Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BL4207

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
15-02-2010
Datum publicatie
17-02-2010
Zaaknummer
24-000815-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De raadsman heeft bepleit dat het voordeel dat veroordeelde heeft behaald uit een hennepkwekerij, zijnde een soortgelijk feit als de feiten waarvoor hij is veroordeeld, niet kan worden ontnomen, nu de ontdekking van de hennepkwekerij door de politie onrechtmatig is geweest.

Wat er zij van de wijze waarop de ontdekking van de hennepkwekerij heeft plaatsgevonden, het hof stelt vast dat veroordeelde - tijdens een verhoor dat plaatsvond in het kader van een opsporingsonderzoek ter zake van andere strafbare feiten dan die hennepkwekerij - heeft verklaard dat hij € 3.500,- voordeel heeft gehad uit een hennepkwekerij.

De schatting van het wederrechtelijk verkregen dient op grond van artikel 511f van het Wetboek van Strafvordering te worden ontleend aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen. Voornoemde verklaring van veroordeelde is een wettig bewijsmiddel, waaruit blijkt dat veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. In beginsel kan aan veroordeelde derhalve een bedrag van € 3.500,- ter zake van voordeel behaald uit de hennepkwekerij worden ontnomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000815-09

Parketnummer eerste aanleg: 18-630405-07

Arrest van 15 februari 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Groningen van 19 maart 2009, in de zaak strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tegen:

[veroordeelde],

geboren op [1955] te [geboorteplaats],

Postadres: [postadres],

thans verblijvende in PI Veenhuizen, De Fleddervoort ZBB te Veenhuizen,

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman, mr. W.J. Ausma, advocaat te Utrecht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Groningen heeft bij voormeld vonnis, op tegenspraak gewezen, onder verwijzing naar het vonnis d.d. 13 oktober 2008 van voormelde rechtbank in de strafzaak met parketnummer 18-630405-07, het door veroordeelde door middel van de door hem gepleegde strafbare feiten en soortgelijke feiten als die waarvoor hij is veroordeeld wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 5.725,- en hem de verplichting opgelegd dat bedrag aan de Staat te betalen, ter ontneming van dat voordeel.

Gebruik van het rechtsmiddel

De veroordeelde is op de voorgeschreven wijze en tijdig van voormelde uitspraak in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat door het hof zal worden vastgesteld op € 6.525,- en dat de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd dat bedrag aan de Staat te betalen, ter ontneming van dat voordeel.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, vernietigen en opnieuw recht doen.

De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De veroordeelde is bij arrest van dit hof van 15 februari 2010 (parketnummer 24-002540-08) veroordeeld tot straf ter zake van medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, aanhef en onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd in de periode van 1 februari 2007 tot en met 8 september 2007 en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder A van de Opiumwet gegeven verbod op 8 september 2007, alsmede het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, aanhef en onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd in de periode van 1 januari 2005 tot en met 23 juni 2008.

De veroordeelde heeft uit het bewezen verklaarde handelen voordeel verkregen.

Voordeel uit uitvoer/ handel in amfetamine en MDMA

Veroordeelde heeft verklaard dat hij 2 kilogram amfetamine/speed heeft uitgevoerd. Afnemer [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij 2,5 kilogram amfetamine/speed geleverd heeft gekregen van veroordeelde, terwijl afnemer [betrokkene 2] spreekt over 3 kilogram. Het hof zal uitgaan van het gemiddelde, derhalve 2,5 kilogram.

Gelet op de verklaring van afnemer [betrokkene 2] wisselde de prijs van de door veroordeelde geleverde amfetamine/speed tussen de € 2,50 per gram en € 3,50 per gram. Het hof zal daarom uitgaan van een gemiddelde prijs van € 3,- per gram.

Niet is gebleken dat veroordeelde kosten heeft moeten maken voor de inkoop van de amfetamine/speed.

Het voordeel van veroordeelde ter zake van het uitvoeren van amfetamine/speed is:

2500 gram x € 3,- = € 7.500,-

Alhoewel [betrokkene 1] en [betrokkene 2] beiden hebben verklaard dat veroordeelde hen 1500 XTC-pillen heeft geleverd, zal het hof uitgaan van de verklaring van veroordeelde dat het 1200 XTC-pillen betreft, nu [betrokkene 2] tijdens zijn eerste verhoren in 2007 ook heeft verklaard dat het om 1200 pillen ging. Zowel [betrokkene 1] als [betrokkene 2] hebben verklaard dat een XTC-pil bij veroordeelde € 1,- kost.

Het voordeel van veroordeelde ter zake van het uitvoeren van MDMA is:

1200 pillen x € 1,- = € 1.200,-

Derhalve heeft veroordeelde een bedrag van € 7.500,- + € 1.200,- = € 8.700,- aan inkomsten gehad uit de uitvoer van drugs.

Van dit bedrag heeft veroordeelde een bedrag van € 4.000,- niet ontvangen van zijn afnemers. De raadsman heeft bepleit dat dit bedrag hoger is, namelijk € 4.500,- gelet op de verklaring [betrokkene 2] d.d. 20 januari 2010. Het hof volgt de raadsman niet in zijn stelling, nu [betrokkene 2] in 2007 heeft verklaard dat het een bedrag van € 4.000,- betreft en veroordeelde op 19 juni 2008 heeft verklaard dat het 'slechts' gaat om € 1.900,-.

Veroordeelde heeft derhalve ontvangen een bedrag van € 8.700,- minus € 4.000,- = € 4.700,-

Van dit bedrag dient te worden afgetrokken de kosten ( € 750,-) die veroordeelde heeft moeten maken ter zake van de drugskoerier [betrokkene 3], en de reiskosten van veroordeelde naar Oostenrijk. Het bedrag van de door de raadsman opgevoerde reiskosten van € 2.450,- zal het hof halveren, nu veroordeelde de reizen naar Oostenrijk tevens maakte met het doel aldaar op vakantie te gaan en/of zijn broer te bezoeken.

Derhalve heeft veroordeelde een voordeel genoten van:

€ 4.700,- minus

€ 750,- minus

€ 1.225,-

Voordeel: € 2.725,-

Voordeel uit hennep

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het door veroordeelde genoten wederrechtelijk verkregen voordeel van € 3.500,- behaald uit een soortgelijk feit als die waarvoor veroordeelde is veroordeeld, te weten een hennepkwekerij, tevens dient te worden ontnomen.

De raadsman heeft bepleit dat dit voordeel niet kan worden ontnomen, nu de ontdekking van de hennepkwekerij door de politie onrechtmatig is geweest.

Wat er zij van de wijze waarop de ontdekking van de hennepkwekerij heeft plaatsgevonden, het hof stelt vast dat veroordeelde - tijdens een verhoor dat plaatsvond in het kader van een opsporingsonderzoek ter zake van andere strafbare feiten dan de hennepkwekerij - heeft verklaard dat hij € 3.500,- voordeel heeft gehad uit een hennepkwekerij.

De schatting van het wederrechtelijk verkregen dient op grond van artikel 511f van het Wetboek van Strafvordering te worden ontleend aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen. Voornoemde verklaring van veroordeelde is een wettig bewijsmiddel, waaruit blijkt dat veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. In beginsel kan aan veroordeelde derhalve een bedrag van € 3.500,- ter zake van voordeel, behaald uit de hennepkwekerij, worden ontnomen.

Gelet echter op de omstandigheid dat veroordeelde heeft verklaard (tenminste de helft) van de energierekening van Essent ten bedrage van € 10.572,77 te hebben betaald, welk bedrag als kosten van de hennepkwekerij in mindering dient te worden gebracht op de inkomsten van die hennepkwekerij, stelt het hof vast dat het voordeel dat veroordeelde uit de hennepkwekerij heeft genoten nihil is. Anders dan de advocaat-generaal, acht het hof voldoende aannemelijk dat de rekening van Essent is voldaan.

Onder veroordeelde is ter zake van de hennepkwekerij een bedrag van € 2.620,- en een bedrag van € 270,- in beslag genomen. Nu het voordeel van veroordeelde uit de hennepkwekerij reeds is vastgesteld op nihil en het beslag kennelijk - nu zich in het dossier van het hof geen beslaglijst bevindt - geen betrekking heeft op de bewezenverklaarde feiten waarvoor wederrechtelijk verkregen voordeel wordt ontnomen, zal het hof bij het vaststellen van de betalingsverplichting geen rekening houden met deze in beslaggenomen geldbedragen.

Gelet op het voorgaande ontleent het hof aan de inhoud van de hierboven genoemde wettige bewijsmiddelen de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 2.725,-. Het hof zal aan de veroordeelde de verplichting opleggen om dat bedrag ter ontneming van het dat voordeel aan de Staat te betalen.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

stelt het bedrag waarop het door veroordeelde [veroordeelde] voornoemd wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 2.725,- euro;

legt de veroordeelde [veroordeelde] voornoemd de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag van tweeduizend zevenhonderdvijfentwintig euro ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. A.J. Rietveld, voorzitter, mr. P.J.M. van den Bergh en mr. J.A. Wiarda, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Mulder als griffier, zijnde mr. Wiarda voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.