Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BL4472

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
16-02-2010
Datum publicatie
19-02-2010
Zaaknummer
200.113.086/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Levering van gas en electra. Vergoeding op basis van leveringsovereenkomst op grond van verschuldigde betaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 16 februari 2010

Zaaknummer 200.013.086/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. A.H. Lanting, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

[geïntimeerde],

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. G.A. Pots, kantoorhoudende te Leeuwarden.

De inhoud van het op 9 juni 2009 in deze zaak gewezen tussenarrest wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Ingevolge voormeld tussenarrest heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden op 27 oktober 2009. Het daarvan opgemaakte proces verbaal bevindt zich in afschrift bij de processtukken.

Ten slotte hebben partijen de stukken andermaal overgelegd voor het wijzen van arrest.

De verdere beoordeling

1. Het geschil spitst zich toe op de vraag of tussen partijen al dan niet een leveringsovereenkomst voor gas en electriciteit tot stand is gekomen en zo niet, of [appellant] op een andere rechtsgrond een vergoeding verschuldigd is voor geleverde energie.

2. [geïntimeerde] heeft aan haar vordering primair ten grondslag gelegd dat tussen partijen een overeenkomst van levering van energie ten behoeve van de percelen [adres] is gesloten. Subsidiair baseert [geïntimeerde] haar vordering op bekrachtiging door [appellant] van de overeenkomst, dan wel op onverschuldigde betaling, althans ongerechtvaardigde verrijking.

[appellant] heeft gemotiveerd ontkend dat hij een leveringsovereenkomst met [geïntimeerde] heeft gesloten. Hij betwist de door [geïntimeerde] - in kopie - overgelegde leveringsover-eenkomsten te hebben ondertekend.

3. Gelet op het gemotiveerde verweer van [appellant] rust overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv de bewijslast ten aanzien van de vraag of [appellant] haar contractspartij is bij de onderhavige leveringsovereenkomsten op [geïntimeerde].

Omdat [appellant] de echtheid van de handtekeningen welke onder de contracten zijn geplaatst, heeft betwist, heeft het hof in zijn tussenarrest van 9 juni 2009 reeds in het vooruitzicht gesteld dat mogelijk een deskundigenonderzoek zal worden bevolen. In dat verband heeft het hof [geïntimeerde] opgedragen de originele exemplaren van de handmatig ingevulde leveringsovereenkomsten ter comparitie over te leggen.

4. [geïntimeerde] heeft ter comparitie echter slechts twee contracten overgelegd, die per fax zijn ontvangen. Contracten met een originele handtekening eronder zijn niet in het geding gebracht. Om die reden is voor een deskundigenonderzoek naar de vraag of de onder de contracten geplaatste handtekeningen van [appellant] afkomstig zijn, geen plaats.

5. [geïntimeerde] heeft geen ander gespecificeerd bewijsaanbod gedaan. Dat heeft zij nagelaten. In appel heeft zij slechts in algemene bewoordingen bewijs van haar stellingen aangeboden. Het hof zal dat bewijsaanbod daarom passeren.

6. Dit een en ander betekent naar 's hofs oordeel dat [geïntimeerde] niet heeft aangetoond dat [appellant] de onderhavige leveringsovereenkomsten heeft gesloten. Daarmee is de primaire grondslag aan de vordering ontvallen.

7. De - subsidiaire - stelling van [geïntimeerde] dat, mocht het hof van oordeel zijn dat derden op naam van [appellant] een overeenkomst met [geïntimeerde] hebben gesloten, die overeenkomst door [appellant] is bekrachtigd omdat hij energie van [geïntimeerde] heeft betrokken, faalt. [geïntimeerde] heeft onvoldoende onderbouwd welke tot haar gerichte rechtshandeling [appellant] zou hebben verricht waaruit blijkt dat hij aan de overeenkomst gebonden wilde zijn.

Van bekrachtiging door [appellant] van de overeenkomst kan dan ook geen sprake zijn.

8. De - meer subsidiaire - stelling van [geïntimeerde], luidende dat zij uit hoofde van onverschuldigde betaling een vordering op [appellant] heeft, treft doel. Ter comparitie is namens [appellant] niet betwist de stelling van [geïntimeerde] dat [appellant] huurder is van de beide panden en dat hij deze inclusief energie onderverhuurt. Aangenomen moet derhalve worden dat de energie door [geïntimeerde] aan [appellant] is geleverd, althans ten goede is gekomen. Nu een rechtsgrond voor de levering niet is aangetoond, is [appellant] op grond van onverschuldigde betaling gehouden tot vergoeding van de waarde van de prestatie aan [geïntimeerde]. De berekening van die waarde door [geïntimeerde] is door [appellant] niet gemotiveerd betwist.

9. Hetgeen partijen over en weer voorts nog hebben aangevoerd, behoeft in het licht van het voorgaande geen verdere bespreking.

Slotsom

10. De slotsom luidt dat de grieven falen. Als gevolg van de eiswijziging in hoger beroep kan het vonnis van de kantonrechter evenwel niet onverkort in stand blijven. Opnieuw rechtdoende zal het hof de vordering van [geïntimeerde] toewijzen als na te melden.

Als de in het ongelijk te stellen partij zal [appellant] worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep in hoger beroep, waaronder die van het incident vermeerdering eis (2 procespunten, volgens tarief I).

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis van 29 juli 2008 waarvan beroep, voor zover het de daarbij uitgesproken kostenveroordeling betreft;

vernietigt het vonnis van 29 juli 2008 waarvan beroep voor het overige

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellant] tot betaling aan [geïntimeerde] van € 8.835,03 te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 7.467,47 vanaf 15 mei 2008 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] op € 406,-- aan verschotten en op € 1.264,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. Mollema, voorzitter, Kuiper en Fikkers, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 16 februari 2010 in bijzijn van de griffier.