omstreeks de periode van 30 juni 2006 tot en met 18 april 2007, te Groningen, in ieder geval in Nederland, opzettelijk vijfduizend euro, in elk geval enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geldbedrag verdachte onder zich/in depot had gekregen om daarvan/daarmee een (eventueel) transactievoorstel van het openbaar ministerie te voldoen en aldus anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2.

hij, op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 24 november 2006 tot en met 27 november 2006, te Groningen, in ieder geval in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [betrokkene 3] en/of een of meer (andere) medewerkers van advocatenkantoor [advocatenkantoor], door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid wederrechtelijk te dwingen iets te doen,

- te weten: het op maandagmorgen 27 november 2006 tussen 10.00 uur en 11.00 uur, bellen naar een bepaald telefoonnummer -

op of omstreeks 24 november 2006 telefonisch contact heeft gezocht met genoemde [betrokkene 3] en/of het advocatenkantoor [advocatenkantoor] en/of zich in dat telefonisch contact mr. Boone, een bekende advocaat noemde en/of (vervolgens) in dat telefonisch contact heeft laten weten dat hij, verdachte, op de hoogte was van het feit dat genoemde [betrokkene 3] en/of andere medewerkers van advocatenkantoor [advocatenkantoor] betrokken was/waren bij (ernstige) criminele activiteiten en/of dat er (op dat moment) hard aan die zaak zou worden gewerkt en/of dat het in het belang van die [betrokkene 3] en/of advocatenkantoor [advocatenkantoor] zou zijn en/of dat die [betrokkene 3] (binnen de kortste keren) opgepakt zou worden en/of dat de financiële recherche die [betrokkene 3] op het spoor zou zijn en/of op of omstreeks 27 november 2006 (wederom) telefonisch contact heeft gezocht met genoemde [betrokkene 3] en/of het advocatenkantoor [advocatenkantoor] en/of zich in dat telefonisch contact (wederom) bediende van de naam van mr. Boone,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

3.

hij, op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 1 juni 2006 tot en met 18 april 2007, te Groningen, in ieder geval in Nederland,

(telkens) zonder daartoe gerechtigd te zijn (telkens) de titel van advocaat heeft gevoerd, immers heeft verdachte

- zich in de periode van 28 juni 2006 tot en met 20 juli 2006 tegenover [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] voorgedaan als advocaat en/of

- die [betrokkene 1] in de periode van 28 juni 2006 tot en met 20 juli 2006 (in een contract) laten weten dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (als advocaat) de belangen van die [betrokkene 1], die terzake van overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 was aangehouden, zou behartigen en/of

- die [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] in de periode van 28 juni 2006 tot en met 20 juli 2006 laten weten dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s), die [betrokkene 1] op een zitting (van de arrondissementsrechtbank te Groningen) zou bijstaan en/of

- een advertentie in de Gouden Gids geplaatst met de titel "[verdachte] CS" in de rubriek Advocaten en Advocatenkantoren en/of

- op 15 augustus 2006 slechts een wijziging doorgegeven aan de Gouden Gids betreffende een ander telefoonnummer, ondanks het verzoek van de heer [betrokkene 4] d.d. 20 juni 2006 (in de hoedanigheid van deken van de orde van advocaten) om de advertentie in een andere rubriek te plaatsen en/of

- op 20 juni 2006 08.00 uur een emailbericht verzonden aan [bedrijf] waarin verdachte aangeeft "Nu heb ik mijn eigen advocatenkantoor en ben ik behalve in bovengenoemde rechtsgebieden gespecialiseerd in cassatierecht. Dat wordt door slechts zeer weinigen in Nederland beoefend (Spong, Franken en ondergetekende) en is een tak apart." en/of

- op 28 november 2006 15.09 uur een emailbericht naar de heer [betrokkene 5] verzonden waarin verdachte aangeeft "Ik kan voor u een zaak aanspannen, heb een verklaring van goed gedrag en ben advocaat";

4.

Primair

hij in of omstreeks de periode van 6 oktober 2006 tot en met 13 oktober 2006 in de gemeente(n) Groningen en/of Noordenveld en/of elders in Nederland, (telkens) met het oogmerk om zich of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met smaad en/of smaadschrift en/of openbaring van (een) geheim(en) [betrokkene 6] heeft gedwongen tot de afgifte aan hem van een geldbedrag van

€ 40.000,-, althans een geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan die [betrokkene 6], althans aan een of meer anderen dan aan hem, verdachte, door toen daar met voormeld oogmerk het navolgende te doen:

hij, verdachte, heeft tegen die [betrokkene 6] gezegd dat hij € 40.000,-, althans een geldbedrag, moest hebben in ruil voor het niet openbaarmaken van een geheim, betreffende witwassen en/of zwart geld en/of (een) bankrekening(en) in (verschillende) (een) land(en), waaronder Canada, en/of een deal met het openbaar ministerie, althans informatie die schadelijk kan zijn voor het bedrijf van [betrokkene 6] en/of zijn fysieke zelfbehoud, althans dat hij € 40.000,-, althans een geldbedrag, moest hebben;

Subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 6 tot en met 13 oktober 2006 in de gemeente Groningen en/of Noordenveld, in ieder geval in Nederland,

ter uitvoering van zijn voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met smaad en/of smaadschrift en/of openbaring van (een) geheim(en) [betrokkene 6] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag van € 40.000,-, geheel of ten dele toebehorende aan die [betrokkene 6], althans aan een andere dan aan verdachte,

met dat oogmerk op 6 oktober 2006 de voicemail van [betrokkene 6] heeft ingesproken met de mededeling -zakelijk weergegeven-

- dat hij, verdachte, op de hoogte was geraakt van witwassen, zwart geld, bankrekeningen in het buitenland en/of een deal met het openbaar ministerie, daarbij telkens doelend op - een betrokkenheid van - [betrokkene 6]

- dat het gaat om de toekomst van jou, je bedrijf en je fysieke zelfbehoud

- dat een bedrag van € 40.000,- moet worden overgemaakt op het rekeningnummer van verdachte

en/of

op 9 oktober 2006 het kantoor van [betrokkene 6] heeft gebeld met de mededeling dat [betrokkene 6] hem, verdachte, moest terugbellen omdat er anders passende maatregelen zouden worden genomen en de stekker er uit zou gaan,

terwijl de uitvoering van het misdrijf niet is voltooid.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Terugwijzing rechtbank

Verdachte heeft ter terechtzitting verzocht de zaak met betrekking tot het onder 3 tenlastegelegde feit terug te wijzen naar de rechtbank Groningen, nu de rechtbank niet inhoudelijk over dat feit heeft geoordeeld.

Het hof merkt hieromtrent het volgende op.

De rechtbank heeft met betrekking tot het onder 3 tenlastegelegde feit de dagvaarding nietig verklaard. De zaak is derhalve 'blijven steken' bij een van de voorvragen van artikel 348 Wetboek van Strafvordering en een inhoudelijk oordeel heeft de rechtbank dan ook niet gegeven. Het hof is van oordeel dat de dagvaarding ten aanzien van feit 3 -zoals deze in hoger beroep is gewijzigd- wel geldig is, hetgeen ter terechtzitting van het hof door de verdediging noch het openbaar ministerie is betwist. Vernietiging van het vonnis van de rechtbank heeft tot gevolg dat dit feit alsnog inhoudelijk moet worden onderzocht.

Gelet op het bovenstaande en aangezien door verdachte ter terechtzitting terugwijzing naar de rechtbank is verlangd, zal het hof, gelet op artikel 423, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, de zaak met betrekking tot feit 3 terugwijzen naar de rechtbank.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 2 en 4 primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

Vast is komen te staan -hetgeen door verdachte niet is betwist- dat verdachte op 24 november 2006 heeft gebeld naar het advocatenkantoor [advocatenkantoor], waarbij hij zich heeft voorgedaan als mr Boone en heeft gezegd dat [betrokkene 3] hem op 27 november 2006 tussen 10.00 en 11.00 uur moest terugbellen. Om zijn boodschap kracht bij te zetten heeft verdachte (onder meer) gezegd dat hem bekend was dat [betrokkene 3] betrokken was bij ernstige criminele activiteiten, dat er hard aan de zaak werd gewerkt, dat het in het belang was van [betrokkene 3] dat hij terug zou bellen, dat [betrokkene 3] opgepakt zou worden en dat de financiële recherche [betrokkene 3] op het spoor zou zijn.

Het hof is van oordeel dat door het handelen van verdachte dwang is uitgeoefend op [betrokkene 3]. Voor een veroordeling wegens overtreding van artikel 284 Wetboek van Strafrecht dient sprake te zijn van een wederrechtelijk dwingen. De wederrechtelijkheid ziet hier op een handelen 'zonder wettelijke bevoegdheid' dan wel 'in strijd met het objectieve recht', hetgeen ook omvat een handelen dat in strijd is met de maatschappelijke betamelijkheid.

In dit geval is het hof van oordeel dat, hoe ondoordacht het handelen van verdachte wellicht ook was, niet gezegd kan worden dat verdachte heeft gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betamelijk is. Het hof heeft daarbij mede in acht genomen de relatief onschuldige aard van hetgeen verdachte, zich daarbij uitgevend voor mr. Boone, trachtte af te dwingen, te weten het telefonisch contact te doen opnemen door te bellen naar een bepaald telefoonnummer.

Ten aanzien van het onder 4 primair tenlastegelegde

Ten aanzien van het onder 4 primair tenlastegelegde merkt het hof op dat geen sprake is geweest van een voltooid delict, nu [betrokkene 6] nimmer is overgegaan tot de afgifte van enig goed aan verdachte.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Ten aanzien van feit 11

Op 26 januari 2007 doet [betrokkene 7] per brief namens [betrokkene 1] aangifte van oplichting dan wel verduistering, gepleegd door verdachte.2

Op 22 februari 2007 verklaart [betrokkene 1] tegenover de politie dat hij in juni 2006 een advocaat nodig had voor rechtsbijstand, omdat hij was aangehouden terwijl hij onder invloed van alcoholhoudende drank een auto bestuurde. Hij heeft in de Gouden Gids gezocht in de rubriek 'Advocaten en Advocatenkantoren', waar hij een advertentie zag staan van verdachte. [betrokkene 1] heeft naar het kantoor gebeld. Hij heeft verdachte verteld wat hem was overkomen. Verdachte zei hem dat hij hard aan het werk zou gaan. Verdachte begon over geld, omdat 'zijn kachel ook moest branden'. Verdachte begon over € 7.000,-, maar zei later dat € 5.000,- ook goed was. Eind juni 2007 is [betrokkene 1] samen met zijn broer, [betrokkene 2], langs geweest bij het kantoor van verdachte aan de [straat] in Groningen. Zij hebben in de tuin een gesprek gehad met verdachte en de heer [betrokkene 8]. Daarbij gaf verdachte aan dat hij zou proberen ervoor te zorgen dat er geen zitting zou komen en als het wel een zitting zou worden 'dan was hij er ook nog'. [betrokkene 2] had inmiddels € 5.000,- over gemaakt. Verdachte zei in het gesprek in de tuin dat er nog een keer € 5.000,- overgemaakt moest worden. Verdachte zou dit in depot houden voor het betalen van een eventuele boete. Die € 5.000,- werd later gestort. [betrokkene 1] verklaart dat hij dacht dat verdachte advocaat was en dat verdachte zijn zaken zou behartigen. Als hij had geweten dat verdachte geen advocaat was, was hij nooit met hem in zee gegaan. Uit niets bleek dat verdachte geen advocaat was. Als hij en [betrokkene 2] dit hadden geweten hadden ze niet zoveel geld aan verdachte betaald en ook niets in depot gegeven.3

[betrokkene 2] verklaart op 22 februari 2007 tegenover de politie dat zijn broer, [betrokkene 1], in juni 2006 met drank op achter het stuur in zijn auto reed. Hij is toen aangehouden door de politie en zijn rijbewijs werd ingevorderd. [betrokkene 1] heeft vervolgens een advocaat benaderd, welke hij uit de Gouden Gids had gehaald. Samen met zijn broer is [betrokkene 2] naar het kantoor van verdachte aan de [straat] in Groningen gegaan. Verdachte heeft tijdens dat gesprek aangegeven dat hij een uurtarief rekende van € 350,- exclusief BTW en kantoorkosten. Verdachte vroeg of de broers [betrokkene 1 en 2] per spoedoverboeking een voorschot wilden overboeken van € 5.000,- voor toekomstige honoraria. [betrokkene 2] heeft toen, namens zijn broer, met spoed € 5.000,- over gemaakt.

Op 30 juni 2006 ontving [betrokkene 2] een emailbericht van verdachte, waarin hem werd verzocht nogmaals € 5.000,- over te maken, omdat volgens verdachte de op te leggen boete 5.000,- euro zou zijn. Volgens verdachte was het gebruikelijk dat een advocaat dat geld in depot zou krijgen, zodat het openbaar ministerie zeker wist dat het betaald zou worden. Volgens verdachte bestond de meeste kans op een schikking als het bedrag voor 15.00 uur die dag telefonisch overgemaakt zou zijn op de bankrekening van maatschap [verdachte] cs. Verdachte gaf daarbij aan dat [betrokkene 2] het geld teruggestort zou krijgen als het openbaar ministerie niet akkoord zou gaan met de schikking. [betrokkene 2] verklaart dat hij alle vertrouwen had in verdachte als advocaat. Op 3 juli 2006 heeft [betrokkene 2] € 5.000,- overgeboekt naar de rekening ten name van MTS [verdachte] cs.

Op 5 juli 2007 (het hof begrijpt: 2006) heeft [betrokkene 1] een contract gesloten met verdachte, inhoudende dat verdachte de belangen van [betrokkene 1] zou behartigen en dat een voorschot betaald zou worden van € 5.000,-. Het uurtarief zou € 350,- bedragen, exclusief BTW en 6% kantoorkosten.

Op 17 juli 2006 ontving [betrokkene 2] wederom een emailbericht van verdachte. Verdachte gaf aan dat het voorschotbedrag nagenoeg verbruikt was. Gezien de omvang van de zaak vroeg verdachte nogmaals € 5.000,- over te boeken. [betrokkene 2] heeft verdachte telefonisch voorgesteld € 2.000,- over te boeken onder de voorwaarde dat verdachte de hele zaak tot en met de zitting zou afwikkelen c.q. hen tot en met de zitting bij zou staan. Verdachte ging akkoord met dit voorstel. [betrokkene 2] heeft vervolgens op 20 juli 2006 € 2.000,- overgeboekt. Diezelfde dag ontving [betrokkene 2] een emailbericht van verdachte, waarin deze aangaf dat hij voor die € 2.000,- bijstand zou verlenen, zowel bij het gesprek met de officier van justitie als eventueel op zitting.

Enige tijd later hoorde [betrokkene 2] van [betrokkene 7] dat verdachte geen advocaat was. [betrokkene 2] was er echter steeds vanuit gegaan dat verdachte advocaat was, nu verdachte zich -zoals [betrokkene 2] verklaart- ook als zodanig presenteerde. Als [betrokkene 2] had geweten dat verdachte de belangen van [betrokkene 1] niet voor 100% kon behartigen, was hij nooit met hem in zee gegaan.4

Ter terechtzitting van de rechtbank op 25 maart 2008 verklaart [betrokkene 2] dat hij op geen enkel moment aanleiding heeft gehad om te denken dat verdachte geen advocaat was. Verdachte heeft niet gezegd dat hij geen advocaat was. [betrokkene 2] en zijn broer [betrokkene 1] hadden de indruk dat verdachte advocaat was. [betrokkene 2] heeft verklaard dat als hij had geweten dat verdachte geen advocaat was, hij het uurtarief van € 350,- wel had aangevochten. Dat hij dacht dat verdachte advocaat was, speelde zeker mee, omdat hij dacht dat een advocaat wel zoveel zou kosten. Volgens verdachte was het een omvangrijke zaak die veel onderzoek zou vergen. Verdachte heeft gezegd dat het gangbaar was dat het schikkingsbedrag via de advocaat liep.5

[betrokkene 8] heeft op 23 februari 2007 tegenover de politie verklaard dat hij in juni 2006 in dienst was van de maatschap [verdachte] cs. Eind juni 2006 heeft [betrokkene 8] met verdachte een gesprek gevoerd met de heren [betrokkene 1 en 2] aan de [straat] in Groningen. [betrokkene 8] heeft aangegeven dat hij zich heel goed kan voorstellen dat beide heren [betrokkene 1 en 2] dachten dat ze met advocaten te maken hadden, nu in het gesprek niet is gezegd dat zij geen advocaten waren. Voorafgaand aan het gesprek was geen brief naar de broers [betrokkene 1 en 2] gegaan inhoudende dat [verdachte] en [betrokkene 8] geen advocaten waren. De zaak [betrokkene 1 en 2] betrof geen complexe zaak.6

Ter terechtzitting van de rechtbank op 25 maart 2008 heeft [betrokkene 8] verklaard dat er een advertentie van het kantoor van verdachte in de Gouden Gids stond, waarin met geen woord werd gerept dat het geen advocatenkantoor was. De broers [betrokkene 1 en 2] dachten dat ze advocaten in de arm hadden genomen. Ze hebben veel geld moeten betalen. Dit is gebeurd onder valse voorwendselen, zo verklaart [betrokkene 8].7

[betrokkene 9] heeft op 23 maart 2007 tegenover de politie verklaard dat hij begin 2006 met verdachte een maatschap is aangegaan. De maatschap werd genoemd [verdachte] CS. Het kantoor was gesitueerd aan de [straat] 12 te Groningen. In juni 2006 was het krediet van € 125.000,- op. [betrokkene 9] heeft uit hoofde van de maatschap advertenties geplaatst in de Gouden Gids. Daarbij wordt door [betrokkene 9] gewezen op een emailbericht van verdachte aan hem, gedateerd 14 maart 2006, waarin verdachte schrijft dat het kantoor onder de rubriek advocatenkantoren en niet onder juridische adviesbureaus o.i.d. moet worden geplaatst.8

[betrokkene 4], deken van de orde van advocaten in het arrondissement Groningen, verklaart op 16 augustus 2007 tegenover de politie dat verdachte geen advocaat is in Groningen dan wel elders in Nederland. Desondanks heeft verdachte in een tweetal emailberichten aan [bedrijf], gedateerd 20 juni 2006, geschreven dat hij een eigen advocatenkantoor heeft. [betrokkene 4] heeft verdachte een brief geschreven, waarin [betrokkene 4] heeft aangegeven dat hij bezwaar maakt tegen de suggestieve inhoud van het bericht en waarin [betrokkene 4] verdachte dringend heeft verzocht om in contacten met derden geen onduidelijkheid te laten bestaan over zijn positie. [betrokkene 4] zegt in de brief dat verdachte zich, zolang hij niet als advocaat is ingeschreven, dient te onthouden van het zelfs maar wekken van de schijn dat hij als advocaat werkzaam is. Voorts heeft [betrokkene 4] verdachte verzocht de advertentie in de Gouden Gids niet meer in de rubriek 'Advocaten en Advocatenkantoren' te plaatsen.9

Verdachte heeft per brief van 22 juni 2006 aan [betrokkene 4] laten weten dat hij tijdens zijn contacten met derde partijen duidelijk maakt geen advocaat te zijn, nu hij zich daarvan goed bewust is.10

Standpunt verdediging

Door de raadsman van verdachte is aangevoerd dat verdachte nooit de intentie heeft gehad zich uit te geven als advocaat. Verdachte heeft nooit gezegd dat hij advocaat was. De feiten en omstandigheden in de onderhavige zaak kunnen niet gekwalificeerd worden als leugens of een samenweefsel van verdichtsels, aldus de raadsman.

Daar komt bij dat [betrokkene 2] ter terechtzitting van de rechtbank heeft verklaard dat als hij het geld terug had gekregen, hij geen aangifte zou hebben gedaan. Hieruit leidt de raadsman af dat -in de ogen van [betrokkene 2]- geen sprake is geweest van oplichting, hoogstens van misleiding.

Verdachte heeft aangevoerd dat hij nooit heeft gezegd dat hij advocaat was en zich ook niet heeft voorgedaan als advocaat. Hij heeft nooit de suggestie gewekt dat hij [betrokkene 1] bij zou staan ter zitting. Het uurtarief van € 350,- is door de heer [betrokkene 9] berekend. Het genoemde boetebedrag van € 5.000,- was door de heer [betrokkene 8] opgezocht in de richtlijnen van het Openbaar Ministerie.

Oordeel van het hof

Uit het bovenstaande is het hof gebleken dat:

- verdachte geen advocaat is;

- verdachte een advertentie van zijn kantoor in de Gouden Gids heeft laten plaatsen onder het kopje 'Advocaten en Advocatenkantoren';

- verdachte, ondanks het feit dat hij hier door de deken van de orde van advocaten op was gewezen, tegenover de gebroeders [betrokkene 1 en 2] niet duidelijk heeft gemaakt dat hij geen advocaat was;

- verdachte heeft aangegeven dat hij [betrokkene 1] bij zou staan tot en met de zitting, wat redelijkerwijs niet anders kon worden begrepen door [betrokkene 1] dan dat verdachte zelf als advocaat hem ter zitting zou bijstaan (als het tot een zitting zou komen), nu uit niets is gebleken dat verdachte op het moment van deze mededeling aan [betrokkene 1] heeft verteld dat niet hij zelf, maar een derde/advocaat [betrokkene 1] ter zitting zou bijstaan dan wel dat verdachte dienaangaande enig voorbehoud heeft gemaakt;

- verdachte heeft aangegeven dat de meeste kans op een schikking bestond indien het schikkingsbedrag voor een bepaald tijdstip naar de rekening van zijn maatschap was overgeboekt en dat het gebruikelijk was dat dit via de advocaat (cursivering hof) liep, terwijl vervolgens het voor een schikking bestemde bedrag op een rekening van de maatschap van verdachte is geboekt en geïnd.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat verdachte (op zijn minst) bewust heeft gesuggereerd dat hij advocaat was en derhalve een valse hoedanigheid heeft aangenomen. Dat verdachte niet expliciet heeft gezegd dat hij advocaat was, doet daar niet aan af. Dat verdachte het oogmerk heeft gehad om zich door het aannemen van deze valse hoedanigheid wederrechtelijk te bevoordelen, leidt het hof af uit het gegeven dat verdachte zelf krap bij kas zat, het krediet van de maatschap in juni 2006 al was verbruikt en hij geld nodig had, hetgeen ook door hemzelf ter terechtzitting van het hof is verklaard.11 Het ten behoeve van een schikking overgemaakte geld is vervolgens niet veilig gesteld op een derdengeldenrekening, maar verbruikt vanaf de rekening van de toen al in ernstige geldzorgen verkerende maatschap. Terugbetaling van het bedrag aan [betrokkene 2] was daardoor niet mogelijk.

Uit de verklaringen van de gebroeders [betrokkene 1 en 2] blijkt voldoende dat de bedragen van € 5.000,-, € 2.000,- en € 5.000,- door [betrokkene 2] zijn betaald als gevolg van de valse hoedanigheid, die verdachte jegens de gebroeders [betrokkene 1 en 2] had aangenomen.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting van [betrokkene 2]. Ten overvloede merkt het hof nog op dat het feit dat aangever naderhand heeft verklaard dat hij zich misleid voelde en hij niet spreekt over opgelicht zijn, niet met zich brengt dat het bewezenverklaarde niet als oplichting zou kunnen worden gekwalificeerd.

Het bedrag van € 5.000,- dat verdachte met het oog op een eventuele schikking onder zich had gekregen, heeft hij ook door oplichting, derhalve door misdrijf onder zich gekregen, zodat de cumulatief tenlastegelegde verduistering van dit bedrag niet bewezen kan worden.

Ten aanzien van feit 4 subsidiair12

Op 18 oktober 2006 verklaart [betrokkene 6] tegenover de FIOD/ECD dat hij op 6 oktober 2006 werd gebeld door één van zijn secretaresses met de mededeling dat verdachte had gebeld in verband met [betrokkene 10]. [betrokkene 6] heeft vervolgens verdachte gebeld, waarbij verdachte heeft aangegeven dat hij bepaalde zaken behartigde voor [betrokkene 10]. Verdachte vertelde dat hij werkzaamheden had verricht voor [betrokkene 10] en dat hem daarbij zaken ter ore waren gekomen die voor [betrokkene 6] van belang konden zijn. Verdachte en [betrokkene 6] hebben een afspraak gemaakt voor de volgende dag. Diezelfde dag luisterde [betrokkene 6] zijn voicemail af, waar twee berichten op stonden. [betrokkene 6] verklaart dat hem uit die berichten duidelijk werd dat verdachte bepaalde informatie had die hij met [betrokkene 6] wilde delen en waarvoor [betrokkene 6] € 40.000,- moest betalen. Verdachte heeft in de voicemailberichten gezegd dat hij over informatie beschikte van belang voor het fysieke zelfbehoud van [betrokkene 6].

Op 9 oktober 2006 heeft verdachte wederom gebeld naar het kantoor van [betrokkene 6]. Hij heeft bij [betrokkene 11] de boodschap achter gelaten "Als de heer [betrokkene 6] mij niet voor half vier terugbelt dan gaat de stekker er uit."13

[betrokkene 11] heeft op 9 oktober 2006 een emailbericht verzonden aan [betrokkene 6], waarin staat weergegeven dat verdachte had gebeld met het verzoek of [betrokkene 6] hem terug wilde bellen, waarbij letterlijk was gezegd dat als [betrokkene 6] geen contact met hem zou opnemen hij zich genoodzaakt zou zien passende maatregelen te nemen en contact op te nemen met justitie en dat dan de 'stekker' er uit zou gaan.14

Door verbalisant [verbalisant 1] zijn de door verdachte op de telefoon van [betrokkene 6] ingesproken voicemailberichten uitgewerkt. Hieruit blijkt dat door verdachte onder meer is gezegd dat hij van zeer wezenlijke dingen op de hoogte is geraakt, waarbij de trefwoorden 'witwassen', 'zwart geld', 'bankrekeningen in verschillende landen' en 'de deal met het openbaar ministerie' door verdachte worden genoemd. Verdachte zegt voorts dat het gaat om de toekomst van [betrokkene 6], zijn bedrijf en zijn fysieke zelfbehoud. Verdachte stelt [betrokkene 6] voor een bedrag van € 40.000,- over te maken naar het rekeningnummer van verdachte.15

Verdachte heeft ter terechtzitting van de rechtbank op 25 maart 2008 verklaard dat hij vanuit Groningen contact heeft gezocht met [betrokkene 6] en dat de inhoud van het bericht (het hof begrijpt: zoals dat in de tenlastelegging is weergegeven) klopt.16

Standpunt verdediging

Door de verdediging is ter terechtzitting van het hof aangevoerd dat verdachte niet heeft gedreigd met het openbaar maken van geheimen. In de berichten van 6 oktober 2006 heeft verdachte aan [betrokkene 6] informatie aangeboden in ruil voor € 40.000,-. De opmerking van verdachte in het telefoongesprek op 9 oktober 2006, inhoudende dat de stekker er uit zou gaan, had te maken met het feit dat [betrokkene 6] contact met hem moest opnemen. Dit had niet te maken met het openbaar maken van geheimen, aldus verdachte. Indien [betrokkene 6] het bedrag van € 40.000,- niet zou hebben willen betalen, zou verdachte geen nadere stappen hebben ondernomen.

Oordeel van het hof

Uit het bovenstaande leidt het hof af dat verdachte informatie had over [betrokkene 6] die betrekking had op strafbare feiten en dat verdachte voor die informatie € 40.000,- wilde hebben. Daarbij is het hof van oordeel dat de uitlatingen van verdachte -inhoudende dat het ging om de toekomst van [betrokkene 6], zijn bedrijf en zijn fysieke zelfbehoud en dat passende maatregelen zouden worden genomen, dat contact met justitie zou worden opgenomen en dat 'de stekker er uit zou gaan' indien [betrokkene 6] geen contact met verdachte zou opnemen- in onderling verband en samenhang bezien niet anders begrepen kunnen worden dan gericht te zijn op aanranding van de eer of goede naam van [betrokkene 6] dan wel op openbaarmaking van de (geheime) informatie. [betrokkene 6] heeft de mededelingen van verdachte ook als gericht op die smaad en/of openbaarmaking van geheimen ervaren en kunnen ervaren. Bedoelde mededelingen oordeelt het hof als door verdachte ingezette dwangmiddelen ter betaling van geld door die [betrokkene 6] aan hem, verdachte. Aan het vorenstaande doet niet af dat verdachte, zoals hij ter zitting heeft aangevoerd, mogelijk zou hebben afgezien van openbaarmaking van bedoelde informatie indien [betrokkene 6] niet zou betalen.

Dat verdachte daarbij het oogmerk heeft gehad om zich wederrechtelijk te bevoordelen, leidt het hof af uit het gegeven dat verdachte krap bij kas zat en geld nodig had, hetgeen ook door hemzelf ter terechtzitting van het hof is verklaard.17

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot afdreiging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 en 4 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij, meermalen, op verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 28 juni 2006 tot en met 20 juli 2006, te Groningen en/of te Loppersum en/of te Uithuizermeeden, gemeente Eemsmond, in ieder geval in Nederland, telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid [betrokkene 2] telkens heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen van respectievelijk vijfduizend euro, tweeduizend euro en vijfduizend euro (en aldus in totaal 12.000 euro),

immers heeft verdachte toen daar telkens met vorenomschreven oogmerk - zakelijk - in strijd met de waarheid

- zich tegenover [betrokkene 1] en [betrokkene 2] voorgedaan als advocaat en

- die [betrokkene 1] en [betrokkene 2] laten weten dat hij, verdachte die [betrokkene 1] op een zitting (van de arrondissementsrechtbank te Groningen) zou bijstaan en

- die [betrokkene 2] (via email) laten weten dat [betrokkene 1] moest rekenen op een forse geldboete (van ongeveer vijfduizend euro) en

- die [betrokkene 2] (via email) laten weten dat er in de strafzaak tegen [betrokkene 1] de meeste kans op een schikking zou zijn wanneer er voor een bepaald tijdstip vijfduizend euro gestort zou worden op de bankrekening van verdachte's maatschap en

- dat wanneer het openbaar ministerie niet akkoord zou gaan met het schikkingsvoorstel (van vijfduizend euro) de (hiervoor genoemde) vijfduizend euro teruggegeven zou worden aan [betrokkene 2],

waardoor die [betrokkene 2] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

4.

Subsidiair

hij in de periode van 6 tot en met 13 oktober 2006 in de gemeente Groningen en/of Noordenveld, in ieder geval in Nederland,

ter uitvoering van zijn voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met smaad en/of openbaring van geheimen [betrokkene 6] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag van € 40.000,-, toebehorende aan die [betrokkene 6],

met dat oogmerk op 6 oktober 2006 de voicemail van [betrokkene 6] heeft ingesproken met de mededeling -zakelijk weergegeven-

- dat hij, verdachte, op de hoogte was geraakt van witwassen, zwart geld, bankrekeningen in het buitenland en/of een deal met het openbaar ministerie, daarbij telkens doelend op - een betrokkenheid van - [betrokkene 6]

- dat het gaat om de toekomst van jou, je bedrijf en je fysieke zelfbehoud

- dat een bedrag van € 40.000,- moet worden overgemaakt op het rekeningnummer van verdachte

en

op 9 oktober 2006 het kantoor van [betrokkene 6] heeft gebeld met de mededeling dat [betrokkene 6] hem, verdachte, moest terugbellen omdat er anders passende maatregelen zouden worden genomen en de stekker er uit zou gaan,

terwijl de uitvoering van het misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Oplichting.

ten aanzien van het onder 4 subsidiair bewezenverklaarde:

Poging tot afdreiging.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte wordt veroordeeld wegens het onder 1 en 2 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, en een werkstraf voor de duur van 100 uur, met aftrek van de tijd in verzekering doorgebracht, en wegens het onder 3 tenlastegelegde tot een geldboete van € 500,- voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

De rechtbank Groningen heeft de verdachte ten aanzien van het onder 1, 2 en 4 subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met een proeftijd van twee jaar, en een werkstraf voor de duur van 150 uur, subsidiair 75 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd in verzekering doorgebracht.

Verdachte en het openbaar ministerie zijn tegen het vonnis van de rechtbank in hoger beroep gekomen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte ten aanzien van het onder 1, 2 en 4 subsidiair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met een proeftijd van twee jaar, en een werkstraf voor de duur van 150 uur, subsidiair 75 dagen hechtenis, waarbij is overwogen dat de werkstraf deels kan bestaan uit het volgen van een cursus sociale vaardigheden. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat verdachte ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 500,- met een proeftijd van twee jaar.

Het hof komt tot een bewezenverklaring van het onder 1 en 4 subsidiair tenlastegelegde.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan oplichting en poging tot afdreiging. Door zich voor te doen als advocaat heeft hij [betrokkene 2] zover gekregen grote geldbedragen aan hem over te maken. Hierdoor heeft verdachte [betrokkene 2] in hoge mate financieel benadeeld en het door [betrokkene 2] in hem gestelde vertrouwen beschaamd. Verdachte heeft zijn eigen (financiële) belangen voor laten gaan voor de belangen van degene die hij zou bijstaan, te weten de broer van [betrokkene 2].

Voorts heeft verdachte door middel van het dreigen met smaad dan wel het openbaar maken van geheimen getracht [betrokkene 6] te dwingen een aanzienlijk geldbedrag af te geven. Door aldus te handelen, heeft verdachte geprobeerd misbruik te maken van andermans zwakte tot eigen financieel voordeel.

Het hof heeft kennisgenomen van de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze in de pro justitia rapportage betreffende verdachte, opgemaakt door J.R. Douglas Broers (psychiater), gedateerd 16 januari 2010, zijn beschreven en door verdachte ter terechtzitting van het hof zijn verwoord.

Het hof heeft voorts rekening gehouden met de conclusie van J.R. Douglas Broers in genoemde pro justitia rapportage voor zover inhoudende dat de tenlastegelegde feiten slechts in licht verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend. Het hof neemt deze conclusie over.

Uit de rapportage blijkt dat betrokkene na een aantal ingrijpende gebeurtenissen in zijn leven thans in rustiger vaarwater verkeert en met een zekere mate van zelfreflectie kan terugkijken op die gebeurtenissen en deze kan nuanceren. Hieruit leidt het hof af dat verdachte lering heeft getrokken uit het verleden. Dat neemt niet weg dat verdachte gedurende langere tijd met voorbijgaan aan andermans te respecteren belangen en met een ernstige overschrijding van juridische en maatschappelijke grenzen zijn eigen belang en vermeend gerechtvaardigde doelen is blijven nastreven. In de mentale toestand waarin hij zich destijds bevond is verdachtes blikveld kennelijk dusdanig vernauwd geraakt, dat hij niet meer tot relativering en herbezinning in staat is geweest. Het hof acht aannemelijk dat de door de deskundige geconstateerde (mate van) depressiviteit en persoonlijkheidsstoornis hier mede debet aan is geweest. Mede gelet hierop acht het hof een gevangenisstraf niet op zijn plaats, ook niet in voorwaardelijke vorm. Het hof is van oordeel dat kan worden volstaan met een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van de hierna aan te geven duur, welke straf het hof deels voorwaardelijk zal opleggen om verdachte, die ook nu nog werkzaam is op het gebied van juridische dienstverlening, ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 57, 63, 318 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde

Wijst de zaak terug naar de meervoudige kamer in de rechtbank Groningen, teneinde -met inachtneming van dit arrest- de zaak opnieuw te berechten en af te doen.

Ten aanzien van het onder 1, 2 en 4 tenlastegelegde

Verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 2 en 4 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het onder 1 en 4 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 100 (honderd) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten op grond dat verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat bij de uitvoering van de taakstraf 4 (vier) uren in mindering worden gebracht wegens de tijd door verdachte in verzekering doorgebracht, te weten totaal 2 (twee) dagen.

Aldus gewezen door

mr H.G.W. Stikkelbroeck, voorzitter,

mr Y.A.J.M. van Kuijck en mr J.I.M.W. Bartelds, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr N.D. ten Elshof, griffier,

en op 24 februari 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Voor zover hierna wordt verwezen naar processen-verbaal van politie, wordt telkens verwezen naar bijlagen van het in de wettelijke vorm opgemaakt politie proces-verbaal, genummerd PL01KN/07-006935, gesloten en getekend op 17 augustus 2007 door [verbalisant 2], brigadier van politie (hierna: het politie proces-verbaal).

2 Zie de brief van [betrokkene 7] op pagina 25 van het politie proces-verbaal.

3 Zie de verklaring van [betrokkene 1] op pagina 28-29 van het politie proces-verbaal.

4 Zie de verklaring van [betrokkene 2] op pagina 41-44, de emailberichten van verdachte aan [betrokkene 2] op pagina 45-47 en 52, het contract tussen [betrokkene 1] en verdachte op pagina 48 en de rekeningafschriften van [betrokkene 2] op pagina 49-51 van het politie proces-verbaal.

5 Zie de verklaring van [betrokkene 2] op pagina 13, 15 en 16 van het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank Groningen van 25 maart 2008.

6 Zie de verklaring van [betrokkene 8] op pagina 55-56 van het politie proces-verbaal.

7 Zie de verklaring van [betrokkene 8] op pagina 11 van het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank Groningen van 25 maart 2008.

8 Zie de verklaring van [betrokkene 9] op pagina 58-59 en het emailbericht van verdachte aan [betrokkene 9] op pagina 61 van het politie proces-verbaal.

9 Zie de verklaring van [betrokkene 4] op pagina 129-130, de emailberichten van verdachte aan [bedrijf] op pagina 133 en 134 en de brieven van [betrokkene 4] aan verdachte op pagina 131 en 135 van het politie proces-verbaal.

10 Zie de brief van verdachte aan [betrokkene 4] op pagina 137 van het politie proces-verbaal.

11 Zie de verklaring van verdachte ter terechtzitting van het hof op 10 februari 2010.

12 Voor zover hierna wordt verwezen naar processen-verbaal, wordt telkens verwezen naar bijlagen van het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van de FIOD/ECD, dossiernummer 39393, gesloten en getekend op 29 maart 2007 door [verbalisant 3] en [verbalisant 4] ambtenaren van de Belastingdienst en buitengewoon opsporingsambtenaren (hierna: het FIOD/ECD proces-verbaal)

13 Zie de verklaring van [betrokkene 6] als bijlage D-1 bij het FIOD/ECD proces-verbaal.

14 Zie het emailbericht van [betrokkene 11] als bijlage D-2 van het FIOD/ECD proces-verbaal.

15 Zie het relaas van verbalisant [verbalisant 1] in bijlage AH-2 van het FIOD/ECD proces-verbaal.

16 Zie de verklaring van verdachte op pagina 29 van het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank op 25 maart 2008.

17 Zie de verklaring van verdachte ter terechtzitting van het hof op 10 februari 2010.